Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Doodverklaard

Het zigeunerleven dat ik sinds maart met zeer korte onderbrekingen had geleid, samen met alle meegemaakte opwinding, had mijn gezondheid verzwakt. Onmiddellijk na het proces in Zwickau stortte ik in met hevige buikpijn, waardoor ik gedwongen was het bed te houden en me onder doktersbehandeling te stellen. Zodra mijn vrouw dit vernam haastte ze zich naar de gouverneur van het district en vroeg of ik aan haar zorg in Leipzig kon worden overgedragen. Het verzoek werd ingewilligd. De politiearts die onmiddellijk naar mijn huis werd gestuurd, bevestigde niet alleen dat ik ziek was, maar zorgde er ook voor dat mijn verlof om in Leipzig te blijven met een week werd verlengd. Ik verhuisde toen naar Borsdorf en ontdekte daar een huis dat ook Liebknecht in staat stelde om zijn krappe woning te verlaten en grotere kamers te betrekken. Vanaf dat moment woonden we op dezelfde verdieping, hij had drie kamers en ik twee.

Het nieuws van mijn ziekte had ook de buitenlandse pers bereikt. Op een dag was ik niet weinig verbaasd toen mijn vrouw op een ongebruikelijk tijdstip naar Borsdorf kwam en, toen ze me zag, losbarstte met de woorden: “Wat een geluk, je leeft nog!” Op mijn verbaasde vraag hoe ze daar toe kwam, antwoordde ze dat ze ’s morgens vroeg twee berichten had ontvangen. Een van de Duitse vereniging in Parijs, die haar condoleerde met mijn dood, de andere uit Londen, die voorzichtig informeerde of het nieuws van mijn dood waar was. Ook de politie was ’s ochtends vroeg geweest om te informeren of er iemand was overleden. Ze geloofde blijkbaar dat ik in het geheim in Leipzig woonde. Het nieuws van mijn dood was ook naar de Verenigde Staten gestuurd en had onze partijkameraden in New York ertoe aangezet een begrafenisdienst te organiseren die door duizenden werd bijgewoond en waarbij Vahlteich de herdenkingstoespraak hield. Ik was erg geamuseerd door deze gebeurtenis, maar Vahlteich, toen hij de waarheid vernam, was erg boos en verweet me dat ik hen niet had verteld dat ik nog leefde. Ik antwoordde dat ik niet kon weten dat ze het nieuws hadden ontvangen en het geloofden.

Het overlijdensbericht werd gevolgd door een groot aantal necrologieën, vooral in de Franse pers, waarvan sommige me leerden hoe geschiedenis soms wordt gemaakt. In de Phare de Loire stond bv. een lange necrologie waarin de auteur vertelde dat hij me had ontmoet bij de lunch in Livorno. Dat we toen samen naar Florence en Rome waren gereisd en vandaar naar Caprera, het geiteneiland dat beroemd is geworden door Garibaldi’s verblijf, om dit te bezoeken. Het hele verhaal klopte niet. Ik had op dat moment nog nooit een voet op Italiaanse bodem gezet. Was de verteller in de war gebracht door iemand die zich voordeed als mij? Dat zou kunnen. Zo kreeg ik op een dag in de jaren negentig een bezoekerslijst van het eiland Borkum toegestuurd, waarin ik vermeld stond als gast van een bepaald hotel. Ik was daar nooit.

Engels schreef me hierover op 23 september:

Beste Bebel!
We zijn goed geschrokken van jou. Acht dagen geleden, vrijdagavond om 10 uur, kwamen twee mensen van de vereniging mij vragen of het waar was wat er al in twee nummers (met een necrologie) in Citoyen stond, dat je was overleden. Ik zei dat het hoogst onwaarschijnlijk was, maar kon niets definitiefs zeggen. Omdat ik een vervelende persoon bij me had, die niet weg wilde, hoewel ik geen woord sprak kon ik pas na 11 uur naar Tussy Marx lopen en haar toch nog spreken. Ze had de Bataille, ook met een necrologie – zonder enige verwijzing naar de bron van het nieuws, dat ongetwijfeld waar was. Er heerste dus algemene consternatie. Een groot ongeluk dat de Duitse partij kon overkomen, althans zeer waarschijnlijk. Het was maar al te begrijpelijk dat Engelse kranten niets brachten in deze Egyptische jubelstemming [Het Egyptische geloof had een sterke band met het idee van leven na de dood]. Nu komt mijn Sozialdemokrat zaterdagavond ook niet, en ik vraag me af wat er gaat gebeuren. Gelukkig ontdek ik op zondagochtend dat Tussy de hare heeft ontvangen en de inhoud ervan maakt het nieuws hoogst onwaarschijnlijk. Duitse kranten naslaan in cafés was hopeloos, want ze worden elke dag vernieuwd. En zo bleven we tergend in onzekerheid tot Justice maandagavond eindelijk met een officiële ontkenning kwam.

Marx dacht er net zo over. Hij was in Vevey aan het Meer van Genève en las het verhaal in het reactionaire Journal de Genève, dat het natuurlijk als onweerlegbaar meldde. Hij schreef me nog dezelfde dag in grote ontsteltenis. Zijn brief kwam diezelfde maandagavond aan en ik kon hem ’s ochtends vroeg per post het goede nieuws brengen dat het allemaal een leugen was. [De brief van Marx is gepubliceerd in de Marx-Engelschen Briefwechsel. Daarin staat over de dood van Bebel: “Het is verschrikkelijk, het grootste ongeluk voor onze partij! Hij was een uniek fenomeen binnen de Duitse (je zou kunnen zeggen, binnen de Europese) arbeidersklasse.” – D.H.]

Nee, ouwe jongen, je moet niet zo jong opkrassen. Je bent twintig jaar jonger dan ik, en nadat we samen vele vrolijke gevechten hebben geleverd, ben je verplicht om aan het stuur te blijven, zelfs als ik mijn laatste grimas trek. En omdat degenen van wie gezegd wordt dat ze dood zijn het langst leven, ben jij waarschijnlijk gedoemd tot een lang leven.

Ik antwoordde:

Nu ik gezien heb hoe waardig ik ben voor mijn vrienden en geestverwanten, ben ik verplicht om te leven en mijn plicht te doen ... Ondertussen heb ik een pact gesloten met Magere Hein voor nog eens veertig jaar; ik denk dat deze tijd genoeg is om niet alleen de ondergang van het oude mee te maken, maar ook een beetje van het nieuwe te genieten.

Er zijn tweeëndertig jaar verstreken sinds ik dit schreef, maar de laatste acht jaren zijn het moeilijkst, het lijkt er niet op dat ik het meemaak.