Karl Marx


Kritiek op het programma van Gotha




Geschreven: april of begin mei 1875
Eerste publicatie: verkorte versie in Die Neue Zeit, Bd. 1, No. 18, 1890-91
Originele transcriptie naar HTML: Bart Van der Biest en Geert Cool, Linkse Socialistische Partij
Deze versie: Marxists Internet Archive, november 2003, verzorgd door Maarten Vanheuverswyn



Brief aan W. Bracke [1]

Londen, 5 mei 1875

Mijn beste Bracke!

Wees zo vriendelijk om de hier volgende kritische aantekeningen bij het verenigingsprogramma na het lezen ter kennismaking door te spelen aan Geib en Auer, Bebel en Liebknecht [2]. Ik zit onder het werk en ben genoodzaakt de werktijd die de artsen mij hebben toegestaan te overschrijden. Daarom heeft het mij zeker geen bijzonder genoegen verschaft om zoveel papier vol te schrijven. Maar dit was hierom noodzakelijk dat de partijvrienden voor wie deze mededeling bestemd is, later geen verkeerde uitleg zouden geven aan de stappen die ik van mijn kant zal moeten ondernemen. Ik bedoel hier een korte kennisgeving, die Engels en ik na het verenigingscongres gaan publiceren; wij gaan verklaren dat wij volledig buiten het genoemde principeprogramma staan en er niets mee gemeen hebben.

Dit is noodzakelijk, want in het buitenland is de door de vijanden van de partij ijverig ondersteunde mening in omloop — een mening die volstrekt onjuist is — dat wij hier de geheime leiding zouden vormen van de zogeheten Eisenachse partij. In zijn onlangs in het Russisch verschenen boek stelt Bakoenin [3] mij bijvoorbeeld nog verantwoordelijk voor niet alleen alle programma's enz. van bovengenoemde partij, maar zelfs voor elke stap die Liebknecht heeft gedaan sinds hij medewerker is in de Volkspartij.

Daarnaast verbiedt mijn plicht mij, al is het maar via diplomatiek stilzwijgen, een programma te erkennen dat volgens mijn overtuiging totaal nutteloos is en de partij demoraliseert.

Elke stap in een reële ontwikkeling is belangrijker dan een dozijn programma's. Daarom, als het onverantwoord was — en de omstandigheden lieten het niet toe — verder te gaan dan het Eisenachse programma, zou men eenvoudig hebben moeten overeenkomen over de activiteiten tegen de gemeenschappelijke vijand. Maar door principeprogramma's op te stellen (in plaats van deze zaak uit te stellen tot het moment dat een langere voorbereiding in samenwerkingsverband is afgerond) richten zij voor het aangezicht van de wereld mijlpalen op volgens welke de mensen oordelen over het niveau van de partijbeweging.

De lassalleaanse leiders zijn naar ons gekomen omdat de omstandigheden hen daartoe noopten. Als zij vanaf het begin te horen hadden gekregen dat alle koehandel in principes zou worden afgewezen, dan moesten ze zich wel tevreden stellen met een actieprogramma of een organisatieplan ten behoeve van gemeenschappelijke actie. In plaats daarvan krijgen zij toestemming te verschijnen in een volledige wapenuitrusting van mandaten en van hun kant erkennen zij deze mandaten als bindend, ofwel leveren zij zich over aan de goede en kwade wil van diegenen die zelf hulp behoeven. Als de kroon op dit werk roepen zij een congres bijeen voor het gezamenlijk besluitvormingscongres, terwijl de eigen partij haar congres alleen post festum houdt. Hier wilden ze duidelijk elke kritiek afkappen en de eigen partij overrompelen. Het is bekend dat de arbeiders tevreden zijn met de vereniging als zodanig; maar het is een vergissing om te denken dat dit momentane succes niet al te duur is betaald.

Overigens is het programma totaal nutteloos, ook los van het feit dat het het lassalleaanse credo canoniseert.

 

Aantekeningen bij het programma van de Duitse Arbeiderspartij

I

1. “Arbeid is de bron van alle rijkdom en alle cultuur, en aangezien nuttige arbeid slechts mogelijk is in een maatschappij en met een maatschappij als medium, behoren de inkomsten van de arbeid onversneden en naar gelijke rechten toe aan alle leden van de maatschappij.”

Het eerste deel van de paragraaf: “Arbeid is de bron van alle rijkdom en alle cultuur."

Arbeid is niet de bron van alle rijkdom. De natuur is in evenwaardige mate een bron van gebruikswaarden (die immers evengoed de materiële rijkdom uitmaken!) als de arbeid, die zelf slechts één der natuurkrachten manifesteert: de menselijke arbeidskracht. Bovengenoemde frase kan men terugvinden in ieder abc-boek en is in zoverre juist, naarmate hierbij wordt verondersteld dat arbeid wordt verricht met gebruikmaking van de nodige voorwerpen en gereedschappen. Maar in een socialistisch program is geen plaats voor dergelijke burgerlijke frasen, dewelke impliciet voorbijgaan aan die voorwaarden, die er als enige betekenisvolle inhoud aan verlenen. In de mate dat de mens de natuur, deze oerbron van alle middelen en werktuigen van de arbeid, bij voorbaat benadert als eigenaar, ermee omgaat als een voorwerp dat hem toebehoort, in zoverre wordt zijn arbeid een bron van gebruikswaarden en daarmede ook van rijkdom. De bourgeois hebben heel gewichtige redenen om aan de arbeid bovennatuurlijke scheppingskracht toe te schrijven, juist omdat uit de natuurlijke wezenskenmerken van de arbeid voortvloeit, dat een mens die geen ander bezit heeft dan zijn eigen arbeidskracht, in iedere maatschappelijke en culturele situatie gedwongen is de slaaf te zijn van anderen die de hand hebben kunnen leggen op de materiële voorwaarden van de arbeid. Slechts met hun welnemen kan hij werken, dus ook alleen met hun toelating kan hij leven.

Doch laten wij deze frase voor wat ze is, wat er ook de tekortkomingen van zijn. Welk besluit zouden we mogen verwachten? Zonder meer het volgende:
“Aangezien arbeid de bron is van alle rijkdom, kan niet één lid van de maatschappij zich op andere wijze rijkdom verwerven dan door zich het product van de arbeid toe te eigenen. Wanneer hij zelf niet werkt, dan moet hij wel leven van andermans werk.”

In plaats hiervan wordt door de woordjes “en aangezien” onmiddellijk de verbinding gemaakt met de eerste zin, om uit de tweede, en niet uit de eerste, het besluit te trekken.

Het tweede deel van de paragraaf: “Nuttige arbeid is slechts mogelijk in een samenleving en met een samenleving als medium.”

Volgens de eerste stelling was de arbeid de bron van alle rijkdom en alle cultuur, en was er dus geen samenleving denkbaar zonder arbeid. Nu lezen we juist weer dat geen enkele “nuttige arbeid” mogelijk is zonder maatschappij.

Voor hetzelfde geld had men kunnen beweren dat alleen in een samenleving nutteloze of zelfs voor de samenleving schadelijke arbeid een nijverheidstak kan worden, dat alleen in een samenleving men van de wind kan leven enz. — kortom, men had heel Rousseau kunnen kopiëren.

Ten derde. De conclusie: “En aangezien nuttige arbeid slechts mogelijk is in een maatschappij en met een maatschappij als medium, behoren de inkomsten van de arbeid onversneden en naar gelijke rechten toe aan alle leden van de maatschappij.”

Wat een conclusie! Indien nuttige arbeid alleen maar mogelijk is in een maatschappij en met een maatschappij als medium, dan behoren de inkomsten van de arbeid toe aan de maatschappij en elke afzonderlijke arbeid valt slechts dat van de inkomsten ten deel, wat niet nodig is voor het onderhouden van de “conditie” van de arbeid: de maatschappij.

En inderdaad...in alle tijden kwamen de pleitbezorgers van iedere gegeven maatschappijordening met deze stelling voor de dag. Op de eerste plaats komen de aanspraken van de regering en alles wat daarmee verbonden is, — immers de regering is het maatschappelijke orgaan voor het behoud van de maatschappelijke orde; daarna volgen de aanspraken van de verschillende soorten particuliere eigendom, want de verschillende soorten particuliere eigendom vormen toch de pijlers van de maatschappij enzovoorts. Deze holle frasen kan men, zoals u ziet, wenden en keren naar behoefte.

Een enigszins logisch verband kunnen het eerste en het tweede deel van de paragraaf alleen maar hebben in de volgende redactie:
“Tot rijkdom en cultuur wordt arbeid slechts in maatschappelijk verband”, ofwel, anders verwoord, “in een maatschappij als medium”.

Deze stelling is zonder twijfel juist, want als geïsoleerde arbeid (aangenomen dat de natuurlijke bestaansvoorwaarden ervoor aanwezig zijn) tevens gebruikswaarden kan creëren, kan het geen rijkdom voortbrengen, noch cultuur.

Maar even juist is de andere stelling:
“Al naargelang de arbeid zich als maatschappelijk element ontwikkelt en hierdoor een bron van rijkdom en cultuur wordt, ontwikkelen zich armoede en ellende bij de arbeider, rijkdom en cultuur bij de niet-arbeider.”

Dat is een wetmatigheid van de hele geschiedenis tot onze tijd. Daarom was het in de plaats van algemene frasen over “arbeid” en “maatschappij” nodig om aan te tonen, hoe de hedendaagse kapitalistische maatschappij uiteindelijk de materiële en overige voorwaarden in het leven roept, die de arbeiders in staat stelt om deze vloek van de samenleving de verdelgen en hen te dwingen dit te doen.

In werkelijkheid is deze hele paragraaf ongelukkig geformuleerd, foutief qua inhoud, slechts ingevoegd met het doel de lassalleaanse formule over de onversneden “arbeidsinkomsten” te gebruiken als eerste leuze op de partijbanier. Op deze “arbeidsinkomsten”, op de “gelijke rechten” e.a. kom ik verder nog terug, omdat hetzelfde verderop wordt herhaald, zij het in enigszins gewijzigde vorm.

2. “In de hedendaagse maatschappij vormen de arbeidsmiddelen een monopolie van de kapitalisten. De hierdoor bepaalde afhankelijkheid van de arbeidersklasse is oorzaak van armoede en knechting in al hun vormen.”

Deze uit de statuten der Internationale overgenomen stelling is in deze “verbeterde” redactie onjuist.

In de tegenwoordige samenleving maken de arbeidsmiddelen het monopolie uit van grondbezitters (het monopolie van grondbezit vormt zelfs de grondslag van het monopolie van het kapitaal) en kapitalisten. In de corresponderende alinea van de statuten der Internationale wordt geen van beide monopolistische klassen genoemd. Er wordt gesproken van “het monopolie over de arbeidsmiddelen, ofwel de levensbronnen”. De toevoeging “levensbronnen” geeft voldoende aan dat onder de arbeidsmiddelen ook de grond valt.

De correctie werd gemaakt omdat Lassalle uit beweegredenen die vandaag de dag aan eenieder bekend zijn, alleen de klasse der kapitalisten bestookte en niet de grondbezitters. In Engeland is een kapitalist meestal niet eens de bezitter van de grond, waarop zijn fabriek staat.

3. “De vrijmaking van de arbeid vereist het verheffen van de arbeidsmiddelen tot erfgoed van de gehele maatschappij en het collectief reguleren van de gezamenlijke arbeid met een rechtvaardige verdeling van de arbeidsinkomsten.”

“Het verheffen van de arbeidsmiddelen tot erfgoed van de gehele maatschappij” (!) houdt kennelijk in: hun “verandering” in erfgoed van de gehele maatschappij. Doch dit terzijde.

Wat zijn “arbeidsinkomsten”? Het product van de arbeid of de waarde ervan? En in het laatste geval, de volle waarde van het product of alleen dit gedeelte van de waarde dat door de arbeid is toegevoegd aan de waarde van de gebruikte productiemiddelen?

“Arbeidsinkomsten” is een vaag begrip dat Lassalle in de plaats heeft gesteld van zekere economische begrippen.

Wat is een “rechtvaardige verdeling”?

Beweren de bourgeois soms niet, dat de huidige verdeling “rechtvaardig” is? En is deze verdeling inderdaad niet de enige “rechtvaardige” op basis van de hedendaagse productievorm? Worden de economische verhoudingen soms gereguleerd door juridische begrippen en niet andersom: komen de juridische verhoudingen niet voort uit de economische? En houden de verschillende socialistische sektariërs er niet de meest uiteenlopende voorstellingen op na over de “rechtvaardige” verdeling?

Willen we weten wàt in dit geval wordt verstaan onder de uitdrukking “rechtvaardige” verdeling, dan moeten we deze paragraaf lezen in het licht van de eerste. de tweede veronderstelt een maatschappij waarin “de arbeidsmiddelen maatschappelijk erfgoed uitmaken en de gezamenlijke arbeid collectief wordt gereguleerd”, en in de eerste paragraaf zien we, dat “de inkomsten van de arbeid onversneden en naar gelijke rechten aan alle leden van de maatschappij toebehoren.”

“Alle leden van de maatschappij”? Zelfs ook de niet-werkenden? Waar blijven dan de “onversneden arbeidsinkomsten”? Alleen de werkende leden van de maatschappij? Waar blijft dan het “gelijke recht” voor alle leden van de maatschappij?

Doch “alle leden van de maatschappij” en “gelijk recht” zijn duidelijk alleen maar frasen. De kern van de zaak is, dat in deze communistische maatschappij elk werkend mens Lassalles “onversneden arbeidsinkomsten” moet ontvangen.

Indien wij de uitdrukking “arbeidsinkomsten” allereerst opvatten in de betekenis van product van de arbeid, dan blijken de arbeidsinkomsten het gezamenlijke maatschappelijke product te zijn.

Daarvan moet nu worden afgetrokken:

Blijft over het andere deel van het gezamenlijke product, bestemd om dienst te doen als consumptiegoederen.

Voordat wordt overgegaan tot de individuele verdeling van dit resterende deel, wordt nog eens afgetrokken:

Pas nu komen we bij de “verdeling”, waarop in het programma, onder invloed van Lasalle, zo kortzichtig wordt geduid, en wel bij dat deel van de consumptiegoederen dat wordt verdeeld onder de individuele producenten van het collectief.

De “onversneden arbeidsinkomsten” zijn ongemerkt al versneden geworden, ofschoon al het van de producent als individu ingehoudene hem rechtstreeks of onrechtstreeks tot nut dient als lid van de samenleving.

Net zoals de frase over “onversneden arbeidsinkomsten” is vervlogen, zo vervliegt nu ook de frase over de “arbeidsinkomsten” in het algemeen.

In een maatschappij die gebouwd is op de beginselen van het collectivisme, op het gemeenschappelijke beheer van de productiemiddelen, ruilen de producenten hun producten niet; evenmin fungeert de arbeid die geleverd is voor het maken van de producten hier als de waarde van deze producten, als een soort stoffelijke eigenschap ervan, omdat nu, in tegenstelling tot de kapitalistische maatschappij, individuele arbeid niet meer via een omweg, maar direct deel uitmaakt van de gemeenschappelijke arbeid. De uitdrukking “arbeidsinkomsten”, ook in onze tijd niet aanvaardbaar vanwege de dubbelzinnigheid, verliest op die manier elke inhoud.

We hebben hier niet te maken met zo'n communistische maatschappij, die zich heeft ontwikkeld op eigen grondslag, maar integendeel, met een die zojuist voortkomt uit de kapitalistische maatschappij zelf en die daarom in alle opzichten, economisch, zedelijk en verstandelijk, nog de moedervlekken van de oude maatschappij draagt, uit wier schoot deze is ontsproten. In overeenstemming hiermee krijgt elke afzonderlijke producent, met in achtneming van alle afhoudingen, van de maatschappij precies zoveel terug als hij er zelf aan levert. Wat hij aan de maatschappij heeft gegeven, vormt zijn individueel aandeel in de arbeid.

Een voorbeeld: de gemeenschappelijke werkdag vormt de som van de individuele werkuren; de individuele werktijd van elke afzonderlijke producent is het door hem geleverde deel van de gemeenschappelijke werkdag, zijn part daarin. Hij ontvangt van de maatschappij een kwitantie voor het feit, dat hem zo-en-zoveel arbeid is toebedeeld (met mindering op zijn arbeid ten bate van gemeenschappelijke fondsen), en volgens deze kwitantie ontvangt hij uit de gemeenschappelijke voorraden een hoeveelheid consumptiegoederen die evenredig is aan de geleverde arbeid. Dezelfde hoeveelheid arbeid die hij aan de maatschappij in de ene vorm heeft gegeven, krijgt hij terug in een andere vorm.

Hier heerst overduidelijk het principe dat het uitwisselen der goederen reguleert, want uiteindelijk worden gelijke waarden uitgewisseld. Inhoud en vorm zijn hier gewijzigd, omdat onder de gewijzigde omstandigheden niemand iets anders te bieden heeft, dan zijn arbeid en omdat anderzijds tot eigendom van de individuele personen niets anders kan strekken, dan individuele consumptiegoederen. Maar wat de verdeling van deze laatste onder de afzonderlijke producenten aangaat, heerst hier hetzelfde principe als bij het uitwisselen van de equivalenten van goederen: een zekere hoeveelheid arbeid in de ene vorm wordt omgezet in een gelijke hoeveelheid arbeid in de andere.

Daarom is gelijk recht hier principieel nog altijd een burgerlijk recht, al spreken principe en praktijk elkaar hier niet meer tegen, terwijl men bij goederenomzet, het uitwisselen van equivalenten slechts een gemiddelde kent, dus geen afzonderlijke gevallen.

Afgezien van deze vooruitgang blijft dit gelijk recht in één opzicht nog altijd binnen het kader van de bourgeoisie. Het recht der producenten is evenredig aan de door hem geleverde arbeid; de gelijkheid berust hierin, dat gemeten wordt met een gelijke maatstaf: arbeid.

Maar de ene mens staat fysiek of verstandelijk hoger dan de andere en kan in dezelfde tijd dus meer arbeid leveren of is in staat langer te werken; arbeid moet, om te kunnen fungeren als maatstaf, worden gedefinieerd naar duur en intensiteit, anders zou hij geen maatstaf meer zijn. Dit gelijke recht is een ongelijk recht voor ongelijke arbeid. Het erkent geen klassenonderscheid, omdat iedereen een arbeider is net als alle anderen; doch het erkent stilzwijgend de ongelijke individuele begaafdheid en daarmee ook het ongelijke arbeidspotentieel door bepaalde voorrechten. Daarom is het inhoudelijk een recht van ongelijkheid, evenals elk recht. Naar zijn wezen kan een recht slechts bestaan in het toepassen van een gelijke maatstaf; doch ongelijke individuen (en zij zouden geen verschillende individuen zijn als zij niet ongelijk zouden zijn) kunnen slechts in zo verre met één en dezelfde maat worden gemeten, als zij worden bekeken vanuit één invalshoek, als slechts één facet onder de loep wordt genomen. Zoals bijvoorbeeld in ons geval, waar ze alleen als arbeiders worden benaderd en als niets anders. De rest blijft buiten beschouwing. Verder: de ene arbeider is getrouwd, de andere niet, de ene heeft meer kinderen, de andere minder enzovoorts. Bij gelijke rechten en dus bij gelijke deelname aan het gemeenschappelijke consumptiefonds ontvangt de één in werkelijkheid meer dan de andere, blijkt rijker te zijn dan de ander e.d. Om dit alles te vermijden, zou het recht ongelijk in plaats van gelijk moeten zijn.

Maar deze tekortkomingen zijn onvermijdelijk in de eerste fase van de communistische maatschappij, zoals deze na lange barensweeën uit de kapitalistische voortkomt. Het recht kan nooit boven de economische structuur en de hierdoor geconditioneerde culturele ontwikkeling van de maatschappij staan.

In de hoogste fase van de communistische maatschappij, na de verdwijning van de tot slaaf makende arbeidsverdeling, wanneer hiermee de tegenstelling tussen hoofd- en handwerk verdwenen is, wanneer de arbeid niet meer een louter middel is om te leven, maar zelf een eerste levensbehoefte wordt, wanneer samen met de allesomvattende ontplooiing van de individuen de productieve krachten zijn uitgegroeid en alle bronnen van gemeenschappelijke rijkdom zullen overlopen, pas dan zal men de nauwe horizon van het burgerlijke recht geheel te boven kunnen komen en kan de maatschappij op zijn banier schrijven: van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften!

Ik ben uitvoeriger stil blijven staan bij de “onversneden arbeidsinkomsten” enerzijds en bij het “gelijke recht” en de “rechtvaardige verdeling” anderzijds; dit om aan te tonen welk een grote misdaad wordt begaan wanneer men nu tracht aan de ene kant onze partij als dogma's die voorstellingen aan te smeren, dewelke destijds enige inhoud bezaten maar nu geleuter uit de oude doos zijn geworden, en aan de andere kant de realistische beschouwing, die met zoveel moeite de partij is bijgebracht, maar die er nu ze er heeft wortel geschoten, te verbasteren door de ideologisch-juridische en andere kletspraat die zo gebruikelijk was bij democraten en Franse socialisten.

Afgezien van al het bovenvermelde zou het überhaupt een vergissing zijn de kern van de zaak te zien in de zogeheten verdeling en hier het hoofdaccent op te leggen.

Elke verdeling van consumptiegoederen is altijd slechts het resultaat van de verdeling der productievoorwaarden zelf. En de verdeling van de laatste verraadt het karakter van de productievorm zelf.

Een voorbeeld: de kapitalistische productievorm berust hierin dat de materiële productievoorwaarden in de vorm van eigendom van kapitaal en eigendom van grond zich nu in handen van de niet-arbeiders bevinden, terwijl de massa slechts beschikt over zijn persoonlijke productievoorwaarde — arbeidskracht. Zijn de elementen der productie eenmaal op die manier verdeeld, dan vloeit hieruit vanzelf ook de huidige verdeling van consumptiemiddelen voort. Indien de materiële productievoorwaarden het collectieve bezit van de arbeiders zelf kunnen vormen, dan zal dat tevens resulteren in een verdeling van consumptiemiddelen die anders is dan vandaag. Het vulgaire socialisme (met als navolger een zeker deel van de democraten) heeft van de burgerlijke economen de gewoonte overgenomen de verdeling op te vatten en te behandelen als iets dat losstaat van de productievorm en van hieruit de zaak zo voor te stellen, alsof het socialisme hoofdzakelijk draait om de problemen van de verdeling. Maar als de werkelijke stand van zaken allang aan het licht is gebracht, waarom dan op onze schreden terugkeren?

4. “De vrijmaking van de arbeid dient een zaak van de arbeidersklasse te zijn, waartoe alle andere klassen zich verhouden als slechts één reactionaire massa.”

De eerste strofe is ontleend aan de inleiding tot de Statuten der Internationale, maar heeft een “correctie” ondergaan. Daar staat: “De vrijmaking van de arbeidersklasse dient een zaak te zijn van de arbeiders zelf”, terwijl hier juist de “arbeidersklasse” moet vrijmaken, wel? ...de arbeid. Tracht daar maar wat van te maken.

Er komt echter, als om het goed te maken, nog een tegenstrofe — een lassalleaans citaat van het zuiverste water: “waartoe (tot de arbeidersklasse) alle andere klassen zich verhouden als slechts één reactionaire massa”.

In Het Communistisch Manifest staat: “Van alle klassen die in oppositie staan tot de bourgeoisie, vormt alleen het proletariaat een werkelijk revolutionaire klasse. Alle overige klassen geraken in verval en worden geliquideerd met de ontwikkeling van de zware industrie, waar het proletariaat juist het eigen product van is”.

De bourgeoisie als draagster van de zware industrie, wordt hier gezien als revolutionaire klasse met betrekking tot de feodalen en middelste standen die ernaar streven om al die sociale posities te blijven bezetten, die de verouderde productievormen hebben gecreëerd. Hierdoor vormen zij samen met de bourgeoisie slechts één reactionaire massa.

Aan de andere kant is het proletariaat revolutionair met betrekking tot de bourgeoisie omdat het, zelf gevoed door de bodem van de zware industrie, ernaar streeft de productie te ontdoen van het kapitalistische karakter dat de bourgeoisie poogt te vereeuwigen. Maar het 'Manifest' voegt hieraan toe: dat de “middenklassen” revolutionair worden “voor zover hun de overgang naar de gelederen van het proletariaat wacht.”

Vanuit dit standpunt bekeken is het dus opnieuw onzinnig te beweren, dat zij in verhouding tot de arbeiders “samen met de bourgeoisie” en daarbij nog eens met de feodalen “slechts één reactionaire massa vormen”.

Is soms tijdens de laatste verkiezingen verklaard aan de ambachtslieden, de kleine industriëlen e.d., maar ook aan de boeren: “In verhouding tot ons vormen jullie met de bourgeois en de feodalen slechts één reactionaire massa”?

Lassalle kende 'Het Communistisch Manifest' evengoed van buiten als zijn rechtzinnige navolgers de door hem opgetekende heilige geschriften kennen. En als hij het 'Manifest' zo grof heeft verminkt, dan heeft hij dat alleen gedaan om zijn verbond te rechtvaardigen met de absolutistische en feodale opponenten van de bourgeoisie.

Afgezien daarvan is de wijze uitspraak van Lassalle er sowieso aan de haren bijgesleept, zonder enig verband met het bovengenoemde wanstaltig “gecorrigeerde” citaat uit de statuten der Internationale. We hebben hier te maken met een gewoonweg smerig bedenksel, één van die goedkope banaliteiten, waar de Berlijnse Marat [4] in grossiert.

5. “De arbeidersklasse ageert voor zijn vrijmaking allereerst in het kader van de huidige nationale staat, in de wetenschap dat het noodzakelijke resultaat van zijn strevingen, die de arbeiders van alle gecultiveerde landen gemeen hebben, de internationale broederschap der volkeren zal zijn.”

In tegenstelling tot 'Het Communistisch Manifest' en het hele voorafgaande socialisme benaderde Lassalle de arbeidersbeweging vanuit het engste nationalistische standpunt. Hij wordt daarin nagevolgd, — en dat na de activiteiten van de Internationale!

het spreekt voor zich dat de arbeidersklasse, om überhaupt in staat te zijn tot vechten, zich op het thuisfront moet organiseren als klasse en dat het onmiddellijke strijdperk van dit gevecht zijn eigen land is. In zoverre is deze klassenstrijd niet naar inhoud, maar, zoals in 'Het Communistisch Manifest' wordt gezegd, “formeel” een nationale strijd. Maar “het kader van de huidige nationale staat” — bijvoorbeeld het Duitse keizerrijk — bevindt zich op zijn beurt economisch gezien “in het kader van de wereldmarkt” en politiek “in het kader van het statenstelsel”.

Elke koopman weet dat de Duitse handel tegelijkertijd tevens internationale handel is en de staatsie van de heer Bismarck berust nou juist in het voeren van een bepaald soort internationale politiek.

Hoe laat het internationalisme van de Duitse arbeiderspartij zich aanzien? Als de wetenschap dat de strevingen zullen resulteren in de “internationale broederschap der volkeren”. Deze frase, ontleend aan de burgerlijke Liga voor Vrede en Vrijheid, moet doorgaan voor het equivalent van de internationale broederschap der arbeidersklassen van verschillende landen in hun gezamenlijke strijd tegen de heersende klassen en hun regeringen. Enfin, over de internationale functies van de Duitse arbeidersklasse — geen woord! En dat is alles wat haar wordt aangeboden om het hoofd te bieden aan de eigen bourgeoisie, die zich reeds broederlijk tegen haar heeft verenigd met de bourgeoisie van alle andere landen, en aan de internationale samenzweerderpolitiek van de heer Bismarck!

Waarachtig, het internationalisme van het programma staat nog vele malen lager dan het internationalisme van de partij voor vrijhandel. Ook deze beweert dat haar strevingen zullen resulteren in de “internationale broederschap der volkeren”. Maar zij doet er ook wat aan om de handel internationaal te maken en stelt zich zeker niet tevreden met de wetenschap dat alle volkeren in eigen land handel drijven.

De internationale activiteiten van de arbeidersklasse in verschillende landen zijn in geen enkel opzicht afhankelijk van het bestaan van de Internationale Arbeidersassociatie. Deze was slechts een eerste poging om voor deze activiteiten een centraal orgaan te creëren, een poging die dankzij de meegekregen stimulans onuitwisbare sporen heeft achtergelaten, maar die in zijn eerste historische vorm na de val van de Parijse Commune niet verder kon worden aangehouden.

De bismarckiaanse 'Norddeutsche' had het volste recht om tot genoegen van haar heer te verkondigen, dat de Duitse arbeiderspartij in haar nieuwe programma afstand heeft genomen van het internationalisme.

II


“Uitgaande van deze principes, ijvert de Duitse arbeiderspartij met alle gewettigde middelen voor een vrije staat — plus — een socialistische maatschappij: ontlediging van het loonsysteem samen met zijn ijzeren wet — plus — van de exploitatie in al zijn vormen; voor het wegnemen van alle sociale en politieke ongelijkheid.”

Op de “vrije” staat kom ik verderop terug.

Dus: de Duitse arbeiderspartij moet bij voorbaat geloven in Lassalles “ijzeren wet”![5] Om deze een plaats in het programma te geven laat men een onzinnigheid toe door te spreken van “wegneming van het loonsysteem (beter: systeem van loonarbeid) samen met zijn ijzeren wet”. Indien ik deze loonarbeid wegneem, dan neem ik natuurlijk ook de wetten ervan weg, of ze nu van “ijzer” zijn of zo week als een spons. Maar Lassalles strijd tegen de loonarbeid draait bijna uitsluitend om deze zogenaamde wet. Derhalve moet, om te bewijzen, dat de lassalleaanse sekte heeft gezegevierd, het “loonsysteem” worden vernietigd “samen met zijn ijzeren wet”, dus niet los ervan.

Zoals bekend is Lassalles aandeel in de “ijzeren loonwet” niets meer dan het woord “ijzeren” dat hij ontleend heeft aan Goethes “eeuwige, ijzeren, grote wetten”. Het woord “ijzeren” is het vignet waaraan de rechtgelovigen elkaar herkennen. Maar als ik de wet met dit lassalleaanse merkteken aanvaard en daarmee dus ook zijn lassalleaanse betekenis, dan ben ik gedwongen tevens de lassalleaanse theoretische fundering ervan aan te nemen. Wat houdt deze in? Lange wees er reeds kort na de dood van Lassalle op dat het de (door Lange zelf gepredikte) malthusiaanse leer der populatie [6] is. Maar als deze theorie juist is, dan kan ik de “ijzeren wet” op geen enkele manier wegnemen, al neem ik honderdmaal de loonarbeid weg, omdat in dat geval deze wet niet alleen het systeem van loonarbeid bestiert, maar elk maatschappelijk systeem. Met nu juist deze theorie als uitgangspunt trachten de economen al meer dan vijftig jaar aan te tonen dat het socialisme de armoede, die door de natuur zelf is geconditioneerd, niet kan wegnemen, doch slechts universeel kan maken door deze gelijkmatig te verdelen over de maatschappij als geheel!

Maar het belangrijkste deel komt nog. Volkomen onafhankelijk van Lassalles onjuiste opvatting van deze wet, berust de waarlijk verontrustende stap in het volgende.

Sinds Lassalles dood vestigde zich binnen onze partij de wetenschappelijke benadering van het feit dat loon niet is wat het lijkt te zijn, niet de waarde — of de prijs — van arbeid, doch slechts een verhulde vorm van de waarde — of de prijs — van arbeidskracht. Hiermede werd voor eens en voor altijd zowel de burgerlijke opvatting van loon weerlegd, alsook alle kritiek die tot dan toe tegen die opvatting was ingebracht, en werd zonneklaar vastgesteld, dat een loonarbeider toestemming krijgt te werken voor zijn eigen bestaan, oftewel, dat men hem alleen laat leven voor zover hij voor een zekere duur kosteloos de kapitalist spekt (en daarmee ook degenen die samen met hem de meerwaarde verteren); dat de as waarom het hele systeem van de kapitalistische productie draait, het streven is om deze gratis arbeid te vermeerderen door het verlengen van de arbeid of door het productief effect van de arbeid te verhogen, respectievelijk — door meer inspanning te vergen enz.; dat, bijgevolg het systeem van loonarbeid een systeem van slavernij is, die des te zwaarder drukt, naarmate de gemeenschappelijke arbeidskrachten zich ontwikkelen, los van het feit, of de arbeider beter of slechter voor zijn werk wordt betaald. Maar zie eens, nadat deze opvatting steeds meer en meer gangbaar wordt in deze partij, keert men terug naar Lassalles dogma's, hoewel men nu toch wel zou moeten weten, dat Lassalle niet begreep wat loon was en evenals de burgerlijke economen de uiterlijke schijn voor de kern van de zaak hield.

Dit is hetzelfde als wanneer de slaven uiteindelijk het geheim van hun slavernij zouden ontdekken en in opstand kwamen, doch één van hen, nog geheel in de greep van de verouderde voorstellingen, in het programma van de opstand zou schrijven: de slavernij moet worden geliquideerd omdat onder het systeem van slavernij de levensmiddelenvoorziening van de slaven niet kan uitstijgen boven een zeker, zeer laag minimum!

Alleen al het feit dat de vertegenwoordigers van onze partij in staat waren om zo'n monsterlijke aanslag te plegen op een onder de partijgetrouwe massa's verbreide opvatting, — toont alleen dit al niet aan, met welk een misdadige lichtzinnigheid zij het opstellen van een programma vol compromissen ter hand hebben genomen!

In plaats van de vage slotfrase aan het eind van de paragraaf: “het wegnemen van alle sociale en politieke ongelijkheid”, zou er moeten staan, dat de liquidatie van de klassenverschillen de automatische verdwijning inhoudt van alle eruit voortvloeiende sociale en politieke ongelijkheid.

III


“Om de weg te banen naar de oplossing van het sociale vraagstuk eist de Duitse arbeiderspartij de instelling van productiegenootschappen met staatshulp onder democratische controle van het arbeidende volk. De productiegenootschappen in zowel de industrie als in de landbouw moeten in het leven worden geroepen in een dergelijke omvang, dat zij de bakermat vormen voor de socialistische organisatie van de gezamenlijke arbeid."

In het spoor van Lassalles “ijzeren loonwet” — het heelmiddel van dezelfde profeet. De “wet” wordt op een voor hem waardige wijze “gebaand”. In plaats van de bestaande klassenstrijd vinden we een frase van stukjesschrijvers over “het sociale vraagstuk”, naar de “oplossing” waarvan een “weg gebaand” wordt. In plaats van het proces van revolutionaire herstructurering van de maatschappij vindt de “socialistische organisatie van de gezamenlijke arbeid” zijn “bakermat” in de “staatshulp” aan productiegenootschappen, die “in het leven worden geroepen” door de staat en niet door de arbeiders. Dit past volkomen bij Lassalles fantasie, alsof het met staatssubsidie mogelijk is net zo makkelijk een nieuwe samenleving te bouwen als een nieuwe spoorlijn!

Uit resterende schroom stellen ze de “staatshulp” onder de democratische controle van het “arbeidende volk”.

Ten eerste bestaat het “arbeidende volk” in Duitsland voor het merendeel uit boeren en niet uit proletariërs.

Ten tweede betekent het woord “democratisch” in het Duits vertaald “volksmachtig”. Wat is dan een “volksmachtige controle door het arbeidende volk” voor iets? En dan nog bij een arbeidend volk dat, door dergelijke eisen aan de regering te stellen, volledig toegeeft dat het geen macht in handen heeft en er niet rijp voor is!

Onnodig hier het recept te gaan bekritiseren, dat Buchez [7] onder Louis-Philippe [8] uitschreef als tegenwicht tegen de Franse socialisten en dat werd aangenomen door de reactionaire arbeiders uit het “Atelier”. En het ergste zit hem niet hierin dat men dit specifieke wondermiddel in het programma heeft gezet, maar dat men in het algemeen terugvalt van het standpunt van de arbeidersbeweging naar het standpunt van de sektarische beweging.

Wanneer de arbeiders ernaar streven voorwaarden te scheppen voor collectieve productie op universeel-maatschappelijk niveau en allereerst op nationaal niveau, betekent dit slechts dat zij strijden voor een omwenteling binnen de productievoorwaarden van het nu en heeft het niets gemeen met de instelling van coöperatieve genootschappen met hulp van de staat. Wat nu de huidige coöperatieve genootschappen betreft, zijn deze slechts van waarde voor zover ze onafhankelijk door de arbeiders zelf zijn opgericht en geen bescherming genieten van regering of bourgeoisie.

IV


Ik ga nu verder met het democratisch gedeelte:

A. “Een staat op vrije grondslag”.

Het eerste waar volgens het 2de gedeelte de Duitse arbeiderspartij voor ijvert is een “vrije staat”.

Een vrije staat — wat is dat voor iets?

De staat vrij maken, is zeker niet het doel van de arbeiders die de kortzichtige denkwijze van de ware onderdaan hebben afgeworpen. In het Duitse keizerrijk is de “staat” even vrij als in Rusland. De vrijheid berust hierin dat de staat, als orgaan dat boven de maatschappij staat, tot een orgaan wordt gemaakt dat in zijn geheel aan deze maatschappij is ondergeschikt; en ook thans wordt de grotere of kleinere vrijheid van de staatsvormen bepaald door de mate waarin zij de “vrijheid van de staat” begrenzen.

De Duitse arbeiderspartij zal — als zij tenminste dit programma aanneemt — ontdekken, hoe weinig zij is doordrongen van de socialistische ideeën; in plaats van de bestaande maatschappij (en dit geldt even goed voor elke toekomstige maatschappij) te zien als de “grondslag” van de bestaande staat (of de toekomstige maatschappij als de grondslag van de toekomstige staat), beschouwt zij de staat juist als een zekere zelfstandige entiteit met eigen “geestelijke, zedelijke en vrije grondslagen”.

En daarbij nog een bot misbruik in het programma van de woorden “vrije staat” en “hedendaagse maatschappij” en tevens een nog botter onbegrip van de staat welke zij de eisen voorlegt!

De “hedendaagse maatschappij” is de kapitalistische maatschappij zoals die voorkomt in alle geciviliseerde landen, meer of minder vrij van middeleeuwse invloeden, meer of minder gemodificeerd door de specifieke historische ontwikkeling van elk land, meer of minder ontwikkeld. Daarentegen wisselt de “hedendaagse staat” met elke landsgrens. In het Pruisisch-Duitse keizerrijk is deze geheel anders dan in Zwitserland, in Engeland geheel anders dan in de Verenigde Staten. De “hedendaagse staat” is dus een fictie.

Toch hebben, ondanks de bonte verscheidenheid aan vormen, de verschillende staten van de verschillende geciviliseerde landen onderling dit gemeen, dat ze gevoed worden door de huidige burgerlijke maatschappijen die meer of minder kapitalistisch ontwikkeld zijn. Ze hebben daardoor enige wezenlijke kenmerken gemeen. In die zin kan men spreken van een “hedendaags staatsbestel”, dat tegenover het toekomstige staat, als zijn huidige wortel, de burgerlijke maatschappij afgestorven zal zijn.

Rijst de vraag: wat voor verandering ondergaat het staatsbestel in de communistische maatschappij? Met andere woorden: welke maatschappelijke functies blijven dan bewaard die analoog zijn aan de huidige staatsfuncties? Op deze vraag kan alleen de wetenschap het antwoord geven; en al combineert men duizenden malen het woord “volk” met het woord “staat”, het zal de oplossing geen haar dichterbij brengen.

Tussen de kapitalistische en de communistische maatschappij ligt een periode van revolutionaire verandering van de eerste in de laatste.

Met deze periode correspondeert ook een politieke overgangsperiode en de staat kan in deze periode geen andere vorm hebben dan die van een revolutionaire dictatuur van het proletariaat.

Maar het programma behelst noch dit laatste, noch het toekomstige staatsbestel van de communistische maatschappij.

De politieke eisen ervan bevatten niets dan het alombekende oude liedje van de democraten over algemeen kiesrecht, directe wetgeving, volksrecht, mobilisatie van het volk en dergelijke. Het is de versimpelde weerklank van de burgerlijke Volkspartij, de Liga voor Vrede en Vrijheid. Het zijn allemaal eisen die, voor zover ze niet overgaan in fantastische voorstellingen, reeds gerealiseerd zijn. Alleen ligt de staat die ze gerealiseerd heeft niet binnen de grenzen van het Duitse keizerrijk, doch in Zwitserland, de Verenigde Staten enzovoorts. Eenzelfde soort “staat van de toekomst” is de hedendaagse staat, al bestaat deze buiten het “kader” van het Duitse keizerrijk.

Eén ding hebben ze echter over het hoofd gezien. Omdat de Duitse arbeiderspartij met zoveel woorden verklaart dat zij ageert binnen de grenzen van de “hedendaagse nationale staat”, oftewel hun eigen staat, het Pruisisch-Duitse keizerrijk — en anders zouden haar eisen voor het merendeel zinloos zijn, omdat men alleen eist wat men niet heeft — zou zij het allerbelangrijkste niet moeten vergeten, namelijk dat al deze schone zaken berusten in de erkenning van de zogenaamde soevereiniteit van het volk en daarom alleen in een democratische republiek passen.

Ontbrak het ten enenmale aan moed om een democratische republiek te eisen, zoals de Franse arbeidersprogramma's dat deden onder Louis-Philippe en Louis-Napoléon, — en men deed er verstandig aan, want de omstandigheden vragen om voorzichtigheid, — dan had het geen zin zijn toevlucht te nemen tot deze list, die noch “eerlijk” noch waardig is, — dingen, die slechts in een democratische staat inhoud hebben, te eisen van een dergelijke staat die niets anders voorstelt dan een in parlementaire vormen ingebed, van feodale elementen doorspekt en tegelijkertijd reeds onder burgerlijke invloed staand, bureaucratisch doortimmerd, door politie beschermd militair despotisme. En bovendien nog zo'n staat in plechtige bewoordingen wijsmaken, dat men dat soort zaken van hem denkt los te krijgen “met gewettigde middelen”!

Zelfs de vulgaire democratie, die in de democratische republiek de verwezenlijking van het Rijk Gods op aarde ziet en niet het flauwste vermoeden heeft dat juist in deze laatste staatsvorm van de burgerlijke maatschappij de klassenstrijd uiteindelijk met de wapens moet worden beslecht, — zelfs deze staat is nog steeds oneindig hoger dan dit soort democratisme dat zich ophoudt binnen de grenzen van het door de politie toegestane en van het logisch ontoelaatbare.

Dat men onder “staat” wel degelijk de regeringsmachine verstaat ofwel een staat voor zover deze ten behoeve van de arbeidsverdeling zijn eigen, van de maatschappij geïsoleerd organisme vormt, wordt reeds voldoende aangeduid door de woorden: “de Duitse arbeiderspartij eist als economische grondslag van de staat: een éénvormige progressieve inkomstenbelasting” enzovoorts. De belastingen zijn de economische basis van de regeringsmachine en verder niets. In de reeds bestaande Zwitserse “staat van de toekomst” is deze eis bijna geheel nagekomen. De inkomstenbelasting veronderstelt verschillende maatschappelijke klassen, veronderstelt dus een kapitalistische maatschappij. Daarom is het helemaal niet verwonderlijk, dat de Liverpoolse voorvechters voor financiële hervormingen — bourgeois met aan het hoofd Gladstones broer — met dezelfde eisen voor de dag komen als onderhavig programma.

B. “Als geestelijke en zedelijke grondslag voor de staat eist de Duitse arbeiderspartij:
1. Algemene en voor iedereen gelijke opvoeding van staatswege. Verplicht schoolbezoek. Kosteloos onderwijs”.

Een voor iedereen gelijke opvoeding? Wat bedoelen ze met deze woorden? Denken ze soms dat in de huidige maatschappij (en alleen hiervan is sprake) de opvoeding van alle klassen gelijk kan zijn? Of eisen ze dat de hogere klassen dwangmatig moeten afdalen naar het bescheiden opvoedingsniveau van de volksschool, dat als enige bij de economische positie past van niet alleen de arbeiders, maar ook van de boeren?

“Verplicht schoolbezoek. Kosteloos onderwijs.” Het eerste bestaat zelfs in Duitsland, het tweede in Zwitserland en de Verenigde Staten op volksschoolniveau. Indien in sommige staten van Noord-Amerika het onderwijs op de middelbare scholen eveneens “kosteloos” is, dan betekent dit alleen dat de hogere klassen de kosten voor hun onderwijs dekken met gemeenschappelijke belastinggelden. Merken we terloops op dat hetzelfde geldt voor de “kosteloze rechtspraak” die wordt geëist in punt 5 van deel A. Het strafrecht is overal kosteloos. De civiele justitie houdt zich bijna uitsluitend bezig met eigendomsgeschillen en betreft dus bijna uitsluitend de bezittende klassen. Wat dan te denken van het voorstel om hun processen te laten voeren op kosten van de gemeenschap?

De paragraaf die de scholen aangaat zou op zijn minst technische scholen moeten noemen (theoretische en praktische) in combinatie met de volksschool.

De “volksopvoeding op staatskosten” slaat nergens op. Het algemeen wettelijk vastleggen van de uitgaven voor volksscholen, de kwalificatie van het onderwijspersoneel, de onderwijsdiscipline e.d. en het controleren door arbeidsinspecteurs, zoals dat gedaan wordt in de Verenigde Staten, of deze wettelijke voorschriften worden nageleefd, dat is iets heel anders dan de staat tot opvoeder van het volk maken! Integendeel, de staat en in gelijke mate de kerk moeten verre gehouden worden van enige invloed op de school. In het Pruisisch-Duitse keizerrijk (en hier helpt geen loze uitvlucht door op “de staat van de toekomst” te wijzen, (we hebben gezien hoe de zaken er in dit opzicht voorstaan) heeft de staat juist een zeer strenge opvoeding van de kant van het volk nodig.

Doch het hele programma is, ondanks al het democratisch gezwets, door en door besmet met het loyale geloof van de lassalleaanse sekte in de staat, of, wat geen haar beter is, het geloof in democratische wonderen, of liever nog: het is een compromis tussen deze twee soorten geloof in wonderen die allebei even vreemd zijn aan het socialisme.

“Vrijheid van wetenschap” — zo luidt één van de paragrafen van de Pruisische constitutie. Wat moet deze hier?

“Vrijheid van geweten”! Indien ze nu, tijdens de “Kulturkampf”, de liberalen aan hun oude leuzen wilden herinneren, dan kon dat alleen in deze vorm gebeuren: Eénieder moet de gelegenheid hebben om aan zijn religieuze en evenzo zijn lichamelijke behoeften te voldoen zonder dat de politie er zijn neus insteekt. Doch de arbeiderspartij had van de gelegenheid gebruik moeten maken om haar overtuiging naar voor te brengen dat de burgerlijke “gewetensvrijheid” niets méér inhoudt dan het dulden van alle mogelijke vormen van religieuze gewetensvrijheid en dat de arbeiderspartij er juist naar streeft het geweten te bevrijden van religieuze bedwelming. Doch bij ons wenst men op het burgerlijke niveau te blijven.

Ik ben nu bijna aan het einde, omdat de volgende toevoeging aan het programma er geen wezenlijk onderdeel van is. Laat ik mij daarom beperken tot korte opmerkingen.

2. “Een normale werkdag”

In geen enkel ander land liet de arbeiderspartij het bij zo'n vage eis, maar gaf ze altijd precies aan welke duur van de werkdag onder gegeven omstandigheden als normaal worden beschouwd.

3. “Beperking van vrouwenarbeid en verbod op kinderarbeid”.

De normering van de werkdag behoort de beperking van vrouwenarbeid al in te sluiten, voor zover het de duur van de werkdag, de lengte van de pauzes e.d. aangaat; hiernaast kan deze alleen vrouwenarbeid verbieden in die takken van productie die bijzonder schadelijk zijn voor het vrouwelijk organisme en die voor vrouwen zedelijke problemen opleveren. Indien ze juist dit bedoelden, dan hadden ze het ook moeten zeggen.

“Verbod op kinderarbeid”! Absoluut noodzakelijk is hier het aangeven van een leeftijdsgrens.

Een algeheel verbod op kinderarbeid gaat niet samen met de ontwikkeling der zware industrie en is daardoor een loos verlangen van een nobel hart.

Het doorvoeren van deze maatregel — als dat mogelijk zou zijn, — zou reactionair zijn, omdat bij een strenge regulering van de arbeidstijd overeenkomstig de verschillende leeftijden en bij verder preventieve maatregelen ter bescherming van kinderen de vroege verbintenis tussen productieve arbeid en onderwijs één van de krachtigste middelen voor de herstructurering van de huidige maatschappij vormt.

4. “Staatstoezicht op industrie in fabrieken, werkplaatsen en in huiselijk verband.”

Met het oog op de Pruisisch-Duitse staat zou met zoveel woorden moeten worden geëist, dat de fabrieksinspecteurs uitsluitend langs gerechtelijke weg worden vervangen; dat elke arbeider hen voor de rechter kan roepen voor een overtreding op hun ambtelijke plichten; dat de functie van inspecteur alleen door personen met een medische opleiding kan worden bezet.

5. “Regulering van gevangenenarbeid.”

Een kleinigheid in het hele arbeidersprogramma. In elk geval had duidelijk moeten worden gezegd dat de arbeiders uit angst voor concurrentie helemaal niet willen dat criminelen worden behandeld als vee en in het bijzonder dat hun enige middel tot verbetering werd ontnomen: productieve arbeid. Dit is toch wel het minimum dat men van socialisten mag verwachten.

6. “Een actieve wet over verantwoordelijkheid.”

Er had moeten worden gezegd wat wordt verstaan onder een “actieve” wet over verantwoordelijkheid.

Overigens wil ik opmerken dat men in de paragraaf over de normale arbeidsdag dat deel van de fabriekswetgeving is vergeten dat gaat over sanitair-hygiënische maatregelen en preventieve regelingen tegen ongevallen en dergelijke. De verantwoordelijkheidswet wordt pas actief wanneer deze voorschriften worden overtreden.

Kortom, ook deze toevoeging munt uit door net zo'n slordige redactie.

Dixi et salvavi animam meam (“Ik heb gesproken en mijn ziel gered”).


VOETNOTEN

[1] Bracke, Wilhelm (1842-1880). Duits socialist, uitgever en boekhandelaar, aanhanger van Marx, steunde Marx en Engels in hun strijd tegen opportunistische en reformistische tendensen in de Duitse arbeidersbeweging.

[2] Liebknecht, Wilhelm (1826-1900). Duits socialistisch leider, samen met Bebel in 1869 oprichter van de Sociaal-Democratische Duitse Arbeiderspartij, de “Eisenachers”. Nam in 1848-1849 deel aan de gewapende opstanden in Baden, emigreerde na hun onderdrukking naar Zwitserland, doch werd daar reeds in 1850 uitgewezen. Aanvankelijk leunde Liebknecht aan bij het ADA van Lassalle, maar keerde deze de rug toe omwille van diens pro-Pruisische houding. In 1867 werd hij verkozen in de Rijksdag van de Noord-Duitse Bond en twee jaar later stond hij op het congres van Eisenach aan de wieg van de eerste nationale marxistisch geïnspireerde arbeiderspartij. Zetelde van 1874 tot aan zijn overlijden in de Duitse Rijksdag.

[3] Bakoenin, Michael Aleksandrovitsj.(1814-1876) Russische edelman. Grondlegger van het anarchisme in zijn links-sektarische verschijningsvorm. Onderging in de jaren 1840 sterk de invloed van Hegel, Feuerbach en Marx. Leider van de barricadeopstand van 1849 te Dresden. Werd na de nederlaag van de revolutie door Saksen uitgeleverd aan Oostenrijk en door Oostenrijk aan Rusland. Na een verblijf van verschillende jaren in Russische gevangenissen werd hij in 1857 verbannen naar Siberië, van waar hij in 1861 ontsnapte. Parallel met oprichting van de Internationale in 1864, stichtte Bakoenin het geheime genootschap de 'Internationale Alliantie der Socialistische Krachten', die van bij het begin vijandig stond tegenover het leiderschap van Marx en Engels in de Internationale. Bakoenin vertrouwde niet op de gedisciplineerde strijdvormen van de loonarbeiders, doch leunde voornamelijk op enerzijds het lompenproletariaat, anderzijds op de door de concurrentie met de grootnijverheid geradicaliseerde kleine burgerij. Zijn afwijzing van de politieke strijd en zijn steun aan groeperingen die gebruik maakten van individueel terrorisme, bracht hem in onverzoenlijke tegenstelling tot de politiek van Marx. Liever dan de Internationale het instrument te laten worden in de handen van de Bakoenistische avonturiers, slaagden Marx en Engels erin om in 1872, op het congres van Den Haag het secretariaat van de Internationale over te plaatsen naar New York. Wat in feite neerkwam op de stopzetting van de politieke activiteiten der Internationale.

[4] Marat, Jean-Paul.(1743-1793). Belangrijk politicus en journalist uit de tijd van de Grote Franse Revolutie. Gaf tussen 1789-1792 het radicale blad L'Ami du Peuple uit en stuurde aan op de radicalisering van de Revolutie in plebejische zin. Werd in 1793 voorzitter van de Club der Jakobijnen en greep een door de rechterzijde tegen hem ingespannen rechtszaak (die hij won) aan om zijn aanklagers zelf op het schavot te jagen. Zijn overwinning was van korte duur. Iets meer dan een maand na zijn overwinning, op 13 juli 1793, werd hij door Charlotte Corday in zijn schoenvormig bad neergestoken. Marx verwijst naar Marat om Lassalle te honen voor zijn meer goedkoop populistische dan consequent socialistische houding.

[5] Volgens de ijzeren loonwet van Lassalle zou de arbeider gemiddeld slechts het minimum aan loon ontvangen omdat er steeds een overschot aan arbeiders zou zijn ten opzichte van de vraag van de kapitalisten naar arbeid. Marx toonde in Het Kapitaal juist aan dat de wetten volgens welke de loonvorming plaatsvindt juist heel ingewikkeld zijn en dat er heel goed omstandigheden mogelijk zijn waaronder de arbeider meer ontvangt dan het voor zijn dierlijk voortbestaan en voortplanting noodzakelijke minimum. In het 23ste hoofdstuk toont Marx aan hoe de levensstandaard van de arbeiders ook volgens de marktwetten kan stijgen wanneer bij een ongewijzigde samenstelling van het kapitaal (= verhouding tussen kapitaal besloten in productiemiddelen en kapitaal besloten in lonen voor de arbeiders) de vraag naar arbeid toeneemt. (Zie Het Kapitaal, dl.I, hfst.23,I, Lipschitsvertaling, p.473 e.v.)

[6] Malthusiaanse bevolkingswet. Genoemd naar Thomas Robert Malthus (1766-1834), hoewel zijn auteurschap m.b.t. de beruchte bevolkingswet gerelativeerd moet worden met de bedenking dat deze reeds twintig jaar eerder te boek was gesteld door economen als Townsend e.d. In zijn Essay on the Principle of Population uit 1798 verdedigt Malthus de opvatting dat het een hersenschim is dat armoede en ellende ooit zullen worden overwonnen. Volgens Malthus zal de bevolking steeds de neiging vertonen sneller aan te groeien dan de voorhanden hulpbronnen tot levensonderhoud, met periodieke catastrofes en eeuwigdurende armoede tot gevolg. Hoewel hij voornamelijk een partijganger was van het aan de liberale bourgeoisie vijandig gezinde verburgerlijkte grootgrondbezit (de grondrenteniers) en zijn leer goed uitkwam om de nijpende situatie goed te praten die de importbeperkingen op graan (de Corn Laws) teweegbrachten, werd zijn leer algauw geadopteerd door de industriële bourgeoisie. Ook zij zochten namelijk naar een “natuurwetenschappelijke” verklaring en dus rechtvaardiging voor de armoede van de werkende klassen.

[7] Buchez, Philippe-Joseph-Benjamin.(1796-1865) Frans christelijk geïnspireerd gematigd utopisch socialist. Aanvankelijk aanhanger van het St.Simonisme, dat hij echter verliet wegens zijn pantheïsme. In 1840 oprichter van het tot de arbeiders gerichte blad L'Atelier, waarin hij een op coöperatieven gebaseerd vreedzaam christelijk socialisme predikte.

[8] Louis Philippe van Orléans (1773-1850). Zoon van de aartsopportunistische liberale “Philippe Egalité”, die ondanks zijn lippendienst aan de Jakobijnse Conventie in 1793, toch bij de kraag werd gevat en terechtgesteld wegens samenzwering tegen de republiek. Na de julirevolutie van 1830 besteeg Louis-Philippe de troon van Frankrijk. Als “burger-koning” bestuurde hij het land in naam van de groot-financiërs en de rijkste kapitalisten, niet alleen een kleine minderheid van de bevolking, maar zelfs een minderheid van de bourgeoisie. Werd afgezet door de februarirevolutie van 1848, ging in ballingschap naar Engeland, waar hij in 1850 overleed.