Geschreven: 1936
Bron: Vrouw en Maatschappij, Clara Wichmann. Uitg. Bijleveld Utrecht. 1936
Deze versie: Spelling
Transcriptie: Rick Denkers
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, mei 2006
De vrouw en de arbeid
De voorgeschiedenis van de bedrijfsarbeid van de Nederlandse vrouwen
Het vrouwenleven thans
Inleiding
Bevolkingsopbouw
Loonarbeid
Huishoudarbeid
Gezin en moederschap
Zedelijkheid en criminaliteit
Maatschappelijk werk
Vrouwenvraagstuk en vrouwenbeweging
De studie van de vrouw
De vrouw en de nieuwste politiek
Het vrouwenvraagstuk en zijn betrekkelijkheid
De vrouw en de vredesbeweging
De moraal in de maatschappij van de toekomst
De nummering start met 35 daar een voorwoord van Henriette Roland-Holst hier is geplaatst
Sedert de tijd dat de schrijver van het boek Genesis verhaalde, hoe de mensen bij de verdrijving uit het paradijs de vloek van de arbeid werd opgelegd is er veel geschreven en veel gesproken, soms vol wijsheid, soms vol banaliteit over de ‘zegen van de arbeid’. De zegen van de arbeid in zoverre men door te werken een leven buiten het eigen ik heeft, sterk wordt in het bewustzijn schakel in een grote keten te zijn, deel heeft aan de goederen van de mensheid; zegen óók, in zoverre de noodzaak van arbeid veel innerlijke zwakte helpt overwinnen.
Ondanks evenwel deze door bijna een iegelijk geproclameerde ‘zegen van de arbeid’ wordt de noodzakelijkheid om te werken nagenoeg steeds, thans evenzeer als in het oude Israël, als een vloek gevoeld en met onwil gedragen.
Want er zijn in de mens twee levensrichtingen de ene sterker in deze mens, de andere in genen, maar iets van beiden is in een ieder: die tot stilte en die tot actie.
Alle arbeid zowel harde lichamelijke, als huishoudelijke, als administratieve, als geestelijke, alle arbeid vereist concentratie, helderheid, scherpte. Immers arbeid bestaat steeds in het van bovenaf ordenen, regelen, omlijnen. Deze geestesgesteldheid nu is aanvankelijk en op zich zelf beschouwd, met droomleven en gevoelsleven dat immers voor alles opneemt en laat bezinken in strijd. Reden waarom dan ook vele mensen, bij wie het droomleven sterk ontwikkeld is, voor arbeid ongeschikt blijken, en omgekeerd.
In zoverre iedere arbeid leidt tot verstoring van iets wat tot zijn groei stilte behoeft, is hij vloek en wordt als vloek ondervonden.
De zegen echter van de arbeid is er uiteraard een die achteraf komt, die blijkt eerst na moeitevol overwinnen, keer op keer van de bijna alle mensen aangeboren neiging tot niet-werken. Een zegen, die het duidelijkst is daar waar het betreft een soort van arbeid, waarin een sterk persoonlijk element ligt, en waardoor een onmiddellijke persoonlijke krachtsuiting en wezensuiting mogelijk is; maar ook de ‘harde leerschool’ van de arbeid, die niets van dat alles heeft, kan tenslotte zegen blijken, indien hij geëindigd is met kracht en zekerheid en ernst en onafhankelijkheid te geven. En nog meer. Bij iedere arbeid, waarbij menselijk optreden, menselijk inzicht énige rol speelt (en de soorten van arbeid waarin dit in ‘t gehéél niet het geval is zijn weinige) zullen tenslotte stilte en actie, bezinking en helderheid, zij het ook dat zij als met elkander in conflict komend worden gevoeld, elkaar aanvullen en verrijken.
Iedere arbeid heeft zijn kant van zegen en zijn kant van vloek, en oneindig is de gradatie tussen beiden; er is arbeid, waarbij het accent gehéél valt op de kant van de zegen, èn er is arbeid, die niet anders meer is dan vloek. Bezinking en activiteit zijn nu eenmaal zowel aanvullend als tegenstrijdig; en in activiteit aIleen wordt niets noemenswaarde beleefd.
Ten aanzien van de vrouw komen er hier nog andere factoren in aanmerking.
In hetzelfde boek Genesis luidt de vloek voor man en vrouw verschillend. Aan de man wordt opgelegd: “Gij zult arbeiden in het zweet uwe aanschijns”; aan de vrouw: “Gij zult met smarten kinderen baren.”
Nu is echter de werkelijkheid van het leven deze geweest, dat door alle tijden heen de overgrote meerderheid van de vrouwen èn gearbeid, èn kinderen gebaard heeft. Waaruit dan, wil men de ‘vloek’ bij de verdrijving uit de paradijstoestand opvatten als symboliserende het echte mensenlot, zou kunnen worden afgeleid dat dit mensenlot op de vrouw in dubbele mate gerust heeft. En dit niet alleen in die zin, dat zij dubbele taak te vervullen had. Maar ook hierom, omdat juist in het vrouwenleven het conflict tussen de neiging tot stilte, de noodzakelijkheid van arbeid en tenslotte ook de neiging tot arbeid, dubbel schrijnend is.
Want vrouwelijk en moederlijk gevoelsleven behoeft rust, bezinking, innerlijk-voortleven. Terwijl dit uit zijn aard reeds ook zonder enigen van buiten komende dwang tot arbeid voortdurend doorbroken wordt, daar er wel geen arbeid is, die meer voortdurende helderheid en bewustheid eist, dan juist die van de huisvrouw en moeder.
Zo is het dan ook geheel eenzijdig, wanneer gezegd wordt, dat de aard van de vrouw aan activiteit, arbeid en onderscheidend denken vreemd is.
Maar in het schema, zoals zich dat de oude Hebreeër lacht, en zoals wij het ons in hoofdzaak nóg denken, is de vrouw bij uitstek moeder, de man bij uitstek arbeider.
De werkelijkheid echter is gecompliceerder dan haar schema; en zo vinden wij, van het begin van de menselijke geschiedenis af, de vrouw als arbeidster naast de man.
Evenwel: de aard en de mate van haar arbeid zijn anders dan die van de zijnen.
Allereerst is te bedenken, dat de aard en mate van vrouwenarbeid zelf wisselt met economische en geestelijke veranderingen.
In de tijd, waarin iedere verbruiksgemeenschap in hoofdzaak voor zichzelf al het nodige produceert, slechts zeer weinig van buiten ontvangt en slechts zeer weinig naar buiten verhandelt, staat de vrouw, als middelpunt van het consumerende gezin de toenmalige grootfamilie echter wel te onderscheiden van het tegenwoordige gezin, dat alleen uit ouders en kinderen bestaat! tevens in het centrum van de productie.
Het sterkst doet zich dit voor bij zuiver primitieve volkeren, waar bijna alle productieve arbeid, tot zelfs een gedeelte van de huttenbouw toe vrouwenarbeid is. In mindere mate geldt het nog voor de huisvrouw uit de latere tijden van hetzelfde ‘hauswirtschaftliche’ stadium waarin reeds de man meest met zijn slaven of horigen een groot deel van de arbeid buitenshuis heeft overgenomen. Maar zolang de productie in onmiddellijk verband staat tot de consumptie, blijft de invloed van de huisvrouw daarop groot.
Van die tijd af tot heden echter lopen twee parallelbewegingen: meer en meer differentiëren zich, vooral in verband met het ontstaan van de steden en de uitbreiding van het handelsverkeer, voortbrenging en verbruik; meer en meer wordt tevens in verband daarmee aan de huishouding haar productieve taak ontnomen. Behoorde eens het verbouwen van graan, het vervaardigen van ketels, matten en vaatwerk tot de huishouding, en eeuwen later nog het bakken, brouwen, spinnen en weven; langzamerhand zijn al die verrichtingen en vele, vele andere overgebracht naar de werkplaats van vaklieden, die niet meer voor eigen gebruik, maar voor vele anderen één bepaald soort van voorwerpen vervaardigen. Steeds kleiner werd zo het onmiddellijk productief gebied van de huisvrouw; steeds kleiner werd ook haar middellijk aandeel in de productie: haar invloed daarop in haar eigenschap van consumenten. Waar vroeger onder haar leiding in haar huis werd genaaid of meubelen werden gemaakt, daar heeft de uitbreiding van de steden, het verdwijnen van de patriarchale verhoudingen, hiervoor in de plaats doen treden een uitzoeken onder reeds op voorraad gemaakte artikelen.
Niet dat de ene fase de andere heeft afgelost zo, dat de vorige verdwenen zou zijn: want nog onder ons komt het in huis vervaardigen of doen vervaardigen voor; maar het is niet meer de voornaamste, zelfs niet meer een belangrijke vorm van productie.
Aldus is of alleen op grond van economische verschuivingen, dan wel in laatste instantie tengevolge van geestelijk ontwikkelingsproces, blijven hier in het midden de productieve taak van de huisvrouw meer en meer ineen geschrompeld.
Niet aldus de consumptieve, noch de culturele. Want dezelfde differentiatie, die haar ontnam het geheel in handen hebben van de opbouw van haar omgeving, bracht een veel groter ontplooiing van dat, wat zij in handen behield. De middeleeuwse huisinrichting was of een veel groter deel dan de tegenwoordige het eigen handwerk van de huisvrouw; maar in de huisinrichtingen van de tegenwoordige vrouwen ligt een oneindig groter verscheidenheid van persoonlijkheden. In de middeleeuwen lagen in bijna alle standen opvoeding en onderwijs van de meisjes gehéél in handen van de moeder. Toch hebben sjablonen en vreemdhoudend respect veel meer toen dan nu aan persoonlijk vertrouwelijke verhoudingen tussen moeder en dochter in de weg gestaan. Het is waar, dat de leer van het ‘natuurlijk beroep’ van de vrouw, dat met iedere andere arbeid min of meer in strijd zou zijn, de leer was van een bepaalde klasse en een bepaalde tijd; maar niet vergeten mag worden, dat die tijd en die klasse ook inderdaad een gedifferentieerder moederschap gekend hebben dan de andere.
Met dezelfde differentiatie, die productie en huishouding scheidde, ging samen het treden van de vrouw ook in de arbeid buiten de huishouding. Het nieuwe hierin was dus niet: dat de vrouw aan productieve arbeid deelnam; maar: dat de productieve arbeid vakarbeid was geworden, die zich losgemaakt had van de huishouding. De vrouw moest ook naar die arbeid buitenshuis grijpen, omdat juist met het ontstaan van de steden, met het overgaan van de vele generaties en verre verwanten omvattende grootfamilie in het kleine gezin, de arbeidsgelegenheid voor de vrouwelijke familieleden behalve de huisvrouw in de huishouding was verminderd; bovendien, omdat met het meer en meer ‘geldwirtschaftlich in plaats van ‘naturalwirtschaftlich gedreven worden van de huishouding deze meer geldinkomsten behoefde; maar ook, omdat de vakarbeid haar hier en daar, voor bepaalde werkzaamheden, nodig had. Want wat in de huishouding vrouwenarbeid geweest was, bleef het voor een gedeelte ook daarbuiten.
En in deze fase treedt in het bijzonder de ongehuwde vrouw in verband met het arbeidsvraagstuk naar voren. De primitieve vrouwenarbeid was de arbeid van de huisvrouw geweest; tevens waren op die trap ongehuwde vrouwen nog een zeldzaam verschijnsel. Maar in de tijden, dat de ongehuwde vrouwen een talrijke categorie gaan vormen, dezelfde tijd ongeveer, waarin zich de vakarbeid van de huishouding afsplitst, vragen die ongehuwde vrouwen, met de weduwen en noodlijdende gehuwde vrouwen, om toelating tot die arbeid daarbuiten.
De eerste tijd in de Germaanse geschiedenis, waarin er een sterk zoeken van de vrouwen naar arbeid buitenshuis was: de latere middeleeuwen was tegelijk een tijd van een buitengewoon groot vrouwen overschot. En ook de vrouwen arbeidsbeweging (niet: de vrouwenbeweging!) van de burgerlijke klassen van de 19e eeuw is allereerst een beweging van ongehuwde vrouwen geweest.
In de lange geschiedenis van de overgang van ‘Hauswirtschaft’ naar ‘Weltwirtschaft’, met de nasleep van doorgevoerde arbeidsverdeling en arbeidssplitsing zijn twee fasen, zo men wil twee crisissen, het belangrijkst. De eerste voltrekt zich met het ontstaan van de steden, met het langzaam zich oplossen van de oude vroonhoeven; de laatste met de opkomst van de grootindustrie. Beiden brachten verscherping van de arbeidsverdeling, en een overbrenging van vroegere huishoudarbeid naar de nijverheid daarbuiten. De crisis, ingeluid door het 18e en 19e eeuwse grootbedrijf, is niet dan een voortzetting van een proces, dat eeuwen en eeuwen geleden begonnen is.
En hiermee staan wij dan voor de lijdensgeschiedenis van de moderne vrouwenarbeid. De moderne: want ook de met arbeid overladen vrouw van de natuurvolken thans, en van de cultuurvolken in hun beginstadium, ook de slavin of horige ten tijde van de patriarchale ‘Hauswirtschaft’ hebben zeer zeker haar lijdensgeschiedenis gehad.
Maar deze is ons in hoofdzaak vreemd geworden. Want het essentiële van het tegenwoordige vrouwenarbeidsvraagstuk, bepaalt, dat is de scheiding van productie en consumptie.
Want hiermee is gegeven de verdieping van de kloof tussen moederschap en arbeid. Is bij de vrouw van de natuurvolken nijverheidsarbeid en moederzorg nog geheel ongescheiden, zijn beiden bij het kleinbedrijf gemiddeld nog verenigbaar, bij de geheel moderne vormen van arbeid, hetzij in de fabriek of kantoor, staan beiden als tegenstellingen tegenover elkander.
En nog meer. Terwijl nog in het kleinbedrijf de opleiding van het meisje tot vakarbeid vrijwel samenvalt met haar opvoeding tot huisvrouw, vallen voorlopig althans voor het moderne grootbedrijf ook deze beide geheel uit elkander.
Met de moderne economische ontwikkeling schijnt een lang proces voltooid: moederschap en economisch productieve arbeid zijn tegenstrijdig.
De vraag is nu, in welke richting onze tijd te sturen heeft.
Drie mogelijkheden zijn er in hoofdzaak. Die tot terugdringen van de vrouwen, althans van de gehuwde vrouwen, in het huisgezin; die tot omvorming van het gezin aldus, dat man en vrouw beiden economische arbeiders zouden zijn, en de vrouw economisch onafhankelijk van de man door eigen arbeid, terwijl de zorg voor haar huishouding en kinderen wederom de beroepsarbeid van andere vrouwen zou worden; en die, welke zoekt naar een wederzijdse aanpassing van moderne maatschappij èn oude vrouwenroeping, zo, dat (hetzij dan langs de weg van het halfdagstelsel of anderszins) moederschap en beroepsarbeid daar, waar die laatste nodig is, weer zonder rampzalige gevolgen verenigbaar zijn, terwijl de economische onafhankelijkheid van de vrouw van de man volgens deze richting veeleer verwacht wordt van een als beroep opvatten van de arbeid van de huisvrouw en moeder zelf, op grond waarvan deze recht zou hebben op een deel van het inkomen van haar echtgenoot. Beide laatste richtingen veronderstellen grote maatschappelijke veranderingen; de allerlaatst genoemde vooronderstelt, dat onze maatschappij meer een ‘vrouwenmaatschappij’ zij geworden, d.w.z. .een, waarin niet de vrouw moet trachten arbeid te vinden in de alleen voor mannen geëigende vormen, maar waarin het de bijzondere eisen van vrouwenarbeid en de bijzondere waarde van dat wat alléén vrouwenarbeid is, wordt rekening gehouden.
Zo is het vraagstuk van de arbeid van de gehuwde vrouw het directe gevolg van de huidige economische verhoudingen. En het is in zekere zin een centraal vraagstuk. Want al de kenmerken van vrouwenarbeid die de tegenwoordige ontwikkelingsgeschiedenis verder gebracht heeft, hangen hiermee samen.
We zeiden reeds, dat de vrouwenarbeid in aard en mate anders was dan de mannenarbeid. Nu is hierbij het volgende in het oog te houden.
Met de wisseling van de bedrijfsvormen is de vrouwenarbeid herhaalde malen zéér van aard veranderd, zó, dat somtijds tot ‘specifieke’ mannenarbeid werd wat eens ‘specifieke’ vrouwenarbeid was geweest, en omgekeerd.
Anders gezegd: zonder miskenning van de werkelijkheid kan niet eens-voor-al van ‘vrouwelijke’ en ‘onvrouwelijke’ werkzaamheden worden gesproken.
De verhouding van vrouwenarbeid tot mannenarbeid ligt elders. Niet het afgebakend zijn van bepaalde terreinen is hier het essentiële. Maar dit: dat in iedere bedrijfsvorm, in verband met de daarmee samenhangende cultuurfase, de plaats van de vrouw een zeer speciale is. Want het economische leven, zowel wat de behoeften van de consumptie als de mogelijkheden van de productie betreft, regelt zich in wisselwerking met de levensvormen van de tijd. Noch de economische verhoudingen noch de maatschappelijke en gezinsorganisatie zijn hier een van beiden primair. Zij ontstaan tezamen en beïnvloeden elkaar voortdurend, vervormen zich tezamen en worden tezamen door een volgende fase afgelost.
Aan de wortel van de arbeidsverdeling en cultuurverdeling tussen man en vrouw ligt het verschil tussen vaderschap en moederschap, waardoor bepaald is, dat steeds en te allen tijde beider aandeel in productie en consumptie van economische èn geestelijke goederen verscheiden zou zijn. De feitelijke èn innerlijke gebondenheid van de moeder aan haar kinderen, en de eigenschappen, die zich op die bodem moesten ontwikkelen, hebben hier een bijzondere hoogte, daar een bijzondere laagte van vrouwenarbeid doen ontstaan en er steeds een andere tint aan gegeven.
De verhouding tussen mannen- en vrouwenarbeid wisselt; maar er is steeds een verhouding tussen mannen en vrouwenarbeid; nooit zijn mannen en vrouwenarbeid ononderscheidenlijk aan elkander gelijk geweest.
En uiteraard heeft iedere tijd aan de gebruikelijke arbeidsverdeling van zijn fase het karakter van een norm gegeven, waarvan de overtreding zou betekenen een breken met de plaats van de vrouw, zoals die ‘behoorde te zijn’, d.w.z. gedurende die fase opgevat was.
Het eind van iedere economische fase heeft dan ook zijn ‘vrouwenbeweging’, d.w.z. een loswringen samengaande met meer of minder theoretische strijd al naar de aard van ras en tijdvak uit de bepaalde, tot norm verstarde vrouwenarbeidvormen uit het vroegere tijdvak.
Daarbij is er in iedere fase weer een groot onderscheid tussen de vrouwen van verschillende groepen: uiterlijke groepen, zoals kasten, standen, klassen; innerlijke groepen, zoals de esthetische, de godsdienstige, de wetenschappelijke. In ieder van die groepen behoort mannen- en vrouwenarbeid bijeen en onderscheidt zich van die van de andere groepen; maar in iedere groep weer is mannen en vrouwenarbeid verschillend.
Verschillende tijdvakken, en in ieder tijdvak verschillende groepen, en in die allen een telkens wisselende verhouding, van mannen en vrouwenarbeid: we staan hier
voor een duizendvoudige verscheidenheid van verhoudingen zo veelzijdig als de werkelijkheid zelf, waarin ze immers allen feitelijk beleefd zijn, en niet te omvatten voor de, tot abstractie gedoemde, bespiegeling, niet meer geheel in al zijn prestaties en al zijn conflicten na te voelen door de later gekomene, voor wie steeds het vroegere leven zo eenvoudig en probleemloos lijkt.
Het verschil in aard en mate tussen vrouwen en mannenarbeid openbaart zich enigszins anders in de eigenlijk economisch productieve dan in de geestesarbeid.
Was in de oertijd de vrouw in meerdere mate dan de man economisch producent, thans, tengevolge van de scheiding van productie en consumptie in verband met haar plaats in het gezin en met de speciaal voor mannen berekende arbeidsvormen daarbuiten, neemt zij in de economische productie in alle opzichten een lagere plaats in.
Niet alleen voor zover het aantal beroepsarbeid verrichtende vrouwen zoveel kleiner is dan dat van de mannen. In de hogere groepen van nijverheidsbedrijven komen vrouwen slechts weinig voor, in de lagere zijn zij talrijk. In de fabrieksindustrie zijn zij in verhouding tot de mannen niet in groot aantal aanwezig, in de huisindustrie wel. In de huisindustrie zelf overwegen de mannen in de hoger staande vakken, de vrouwen (en met name de gehuwde vrouwen en weduwen) in de lagere. In de landbouw verrichten de vrouwen meer het ongeregelde en eenvoudige werk. Overal zowel in landbouw als industrie als kantoorarbeid zijn zij overwegend te vinden in de lagere posities in het beroep, en zeer schaars in de hogere, leidende of controlerende betrekkingen.
In ieder bedrijf bijna is er arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen. Gedeeltelijk geschiedt die naar de capaciteiten van de gemiddelden man en de gemiddelde vrouw, zodat aan de mannen de meer kracht, aan de vrouwen de meer netheid en vlugheid vereisende werkzaamheden worden opgedragen. Veelal echter ook wordt eenvoudig het lagere, alléén routine, geen vakkennis vereisende werk, zoals sorteren, inpakken en dergelijke, door vrouwen verricht.
Terwijl de mannen van de grootindustrie, en tegenwoordig ook hier en daar reeds van de landbouw, door vakorganisatie eigen positie hebben verbeterd en daarenboven in de vakactie en het nieuw ontwaakte intellectueel leven van de arbeidersklasse een schadeloosstelling hebben gevonden voor het verlies van de gemoedelijkheid, die, zij het ook lang niet steeds, aan het kleinbedrijf en de patriarchale verhoudingen daarvan in meerdere mate eigen was, zijn de vrouwen merendeels niet georganiseerd en van het verenigingsleven verre gebleven.
Terwijl in de fabrieksindustrie de mannen hun leven lang lot het bedrijf blijven, bestaat de vrouwelijke bevolking van de fabrieken overwegend uit héél jonge meisjes, die daardoor meestal geen grote vakkennis, en zeker niet de hogere posities en het hoogste loon bereiken.
Veel minder dan jongens genieten meisjes enige behoorlijke vakopleiding.
Dat dit alles direct of indirect samenhangt met het feit, dat de overgrote meerderheid van de vrouwen bij huwelijk het beroep verlaat, en dat die gehuwde vrouwen, die in latere jaren voor de noodzaak van meeverdiener komen te staan, werk zoeken (en meestal ongekwalificeerd, geen vakkennis vereisend werk), dat in huis kan worden gedaan dus dat dit alles samenhangt met de plaats van de vrouw in het gezin, is duidelijk.
Ook het feit, dat het gemiddelde vrouwenloon lager is dan het gemiddelde mannenloon, hangt hiermee samen. Veelal is het een onmiddellijk gevolg ervan, dat de vrouw, in hetzelfde bedrijf als hij werkende, toch kwalitatief of kwantitatief minder werk verricht, of jonger is en nog niet aan het hoogste loon is toegekomen. Maar het verschil in loon is veelal groter dan het verschil in prestatie; en daarenboven bestaat het verschil in loon ook daar, waar gelijke arbeid verricht wordt. Hier ligt de oorzaak ervan in het feit, dat de looneis, die de gemiddelde man stelt om zijn arbeidskracht te leveren, bepaald wordt door de behoeften van een huisvader van zijn klasse; terwijl de looneis van de gemiddelde vrouw slechts strekt tot voorziening in eigen behoeften. Ook hier dus weer: de positie van de vrouw in de arbeid wordt bepaald door de huidige gezinsvorm, waarbij de gemiddelde huwende vrouw de beroepsarbeid neerlegt.
Het is in deze inleiding niet de plaats, na te gaan wèlk nadeel groter is: de lage plaats van de vrouw in de arbeid, met de fysiek en psychisch nadelige gevolgen van die, of een meerdere beroepsarbeid van de gehuwde vrouw, met al de bijzondere bezwaren die daaraan, althans in de huidige, op mannenarbeid en dus ononderbroken, geregelde arbeid ingestelde en berekende maatschappij, zijn verbonden. Ook niet, andere wegen ter verheffing van de vrouwenarbeid aan te wijzen en uit te werken. Hier kan slechts het probleem gesteld en omschreven worden.
Met de hedendaagse positie van de vrouw nu in de arbeid, èn met haar vrouw-zijn zelf, de zorg die zij als zwangere en kraamvrouw behoeft, en in het algemeen haar geringer weerstandsvermogen tegen staand werk en wellicht ook tegen sommige vergiften hangt samen haar grotere behoefte aan arbeidsbescherming. De nood, die vrouwen en kinderen leden, werd het éérst beseft. Zo werd in Nederland betrekkelijk laat de kinderarbeid verboden, en werden, nog later, de werktijden van de vrouwen en jeugdige personen boven de kinderleeftijd geregeld. Nog niet geregeld is ten onzent het loon; wel is dit in enige andere staten geschied door instelling van zgn. loonraden (boards of wages, Lohnämter), die, voor iedere provincie en ieder bedrijf afzonderlijk gekozen, daarvoor minimumlonen vaststellen.
Historisch was uiteraard de afzonderlijke bescherming van vrouwenarbeid de eerste, ging die vooraf aan de ‘algemene arbeidsbescherming’ voor mannen en vrouwen. Nu heeft iedere dergelijke afzonderlijke bescherming voor de beschermde groep overal daar enig gevaar voor verlies aan ‘Konkurrenzfähigkeit’ waar zij in een bepaald bedrijf niet talrijk, en gemakkelijk door ‘onbeschermden’ te vervangen is. In al de andere gevallen echter breidt zich de bescherming (en met name de verkorting van arbeidsduur) ook over de onbeschermde arbeiders in hetzelfde bedrijf uit, daar het voortzetten van het bedrijf met de helft van de arbeiders praktisch moeilijk doenlijk is. Terwijl tenslotte niet alleen economisch iedere bescherming aldus neiging heeft zich uit te breiden over de niet beschermden, maar ook de bewuste actie steeds, wanneer de bescherming van een groep verkregen is, op toepassing dezelfde bescherming op de andere groepen aandringt.
Theoretisch staan dus eigenlijk tegenover elkander niet: een richting, die voor bijzondere bescherming van vrouwenarbeid, en een, die voor algemene arbeidsbescherming is; de zuivere tegenstelling bestaat tussen een richting, die afzonderlijke vrouwenbescherming aanvaardt, gedeeltelijk voorgoed, gedeeltelijk in afwachting en als voorbereiding van algemene regeling, èn een, die liever géén bescherming wil dan afzonderlijke bescherming van vrouwenarbeid.
....Gedeeltelijk voorgoed... want naast de bepalingen die óók over mannen kunnen worden uitgebreid, blijven bestaan die regelingen, die de vrouw als vrouw, in het bijzonder als zwangere en kraamvrouw betreffen, maar die men zich, meer uitgebreid, ook zou kunnen denken ten opzichte van jonge meisjes (met name door beveiliging tegen langdurig staand werk).
Iedere bescherming maakt offers. En nu is het niet in het algemeen uit te maken, of het aantal offers groter is dan het aantal, dat door de bescherming gebaat was. Zeer sterk hangt dit af -het is boven reeds aangeduid- van het aantal en de onvervangbaarheid van de beschermde personen. Alleen kan dit in het algemeen worden gezegd: dat de afstand tussen beschermden en onbeschermden, of tussen meer en minder beschermden (want ten onzent zijn ook de mannen reeds in zekere zin ‘beschermd’ door de Veiligheidswet enz. en in andere landen door een maximum arbeidsdag en wettelijke loonregeling [36]) niet te groot mag worden, op straffe van indirecte benadeling van de beschermden.
Enigszins anders staat het vraagstuk van de geestelijke arbeid van de vrouw. Ook hier zijn haar feitelijke prestaties steeds secundair geweest. Ook hier echter is haar arbeid hoewel alweer in mindere mate voorkomend dan die van de man overoud. Evenals de arbeid buitenshuis van de tegenwoordige vrouw uit de arbeidersklassen de laatste schakel is in een keten, die duizenden jaren geleden begon, zo is ook het zgn. ‘burgerlijke vrouwenarbeid vraagstuk’ allerminst een vraagstuk van de laatste vijftig jaren. Reeds het Hellenistische tijdvak, de Renaissance, de 18e eeuw in Frankrijk, de Romantiek in Duitsland, hebben gekend een intensief geestesleven van de vrouwen van de hogere klassen toen evenwel nog bijna geheel zonder economische bijmotieven.
Thans zijn er die economische bijmotieven ze zijn overbekend; haar oorzaken de vermindering van de huishoudbezigheden door de opkomende grootindustrie, het onvoldoende stijgen van de inkomsten in burgerklassen in verhouding tot het dalen van de geldswaarde worden voortdurend genoemd. Maar niet vergeten mag worden, dat de zgn. ‘burgerlijke vrouwenbeweging’ nog een andere betekenis heeft.
In het vrouwenarbeid vraagstuk zelf vooreerst deze, dat zij streeft naar dat wat over het algemeen aan vrouwenarbeid ontbreekt: kwalificering, behoorlijke opleiding. Wat in de loop van de laatste vijftig jaar in Nederland veranderd is, is niet het percentage in beroepen arbeidende vrouwen (dat was reeds bij de beroepstelling 1849 nagenoeg even groot als thans); maar terwijl in het midden van de 19e eeuw de vrouwen in alle hogere beroepen volstrekt ontbraken, zijn zij die thans binnengedrongen.
Maar meer dan dat. Het vraagstuk van de geestesarbeid van de vrouw gaat over in het algemene vraagstuk van de plaats van de vrouw in de cultuur; het is geen zuiver arbeidsvraagstuk meer. De vrouwenarbeidbeweging, voor zover die betekent de vraag naar het deden van de vrouw in de geestelijke goederen van de mensheid op haar wijze, is tevens het vraagstuk van de aard van man en vrouw. Zo is het dan ook geen wonder, dat juist hier de verbitterdste strijd zich afgespeeld heeft, dat juist hier het scherpst de normen van het vorige tijdvak zijn omhoog gehouden hoewel toch ook dat vorige tijdvak niet in zijn vervalperiode, maar in zijn fijnste bloeitijd dat delen van de vrouw in de geestescultuur had gekend. Dit is het gebied, waar meest van al is vergeten, dat het verschil tussen de aard van vrouwengeest en mannengeest een kwestie van verhouding is: dat men wel in het algemeen de man als de meer cerebralen, meer geestelijken, kan stellen tegenover de vrouw als meer instinctieve en intuïtieve, maar dat de vrouw uit ontwikkelde kringen meer ‘geestelijk levend’ is dan de Russische boer, de Europese cultuurvrouw meer dan de Australische inboorling. Vrouwelijkheid en mannelijkheid vinden we in iedere categorie. Er is geen terrein, óók niet dat van het geestesleven, dat uitsluitend voor mannen geëigend zou zijn. Alles is beider terrein, maar in verschillende nuance.
Maar dit alles is geen eigenlijk arbeidsvraagstuk meer. De vrouwen van de Duitse Romantiek waren van een zeer hoge geestelijke, esthetische en gevoelscultuur, zij echter verheerlijkte niet de arbeid, maar de ‘göttlichen Müssigang’. Omgekeerd staat onze tijd evenzeer eenzijdig In het teken van de verheerlijking van de arbeid al. het hoogste en alleen zaligmakend.
En juist dit gebied, waar arbeiden en niet arbeiden ineenvloeien, waar de sfeer van de persoonlijkheid is, is tegelijk de hoogste sfeer van verschil tussen man en vrouw en verdeling van arbeid tussen man en vrouw. Niet meer als iets, wat uitdrukkelijk en van te voren behoeft te worden vastgesteld, maar als een verschil in uiting die het onbewust en onopzettelijk gevolg is van een verschil van persoonlijkheid.
Deze cultuurarbeid van de vrouw hetzij deze zich nu in tastbare ‘prestaties’ uit of niet valt tenslotte weer samen met haar taak in het gezin, voor zover iedere verdieping en verfijning van de persoonlijkheid in laatste instantie daar zijn vruchten afwerpt. En zo zien wij hier, in de geestelijke arbeid eerder dan in de economisch productieve maar langs omwegen en ‘in de vervulling van de tijden’, waarin het gehele arbeidsleven meer óók op de aanleg van de vrouw is opgebouwd, óók in die laatsten dat al de kronkelwegen van de arbeid daarbuiten tenslotte weer leiden tot het uitgangspunt van duizenden jaren geleden evenwel, op hoger peil.
De oudste vorm van vrouwenarbeid is die in de economische productie. Deze arbeid vinden wij reeds in een tijd, dat de mens nog in de allereerste stadia van mens-zijn verkeerde. Immers naast anatomische veranderingen is het juist het gebruik van werktuigen, dat de langzame ontworsteling aan nog geheel dierlijke toestanden kenmerkt. En dat de vrouw reeds in die aller primitiefste arbeid, aan het vervaardigen van de allereerste werktuigen en aan het winnen van de aller oudste landbouwproducten, haar aandeel heeft gehad, dat bewijzen de archeologische opgravingen in vergelijking met de huidige toestanden bij de laagststaande natuurvolken, wier werktuigen op een soortgelijk ontwikkelingsstadium duiden.
Alle andere vrouwenarbeid die wij thans kennen heeft zich daaruit gedifferentieerd. De gehele geschiedenis van de arbeid immers is een geschiedenis van differentiatie. Niet alleen voor zover thans geestelijke arbeid is afgescheiden van fysieke, controlerende en administratieve arbeid van uitvoerende, handeldrijvende van producerende enz., in het algemeen er thans andere arbeid is dan economisch voortbrengende; maar ook doordien in die economische productie zelf een zich steeds verder vertakkende arbeidsverdeling valt waar te nemen; en tenslotte doordat, in verband daarmee, meer en meer productie en consumptie zich van elkander afscheidden: oorspronkelijk arbeidt ieder in hoofdzaak voor eigen gebruik, later voor bekende afnemers, tenslotte voor een ver verwijderd en geheel onbekend afzetgebied.
Al die splitsingen en onderscheidingen zijn bij primitieve maatschappijen nog slechts in aanleg aanwezig. En nu is het opmerkelijk, dat de eerste en oudste arbeidsverdeling die tussen man en vrouw is.
Het lag in de aard van het verschil in fysieke kracht en bewegelijkheid tussen man en vrouw, en van de gebondenheid van de moeder aan haar kinderen, dat de jacht aan de man ten deel viel. Daarentegen vinden we overal bij de natuurvolken het verzamelen van vruchten, wortels, bessen, kruiden enz. als vrouwentaak. M.a.w. over het algemeen zorgt de man voor het vlees, de vrouw voor het plantaardige voedsel, hetgeen meestal tengevolge heeft dat de man ook voor de verdere toebereiding van het wild (villen, verdelen en roosteren) zorgt, terwijl de vrouw het in orde brengen van het plantaardig voedsel verricht.
Op iets verdere trap vinden we een arbeidsverdeling, die op die oudste voortbouwt. Het houden van vee, dat direct met de jacht samenhangt (immers zijn oorsprong heeft in het levend behouden en grootbrengen van gevangen jonge dieren) is nagenoeg overal mannenwerk. Daarentegen bleef de landbouw eeuwenlang misschien duizenden van jaren lang het gebied van de vrouwen. Want zij kwamen er langzamerhand toe, van het eenvoudige verzamelen van wortels enz. over te gaan tot het opzettelijk verbouwen daarvan aanvankelijk uiteraard op hoogst eenvoudige en ruwe wijze, maar hiermee toch een buitengewoon belangrijke overgang voltrekkende.
Ook in de vervaardiging van huisraad en kleding uit de gevonden of verbouwde oerproducten, dus in wat wij tegenwoordig nijverheidsarbeid noemen, heeft de vrouw reeds in de primitiefste organisaties haar belangrijk deel. de man is in het algemeen, in verband met zijn werk van jagen en visvangen, het vervaardigen van wapens en boten toebedeeld; aan de vrouw het vlechten van wanden en het bakken van vaatwerk. De man zorgt in het algemeen voor het looien van de huiden; de vrouw spint weeft de wol van schapen of het verbouwde vlas, en naait de kledingstukken uit de geweven stoffen. In de vrouwengraven uit tijden lang vóór enige schriftelijke berichten worden de gereedschappen die op spinnen, weven en naaien betrekking hebben gevonden. zo is het ook de vrouw geweest, in wier handen zich de technische ontwikkeling van vlechten tot weven heeft afgespeeld.
Langzamerhand echter verandert, tengevolge van algemene economische wijzigingen, het arbeidsgebied van de vrouw enigszins. Op de grote hoeven enige eeuwen na het begin onze jaartelling geraakt de jacht meer op de achtergrond, neemt de man meer en meer deel aan de landbouw en neemt de inwendige omvang van de huishouding toe, zodat de vrouwenarbeid meer en meer tot arbeid binnenshuis beperkt wordt. [38]
Nog steeds wordt hier grotendeels voor de eigen familiekring geproduceerd. De arbeidsverdeling echter, met name op de grootste vroonhoeven [39] en in de kloosters, nam toe. Er waren veelal afzonderlijke smeden, pottenbakkers, brouwers, timmerlieden, enz. meest horigen, een enkele maal vrije handwerkers. En ook de horige vrouwen hadden in dit complex van industriële arbeiders haar afzonderlijke plaats: haar taak was (naast hulp in het eigenlijke huishoudwerk, zoals malen, bakken, brouwen, schoonmaken) het spinnen, weven en naaien in een afzonderlijk huis, (bij de armere vroonhoeven wel niet meer dan een schuur) naast het woonhuis, het zgn. vrouwenhuis, genitium of gyneceum. We vinden dus reeds in die tijd een categorie vrouwelijke arbeidsters, die met de huidige loonarbeidsters gemeen hebben het in een gezamenlijke werkplaats buiten eigen huis verrichten van industriële arbeid. Naar het echter schijnt, waren haar arbeidstijden vrij nauwkeurig en goed geregeld. Het weven is uitsluitend vrouwenarbeid gebleven tot aan de tijd toe, dat in de steden het gebied van de huishouding nog kleiner, de differentiëring van de ambachten nog groter werd; dit verklaart ook, waarom we in de eerste duizend jaren onze jaartelling nooit van het ambacht van weven vinden gewag gemaakt.
Wanneer we nu bedenken dat nog heden ten dage het grootste contingent vrouwelijke arbeidsters, behalve in de landbouw en de huiselijke diensten, te vinden is in de kleding, textiel en voedingsindustrie, dan zien wij dat nog onze hedendaagse verhoudingen hun duidelijk verband aantonen met de oeroude toestanden, waaruit zij zich immers vanzelf en geregeld ontwikkeld hebben. En daarnaast zien wij, dat de vrouwen in minder mate dan de mannen aan de nieuwste, meest typerend moderne vormen van arbeid deelnemen, al hebben zij in de bedrijven waarin zij werken en met name in de textielindustrie wel degelijk de modernisering van dat bedrijf mee ondergaan.
Op de vroonhoeven had zich reeds ene vrij ver gaande differentiëring van ambachten ontwikkeld; een differentiëring, die zich in de steden voortzette, en daar nauwkeurig werd vastgelegd en gereglementeerd door de gildenbepalingen.
De verschillende wijzen van ontstaan van de steden moeten hier buiten beschouwing blijven; evenzo de vraag, of de gilden te beschouwen zijn als voortzettingen van de ambachtsverenigingen van horigen uit de tijd van de vroonhoeven, of als nieuwe aaneensluitingen ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de handwerkslieden in de steden, dan wel of beide oorzaken voorkomen. Van belang is het echter voor ons, dat in de steden zich een nieuwe beperking voltrok van het gebied van economische productie, dat de vrouw in verband met haar huishouden toeviel; m.a.w. dat de huishouding in iets meerdere mate consumptief werd, terwijl meer en meer de productie werd overgenomen door afzonderlijke vaklieden daarbuiten. En: dat we tevens de vrouwen ook zien optreden als arbeidsters in die economische productie buiten de huishouding.
Het economisch leven van die dagen was beheerst door het gildenwezen. Het essentiële daarvan was de bepaling, dat niemand buiten het gild het daartoe behorende bedrijf mocht uitoefenen de zgn. ‘Zunftzwang’. De oorspronkelijke strekking hiervan, evenals van het eisen van een meesterproef, de regeling van het leerlingwezen, was het belang van de consumenten en van de eer van het ambacht; het latere gevolg is veelal minder schoon geweest.
De vrouwen nemen in het gildenwezen met uitzondering alweer van het kleermakers (‘Snijders’) gilde een geheel secundaire plaats in: maar zij zijn erin vertegenwoordigd. Ook de beroepsarbeid van de middeleeuwen kende zijn vrouwelijke medewerksters. En wel op verschillende wijzen. Afzonderlijke vrouwengilden, zoals die in Frankrijk en Duitsland voorkwamen, zijn in Nederland, op één enkele uitzondering na, niet aangetroffen. Die éne uitzondering wordt gevormd door het St. Lucia of Bakkerinnengilde te Zierikzee, dat naast het St. Outbaert of Bakkersgilde bestond. Ook heeft te Amsterdam niet een afzonderlijk naaistergilde maar een vrouwenafdeling van het kleermakersgilde bestaan, dat na 1539 onder eigen overvrouwen en proefmeesters werkte.
Maar over het algemeen zijn de vrouwen lid geweest van de gewone gilden. Bijzonder bevoorrecht waren daarbij de weduwen en ongehuwde dochters van gildenbroeders, die het bedrijf van de overledene wensten voort te zetten. Aldus blijkt de toestand te zijn geweest te Amsterdam, Grave, Kampen, en ook Haarlem, alwaar in het schildersgilde “de naergelaten weduwe in de neeringhe en doenten van haarn overleeden man sal mogen vervolgen, ende soo lange als sij weduwe is, rustelijck ende vreedelijck sonder ymandts bekreun in deselve blijven Sitten ende continueeren”, Maastricht, Utrecht; zo blijkt het nog in 1708 te hebben gegolden in Gouda, waar het broodbakkergilde bepaalde: “Gildenbroederweduwe of gildenzustersdochter, ongetrouwd zijnde, mag de nering van de overleden man of ouders aanhouden”; en nog in 1774 petitioneerden tegen een Alkmaarse keur, die het aantal bakkers trachtte te verminderen door 2 overledenen slechts door één opvolger te vervangen, een drietal bakkersdochters, die met behulp van een knecht kans zagen “op een matige burgerlijke wijse door de waerldt te komen”, en de keur werd vernietigd. Meestal mocht de weduwe gedurende een jaar en zes weken geheel zonder betaling van gildengeld het bedrijf voortzetten en kon daarna voor half geld lid van het gilde worden. Soms wordt vereist dat die weduwe of dochters zich doen bijstaan door een meesterknecht die de meesterproef heeft afgelegd; dit is echter lang niet altijd het geval.
Naast deze weduwen en dochters echter vinden we steeds in het algemeen de uitdrukking ‘gildenbroeders en gildenzusters’ ‘meesters en meesteressen’, zonder enige beperking. In de Utrechtse gildebrief van 1304 wordt uitdrukkelijk verklaard: “zo wie hem gheneren wil aan enighen ambochten, dat ghilde heeft, diet niet aangheërft en is, die zellent winnen, ist mansname ist vrouwenname”. Er zijn dan ook maar heel weinig bedrijven, waarin de vrouwen in ‘t geheel niet voorkwamen; zo het smedengilde van Utrecht, het viskopersgilde (met uitzondering van de weduwen) na 1555 en het Utrechtse snijdersgilde na 1525.
We constateerden reeds, dat in geheel Nederland, evenals daarbuiten, de vrouwenarbeid in het kleermakers of snijdersgilde de grootste omvang had. Dit is dan ook het gilde, waar zij het meest afzonderlijke rechten doen gelden: we noemden reeds de eigen overvrouwen van de naaisters te Amsterdam; te Gouda bestond na 1614 het bestuur van het snijdersgilde uit een overman, 4 dekens en 4 dekeninnen. Herhaaldelijk ook worden bepalingen aangetroffen ter bescherming van de moraliteit van de leermeisjes: volgens een gildenbrief van 1390 te Deventer mocht een kleermaker in zijn werkplaats geen meisjes boven 14 jaren laten werken behalve zijn vrouw of dochter; te Alkmaar mogen na 1636 de kleermakers op verbeurte van zes guldens geen meisjes in de leer nemen; de meisjes moesten bij vrouwen in de leer gaan.
Talrijk waren echter de botsingen tussen kleermakers en huisnaaisters, gelijk tussen snijders en oudewantsnijders (herstellers van oude kleren), welke laatste toenmaals een grotere rol speelden dan nu. Voortdurende twist over grensoverschrijding van de verschillende gilden lag trouwens in de aard van de gildenregeling; timmerlieden en schrijnwerkers, bijlhouwers en steenbikkers kwamen licht op elkaars terrein en werden dan steeds vol verontwaardiging geweerd. Daarbij schijnt, wat de vrouwen betreft, nog gekomen te zijn de oude en nieuwe klacht, dat zij voor minder geld werkten en dus als onderkruipsters optraden. Over zulke onderkruiping klaagt in 1759 het ‘eerzame kleermakersgilde’ te Groningen ten sterkste en stelt verschillende maatregelen ter beperking voor, met name een verdeling van de naaisters in drie categorieën: die alleen werken, die 2 of 3 leermeisjes laten werken, en “die een complete winkel van uitgeleerde meiden hebben”; zo wordt in Utrecht bepaald, dat alleen verstelwerk ’ter luyde huyse mag worden gemaakt en de huisnaaisters dus geen nieuwe kleren mogen vervaardigen; zo worden in Utrecht in 1525 na lange strijd de vrouwen zelfs uit het snijdersgilde gesloten (de enige uitsluiting van de vrouwen uit een gilde die ons in Nederland bekend is): “...dat voertan geen vrouen van de snijer gilde wynnen en seIlen moegen; dan die nu sijn, sehen moegen bliven.” En een heftige petitie aan de raad van de stad tegen de vrouwelijke concurrentie, die wederom toont dat er niets nieuws onder de zon is, ging in 1477 van de kleermakers te Zutphen uit:
“...Ende voert sijn de gemeyne ghyldebroeders oetmoedelike ende vrintlike begerende, dat ghy ons doech mede consenteren willen, dat ne dessen degen gheen vrouwen off megede ons ampt doen en sollen... want die megede ende vrouwen verdriven ons amboecht te semen. Want wie en paar secken maken kan, de sleet en tefel op; ende konnen sij een luttel anders maken, dat maken sy om half gelt ... Lieve heren, wes en luttel hiermede op verdacht om ons ermen dinstes lien ende wie altijt geerne doen willen, wes ghy ons I’rendesijt, ende ghy en hebt ommer ghenen dinst van de vrouwen, dan schede.”
Grote concurrentie ondervonden verder zowel mannelijke als vrouwelijke snijders, evenals spinsters, wevers enz. van de arbeid van de nonnen in de kloosters.
Naast haar arbeid in de toen nog veel meer dan nu productieve huishouding, naast haar arbeid in de gilden moeten we als een uitermate belangrijke vorm van
vrouwenarbeid in de Middeleeuwen de kloosterarbeid indachtig zijn. In de kloosters werd gespannen en geweven en logement gehouden; ook wel gewassen en gestreken, en dit alles niet alleen voor het klooster zelf, maar ook in mededinging met de handwerkers en kooplieden daarbuiten. En daar de kloosters vrijdom van accijnzen en andere voorrechten genoten, werd de kloosterarbeid een drukkende concurrentie voor de duurder werkende gilden daarbuiten.
Beperking van het recht tot verkoop van door nonnen of begijnen vervaardigde stoffen vinden wij dan ook in Zwitserland, Duitsland en Frankrijk, en in Nederland evenzeer zo te ‘s Hertogenbosch in 1427, te Utrecht in 1452, te Leeuwarden in 1482, te Groningen in 1520.
Niet alleen echter bij de snijders-, de wollen- en de linnenwevers vinden we de vrouwen. In Utrecht worden zij ook genoemd in de gilden van de barbiers, bakkers, vleeshouwers, brouwers, marslieden, boterlieden, korenkopers, riemsnijders, bijlhouwers. In Dordrecht worden zij herhaaldelijk, in Alkmaar een enkele maal genoemd in het schildersgilde (waarin toen kunstschilders en huisschilders zgn. ‘kladschilders’ gezamenlijk voorkwamen), zoals blijkt uit de ledenlijsten; zelfs vermeldt een Dortse rekening van het jaar 1599: “betelt aan Lysken de schuster, van dat sy het nieu huysken in de Rempt geschilderd heeft, daarvoir betelt 6 gulden 10 stuiver” dus zelfs zó belangrijke opdrachten als het schilderen van een aan het gilde behorend huis werden aan vrouwen toevertrouwd! Hierbij moet men zich niet te veel voorstellen, dat dergelijke vrouwen slechts ‘bedrijfshoofden’ waren en door knechts het werk lieten doen; men bedenke dat de overgrote meerderheid van de gildebroeders kleine baasjes waren, die met één knecht en één leerling werkten; zeer zeker zal daar de vrouw die aan het hoofd van die kleine bedrijven stond, ook mee de hand aan het werk hebben geslagen. Dit klemt temeer, waar wij zelfs van gehuwde vrouwen wier man nog leeft, lezen dat zij hem in zijn bedrijf ‘assisteren’, en in Utrecht bij de viskopers uitdrukkelijk geregeld vinden het mede-gildelid zijn van de gehuwde vrouw van een gildenbroeder. Een eigenaardige vorm van meewerken van de huisvrouw misschien in de praktijk de allerveelvuldigste! — was het helpen ‘opvoeden’ van de leerjongens, waartegen deze laatsten in Utrecht uitdrukkelijk beschermd moesten worden door de bepaling, dat alleen de meester, niet deszelfs huisvrouw hen straffen mocht.
Ook als geneeskundigen vinden we herhaaldelijk vrouwen genoemd; in den Haag wordt een vrouwelijke drogiste vermeld; in Wijk bij Duurstede zelfs een vrouwelijke waagmeester.
In het bedrijf van die eeuwen dus van de vroege Middeleeuwen af tot aan het einde van de 18e eeuw toe hebben de vrouwen gedeeld. Of ze ook haar plaats hadden in het politieke leven, dat in de middeleeuwen zo eng met de gildenorganisaties was samengeweven, dat de raad van gildenwezen gekozen werd, ligt in het duister. De voor gildenIeden verplichte wachtdiensten lieten ze waarschijnlijk door een plaatsvervanger vervullen. Een uitsluiting van de vrouwen uit de gilden aan het einde van de middeleeuwen, zoals die in enkele steden van Duitsland en Frankrijk heeft plaats gehad, is in Nederland, behalve voor het Utrechtse kleermakersgilde, nergens geconstateerd. Vanzelf is er dus geen sprake van, enig verband zoals dat wel eens gelegd is tussen deze uitsluiting en de rampzalige plaats van de vrouw in de fabrieksindustrie van het einde van de 18e en begin van de 19e eeuw; waarbij ten overvloede nog te bedenken is, dat de fabrieksarbeidsters uit geheel andere maatschappelijke lagen afkomstig waren dan de gildenbroeders en gildenzusters.
Er is een andere categorie arbeidsters; die veeleer als voorloopsters van de fabrieksarbeidsters beschouwd kunnen worden. Dat waren ten eerste de vrouwen, die als spoelster bij een wever in dienst waren, de huisindustriële weefsters die voor de drapenier’ (opkoper en ondernemer) weefden en dikwijls schromelijk nood leden, de ‘uitgeleerde meiden’, die op de ateliers van de naaisters werkten, de wolbewerksters op de stadsfabriek te Arnhem, die was opgericht om aan minvermogende vrouwen brood te geven, en de zeer talrijke werksters op de grote blekerijen in de 17e en 18e eeuw. Al deze hebben destijds evenzeer ontbeerd en geleden als de 19e eeuwse loonarbeidsters. Het verschil tussen toen en nu is niet, dat de kleindochters van de handwerkervrouw tot fabrieksarbeidsters werden; maar dat oudtijds in het economische leven op de voorgrond stond het kleinbedrijf, het ambacht, en thans het grootbedrijf en de fabriek.
Het fabriekmatige grootbedrijf heeft in Nederland zijn directe voorlopers in de grote ‘manufacturen’, die met name sedert de komst van de Hugenootse grootindustriëlen na 1685 (de opheffing van het edict van Nantes) in Nederland gevestigd werden. Ons land kende toen zijdespinnerijen en andere textielfabrieken met honderden werklieden; kende toen ook reeds huisindustriële arbeid met name het thuis weven voor grootindustriëlen en groothandelaars met al de hygiënisch verderfelijke gevolgen daarvan op grote schaal. Met de algemene economische inzinking van Nederland in de tweede helft van de 18e eeuw kwam er weer een terug zinken tot een evenwel thans verre van bloeiend kleinbedrijf. Wat de vrouwenarbeid betreft, tiert in deze tijd en in de gehele eerste helft van de 19e eeuw welig het ‘uit werken gaan’, het verdienen van ongeregelde inkomsten met allerlei ongekwalificeerde arbeid, dat in de regententijd, en de grote huishoudingen daarvan, voor het eerst in deze gewesten grote afmetingen was gaan aannemen, benevens talloze soorten van kleinhandel. Nog de gehele eerste helft van de 19e eeuw blijft Nederlands economische toestand slap en de vrouwenarbeid van die tijd is vrij talrijk, maar vrij inferieur. In die tijd zijn er fabrieken; maar het zijn voor een groot deel oude gebouwen, niet voor dat doel ingericht en daarom alles te wensen overlatende. Van de lonen en werktijden krijgt men enig begrip wanneer men de Provinciale Verslagen uit die jaren doorziet; de lonen zijn ontzettend laag, de kinderarbeid veelvuldig, de werktijden schrikwekkend lang; en voor deze laatste geldt toch niet het oude argument waarmee de lage loonstandaard van die dagen pleegt vergoelijkt te worden, ‘dat het geld toen zo veel meer waarde had’, of ‘dat de levensstandaard zoveel eenvoudiger was’. Trouwens, dat het loon van toen niet gelijk te stellen is met het loon van nu, ondanks de daling van de geldwaarde, blijkt uit de beschrijvingen van arbeidstoestanden, zoals die door enkele artsen omstreeks 1860 gegeven zijn. De tuberculose, de zuigelingensterfte, de kinderexploitatie, bovenal ook de algemene morele deprivatie: de apathie, de ruwheid, het alcoholmisbruik, de ‘edeloosheid’, die zij aan het ontstelde publiek schilderden, kenmerkten de fysieke en psychische minderwaardigheid van een sinds verscheidene generaties overwerkte en ondervoede arbeidersklasse, die zelfs in de vroegste kinderjaren en ongezonde bedrijfsarbeid had verricht.
Veel wordt daarbij ook de degeneratie van de vrouwen, haar gebrek aan moederliefde en moederzorg, haar kwanselzucht genoemd.
Immers bij de fabrieks- en huisindustriële arbeid van de 19e eeuw was de vrouw in sterke mate betrokken. Begrijpelijkerwijze: want wat de ontwikkeling van kleinbedrijf tot fabriek kenmerkte, was het gebruik van machines en de doorgevoerde arbeidssplitsing. Daardoor behoefde de fabriek minder volleerde krachten, maar vele en goedkope ‘handen’; en zo werden vrouwen en kinderen graag als arbeidskrachten aangenomen. Dat dit in Nederland van overheidswege in de hand is gewerkt door het beschikbaar stellen van weeskinderen voor de grotere fabrieken, zoals dit in Engeland geschied is, blijkt niet; laten wij hopen dat dergelijke uitwassen niet ook hier zijn voorgekomen. Zeker geldt echter ook voor Nederland, dat volstrekt niet de ‘van alle andere arbeid geweerde’ vrouwen voor de fabrieksarbeid ‘klaarstonden’, maar dat het grote contingent vrouwenarbeid in de fabrieksindustrie voor een groot deel met de behoeften van die industrie en van de ondernemers daarvan samenhing. In de tijd van de eerste opbloei van de machinale industrie concentreerde zich alle aandacht op het producten waren er bitter weinig gedachten voor de arbeider. [40] Zo waren de eerste 50 a 70 jaren van de grootindustrie tijden van volslagen uitbuiting van de economisch zwakken, nog in de hand gewerkt door de toenmaals hoogtij vierende theorie van de contractsvrijheid en van de leer van staatsonthouding, die haar oorsprong had in industriële en handelsbehoeften van de tweede helft van de 18e eeuw; en de economisch allerzwaksten waren de vrouwen en kinderen.
Parallel met deze ontwikkeling, en óók in verband tot de opkomende grootindustrie, had zich nog een andere omwenteling in de vrouwenarbeid voltrokken.
Het huishouden in de steden was minder veelomvattend dan dat op de plattelandshoeve geweest was en bleef. Toch werden, niet alleen in de Middeleeuwen, maar veelal nog tot het midden van de 19e eeuw toe, in de huizen tal van economisch productieve bezigheden verricht, werd er gesponnen, gebrouwen, gebakken, kaarsen bereid en dergelijke. Als huisvrouw of hulp van de huisvrouw dus hadden de vrouwen van die tijd nog haar behoorlijke mate van nijverheidsarbeid te verrichten.
Het overhand nemen van de fabrieksarbeid nu vertegenwoordigde een tweede, verdere stap in de richting, waarin de eerste schrede was gedaan bij de oplossing van de vroonhoeve en de toenemende arbeidsverdeling in de steden: wederom werd het terrein van de huishouding beperkter, wederom werd een aantal bezigheden verplaatst naar de beroepsarbeid daarbuiten.
Waarom dit geschied is, ligt niet zo onmiddellijk voor de hand als veelal wordt aangenomen. In de meeste gevallen is het praktisch niet juist, dat de fabrieken de producten goedkoper leverden dan wanneer ze op omslachtige wijze maar zonder arbeidsloon, ondernemerswinst enz. in eigen huis werden bereid. Ook de theorie, dat dan immers arbeidskracht voor winstgevender werk vrij kwam, zou slechts opgaan, wanneer ieder mens voor ieder vrij ogenblik dadelijk winstgevend werk kon vinden. Wellicht hebben hier stromingen in het geestesleven van de 19e eeuw: het zeer snelle, haastige wisselen van smaak, het meereisende leven dat vele en veelsoortige voorwerpen verlangde, in sterke mate meegewerkt. Gedeeltelijk zijn deze zelf echter weer verschijnselen, die tengevolge van de grootindustrie en van het intensieve economisch leven van de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan zijn.
Er is wisselwerking geweest tussen de vermindering van de productieve arbeid van de huisvrouw en de beroepsarbeid van de vrouw, of althans haar interesse in buitenhuishoudelijke vragen; niet steeds was het eerstgenoemde de oorzaak van het laatste. De geestelijke vrouwenbeweging gaat verder terug dan tot de economische veranderingen in de huishouding, hangt gedeeltelijk samen met veel vroegere geestelijke stromingen. Zeer zeker is het waar, dat de grootindustrie vrouwelijke arbeidskracht uit de huishouding vrij maakte; maar dit geschiedde (in het algemeen natuurlijk!) niet onwillens; het kan niet anders geschieden dan doordat de vrouwen de producten van de grootindustrie gaarne aanvaardden, omdat zij haar van huishoudelijke arbeid onthieven. Want zonder dat er vraag zou zijn geweest naar wat zij aanbood, had zich immers de grootindustrie niet staande kunnen houden! En die vraag was er niet omdat haar producten goedkoper waren; is het toch juist in de arbeiders klasse dat het zelfvervaardigen zich het meest gehandhaafd heeft, en bij de welgestelden onder de burgerij dat het ‘t meest verdween; zien wij toch nog heden ten dage in de burgerklassen vrouwen sommige huiswerkzaamheden opgeven en door de inkoop van grootindustriële producten vervangen, geenszins om de goedkoopte daarvan, maar omdat zij haar tijd en haar belangstelling aan andere dingen geven, en andere vrouwen met een zucht het in huis vervaardigen voortzetten, omdat haar middelen haar niet toelaten van de producten van de grootindustrie te profiteren!
En ook het feit, dat meer dan vroeger de dochters uit de kleinen burgerstand en uit de ambtenaars, doctoren enz. kringen verdienste moesten zoeken en dit is de meest ónmiddellijke oorzaak van de ‘vrouwenarbeidbeweging’ geweest gaat er voor een déél toe terug, dat juist de meer ‘geldwirtschaftlich’ gevoerde moderne huishouding meer geld behoeft dan de vroegere; m.a.w. alweer blijkt hier, dat de vroegere arbeid de vrouwen niet eenvoudig ‘ontnomen is door de grootindustrie’; maar dat zij zich die hebben laten ontnemen, hoewel dit een duurder worden van de huishouding tengevolge had.
Dat het vrouwenarbeidsvraagstuk van de burgerklassen dus niet uitsluitend economisch veroorzaakt is, blijkt sterker hieruit dan uit het ermee gepaard gaan van geestelijke stromingen. Bij de omwentelingen in de economische taak van de huisvrouw zijn de vrouwen niet lijdelijk geweest; op de achtergrond van economische vinden wij geestelijke veranderingen.
Maar hoe die wijziging ook tot stand is gekomen, ze is er; ze is een schakel in een reeds lange ontwikkelingsketen; en zij heeft velerlei nieuwe vraagstukken doen geboren worden.
Nog een andere, uiterst gewichtige wijziging in de vrouwenarbeid werd begonnen door de arbeidsverdeling in het handwerk, en ten top gevoerd door de grootindustrie. In de oudste tijd valt economische productie vrijwel samen met huishoudwerk; in de maatschappij die op het klein bedrijf gebaseerd is, zijn die twee onderscheiden, maar nog weinig tegenstrijdig; de huisvrouw kan, zonder haar huis en kinderen te verlaten, als bedrijfshoofd of koopvrouw optreden; zo, als dat in het kleinbedrijf nog heden het geval is. Ook de opleiding van de meisjes voor het bedrijf valt daar nog vrijwel samen met haar opleiding tot huisvrouw. Op die trap dus zijn moederschap en beroepsarbeid in het algemeen nog verenigbaar, waarmee natuurlijk niet gezegd is, dat er in individuele gevallen geen conflicten tussen beide gedachtesferen zouden zijn geweest. Anders bij de moderne beroepsarbeid waarnaast de oudere vormen zich, zoals steeds, gehandhaafd hebben; de moderne beroepsarbeid staat eenvoudig antithetisch tegenover huiselijkheid en moederschap, en de opleiding voor beiden schijnt voorlopig in geheel tegengestelde richting te gaan.
Zo is dus, met de overgang van kleinbedrijf naar grootindustrie als hóófdbedrijfsvorm, in de gehele economische positie van de vrouwen een even grote verandering gekomen, als toen het landleven van de vroonhoeve werd gevolgd door het bedrijfsleven van de steden. En deze overgang brengt, zoals iedere kentering, schrijnende moeilijkheden mee.
De twee parallelverschijnselen in de economische ontwikkeling van de 19e eeuw: enerzijds het verminderen van de omvang van de huishoudelijke werkzaamheden voornamelijk in de middenstand, anderzijds de arbeid buitenshuis, in fabrieken en werkplaatsen, van een veel groter aantal vrouwen en meisjes uit de arbeidersklasse dan vroeger het geval was geweest, brachten de bekende twee kanten van het vrouwenvraagstuk van de 19e eeuw met zich: het ‘burgerlijke’ en het ‘proletarische’ vrouwenvraagstuk, waarvan het eerste betreft het probleem van de arbeidsloze dochter uit de middenstand en dus uiteraard openstelling van arbeidsgelegenheid buitenshuis verlangt, terwijl het andere, dat het probleem is van de met werk overladen arbeidster, als kind en jong meisje beroofd van haar gezonde jeugd, als moeder van de werkelijke vervulling van haar moederschap, strekt tot bescherming van deze economisch zwaksten, dus tot wering uit voor haar verderfelijke industrieën, tot verkorting van arbeidsduur, in het algemeen tot bescherming tegen overmatige beroepsarbeid.
Minder sterk dan in Engeland en Denemarken waar de burgerlijke vrouwenbeweging, haar beginselen, haar eis van arbeidsvrijheid ook op de bedrijfsarbeid van de vrouw toepassend, regeling van de werktijd van de vrouwen in de wasserijen (Engeland) en verbod van nachtarbeid en invoering van de tienurendag voor vrouwen (Denemarken) heeft verhinderd hebben deze beide stromingen in Duitsland en Nederland gebotst; maar strijd is er ook hier geweest, en duikt af en toe weer op.
Intussen echter is in de praktijk van de 19e eeuw drieërlei beweging gaande geweest, die niet naliet ook de vrouwenarbeid te beïnvloeden. Allereerst bij humane intellectuelen, daarna bij het publiek, dus de kopers van de producten, en bij de werkgevers zelf een langzaam groeiend besef van de menselijke waarde en menselijke rechten van de arbeider en arbeidster, een overwinning van het naïeve naar-zich-toerekenen uit de eerste tijd van de grootindustrie; een in de praktijk gewonnen inzicht tevens, dat menswaardige behandeling en menswaardige arbeidstijd nagenoeg nooit productievermindering tengevolge heeft. Anderzijds een langzaam en georganiseerd in verzet komen van de arbeidersklasse en, mede tengevolge van dat verzet, verder ontwaken. Tenslotte een steeds meerdere bemoeiing van de wetgeving met arbeidsverhoudingen, een steeds meerder steunen van de economisch zwakken, opdat zij in waarheid ‘vrij’ hun arbeidsvoorwaarden konden helpen stellen.
Dit alles had éénzelfde laatste oorzaak: het, ten gevolge van het tè opvallend schrijnend worden van de arbeidstoestanden, komen van de arbeidersklasse binnen de kring van hen, in wie belangen, bestaansvoorwaarden en problemen zich de meer machthebbende in maatschappij en staat begonnen in te denken.
Het had éénzelfde gevolg: de verheffing, of, zoals Marx het noemt, de ‘wedergeboorte’ van de arbeidersklasse. Er ligt een afgrond tussen de tegenwoordig georganiseerde fabrieksarbeider van de hogere industrieën, en de arbeider die in het midden van de 19e eeuw het algemene type was, en thans nog wel voorkomt in lagere industrieën en in sommige takken van huisarbeid.
In deze verheffing van de arbeidersstand heeft natuurlijk de vrouw, voor zover zij immers dochter of echtgenote van een arbeider is, enigszins gedeeld. Maar toch slechts gedeeltelijk. In het algemeen kunnen wij zeggen dat de vrouw als arbeidster nog een lager, onontwikkelder, hulpbehoevender deel van de arbeidersklasse vertegenwoordigt, dan de man.
Dit feit wederom geeft aanleiding tot verschil van standpunt in de vrouwenbeweging. Enerzijds wordt zo groot mogelijke vrijlating van de vrouwelijke arbeidskracht verlangd, in elk geval geen beperking die niet tegelijk de man treft en dit zowel op abstracte rechtsgronden als op grond van de mening, dat iedere bijzondere bescherming de vrouw min of meer konkurrenzunfähig’ zou maken. Ter andere zijde wordt de vrouw als in bijzondere mate beschermingsbehoeftig beschouwd, en wordt erop gewezen dat ieder ‘vrijlaten’ van economisch zwakken op de duur niet anders dan verslechtering van hun positie kan ten gevolge hebben, en dat tegen het betreurenswaardige nadeel, dat enkele vrouwen steeds lijden ten gevolge van beschermende bepalingen, verre opweegt het feit, dat de grote massa onder gunstiger arbeidsvoorwaarden verder arbeidt. En deze laatste mening wordt niet alleen voorgestaan door de proletarische vrouwenbeweging, maar ook door een grote groep daarbuiten, die ook in het economisch leven van de vrouw met haar vrouw-zijn wenst rekening te houden.
Behalve het vraagstuk van de wettelijke bescherming van vrouwenarbeid hangen met deze lagere positie van de vrouw in de bedrijfsarbeid echter nog vele andere vraagstukken samen: zo met name dat van de vakopleiding, dat van de vakorganisatie, dat van het lagere vrouwenloon en dat van de arbeid van de gehuwde vrouw.
Voordat we echter die vragen zelf bespreken, ga een onderzoek vooraf naar wat in de verschillende bedrijfsvormen ten onzent de kenmerkende plaats van de vrouwenarbeid is; en allereerst naar de vraag, wat de statistiek ons omtrent de algemene ontwikkelingslijn van de vrouwenarbeid ten onzent leert — dus: in welke verhouding thans de bedrijfsarbeid van de vrouw die haar oudste beroepsarbeid was! — staat tot de ontwikkeling, die in de laatste tijd het in beroepen arbeiden van vrouwen in het algemeen genomen heeft.
Onze tijd staat in het teken van de vraagstukken en van de bewegingen. Reeds vele soortgelijke tijden zijn er in de loop van de geschiedenis geweest wij behoeven slechts te herinneren aan de laat Romeinse keizertijd, aan de renaissance en de hervorming, aan de Franse revolutie; maar steeds werden zij afgewisseld door tijden van betrekkelijke moeheid af wel van betrekkelijke ‘verworvenheid. ’
Zulk een tijd van gebrek aan bewogenheid vertoont ons Nederland in 1813. Het enige wat die tijd kende, waren de van buiten opgedrongen politieke en economische noden. Dat de vrouw 1813 zo weinig betekende, ligt niet alleen aan haar positie in die dagen: het begin van de 19e eeuw was in ons land, in tegenstelling tot de omringende landen en in tegenstelling ook tot Nederland in de 17e en het begin van de 18e eeuw, een cultuurloze tijd. Ook een beschouwing over ‘den man 1813’ zou ons niet veel oorspronkelijkst, groots, scheppends, niet veel levends in het algemeen, hebben te zien gegeven.
De tweede helft van de 19e en het begin van de 20ste eeuw echter zijn tijden vol beroering; tevens vallen zij samen met een geestelijke herleving van Nederland.
Deze twee factoren nu: het algemeen sterk bewogen karakter van onze tijd in heel de beschaafde wereld, en het tegenwoordige vrij intensieve cultuurleven van het Nederlandse volk, moeten we als grondstenen denken bij een poging tot begrijpen van de betekenis van de positie van de Nederlandse vrouw van thans, vergeleken met die van het begin van de 19e eeuw.
En als derde factor, hoewel onverbrekelijk met de beide vorige verbonden, staat daarnaast de ontwikkeling, die zich bepaaldelijk ten opzichte van de maatschappelijke plaats van de vrouw, en van de opvattingen omtrent het wezen van de vrouw, voltrokken heeft.
Want hoewel enerzijds het feit, dat in onze dagen het vrouwenleven bewogen is, wel samenhangt met het algemene intensieve leven van onze tijd, daarmee is toch niet verklaard het zeer eigenaardige karakter van het hedendaagse vrouwenvraagstuk en de hedendaagse vrouwenbeweging.
Gaan wij dit nader na.
Onze tijd dan is een bij uitstek ‘problematische’ tijd. Alles wordt tot vraagstuk en tot georganiseerde beweging. Er is bijna geen levensfactor, geen toestand, of er heeft zich een beweging omtrent voorgedaan, er is een vereniging voor opgericht.
Dit nu is geen bijzonderheid van onze tijd alleen. Er zijn meer dergelijke tijden geweest. En in zoverre moet men aan de gehele tegenstelling 1813-1913 niet te veel waarde toekennen, dit wordingsproces vertegenwoordigt niet een stukje uit een rechtlijnige ontwikkelingsgeschiedenis, vroegere tijden hebben, wat bewogenheid, wat het problematische betreft, dichter bij ons gestaan dan de tijd, die een eeuw achter ons ligt.
Toch is er in één opzicht een directe belangrijke samenhang tussen die tijd en de onze: het begin van de 19e eeuw vertoont ten onzent de allerlaatste nawerkingen, de laatste zwakke uitloopsters van de eens zo grootse renaissancecultuur, en van daar af dateert een begin van een nieuwe periode.
Ook het meebeleven van de cultuur door de vrouw uiteraard alleen mogelijk in tijden die cultuur bezitten! is in vroegere tijden reeds herhaaldelijk op oneindig veel hoger peil geweest dan in het begin van de 19e eeuw ten onzent. Met name hebben de Romeinse keizertijd, de renaissance, en de 18e eeuw ‘le grand siècle’ in Frankrijk, een bij uitstek grote invloed van de vrouw in het geestelijk leven gekend.
Toch is er ook hier dit directe verband juist tussen het begin van de 19e eeuw en onze tijd: dat uit het algeheel verval van de vroegere vrouwencultuur, die een geheel aristocratische en humanistische vrouwencultuur was, een nieuwe soort van vrouwenbeschaving geboren is, in sommige opzichten lager, in andere hoger staande dan die vorige.
Het meest uiterlijk opvallende van de hedendaagse vrouwenbeweging is wel haar systematischer, alomvattend karakter, dat gedeeltelijk bepaald is door het gelijktijdig optreden van een geestelijk en een economisch vrouwenvraagstuk. Ook vroeger lag in ieder vraagstuk uiteraard een vrouwenvraagstuk; maar thans kent ook bijna ieder vraagstuk zijn wel georganiseerde vrouwenbeweging.
Het economische vrouwenarbeidsvraagstuk van de middeleeuwen, de culturele vrouwenproblemen van hellenisme, renaissance, 18e eeuw en romantische school we vinden ze samengevat in de hedendaagse vrouwenbeweging, die op economisch èn geestelijk gebied naast iedere algemene beweging een vrouwenbeweging stelt. Samengevat, zozeer, dat ze ons als een nieuw geheel verschijnen; waarin we niet maar de terugslag vinden van andere stromingen, en dat niet louter de voortzetting is van wat vroeger bestond, doch dat zich openbaart als een eigen toekomstscheppende kracht.
Want dit onderscheidt ons vrouwenvraagstuk en onze vrouwenbeweging van wat Ellen Key — misschien met te grote onderschatting daarvan — het ‘voorhistorische vrouwenvraagstuk’ noemt: dat onze vrouwenbeweging zich één geheel weet, en dat zij als zodanig bepaalde theorieën over haar gehéle gebied verkondigt en bepaalde eisen stelt. En wellicht is deze totaliteit van de vrouwenbeweging, die er in de aanvang toe leidde, op ieder gebied een vrouwenbelang tegenover een mannenbelang en een vrouwenopvatting tegenover een mannenopvatting te ontwaren, een van de feiten, die tot liet ontstaan van de leer van de seksestrijd hebben bijdragen.
Wij hebben dus op het ogenblik 1913 te vergelijken met 1813 in tweeërlei zin: ten eerste voor zover de algemene veranderingen indirect ook veranderingen voor de vrouw hebben meegebracht, ten tweede, voor zover die veranderingen zich speciaal op de vrouw gericht hebben. Beide groepen van verschijnselen hangen echter zo intrinsiek samen, dat zij niet anders dan in theorie te onderscheiden zijn.
Sedert 1813 is een stormachtige eeuw over de vrouwen heengegaan. Een eeuw van een enorme bevolkingsaanwas, van een wijziging in productiestelsel, van grote politieke veranderingen, van grote omwentelingen in het denken op religieus, moreel en wijsgerig gebied, van een belangrijke ontwikkelingsgeschiedenis van de kunsten. Onder al deze en vele andere wijzigingen is niet één de primaire, niet één (b.v. of de bevolkingstoeneming, of de economische ontwikkeling, of de veranderingen op godsdienstig gebied) de oorzaak van de andere; zij hangen allen samen, hebben elkander allen wederzijds beïnvloed en vormen tezamen een historische fase. Wanneer wij dus een van de wijzigingen vooropzetten, dan is dat niet om daarmee aan te geven dat wij de andere voor alleen en uitsluitend op dien bodem ontstaan houden.
Zo is de bevolkingsaanwas een zéér belangrijke factor geweest voor het intensiever concurrentieleven, voor de vermeerderde materiële actie, en tevens voor de hogere en levendiger cultuur in de steden, in het algemeen voor het snelle leven van deze tijd. Omgekeerd echter ware die snelle toeneming niet mogelijk geweest zonder de verbeterde hygiëne, die zelf het gevolg van de moderne wetenschappelijke geest was.
Volgens het rapport van de intendant d’Alfonse [42] telde Nederland in april van het jaar 1813 een totaalbevolking van 1.724.896 zielen, waarvan 888.274 vrouwen en 836.622 mannen. Bij de volkstelling van 1909 bedroeg de totaalbevolking van Nederland 5.858.175 zielen, waarvan 2.959.050 vrouwen en 2.899.125 mannen. [43] Maar niet alleen is de bevolking in een eeuw ruim verdriedubbeld een bevolkingstoeneming zó snel en sterk, als die zich voor zover ons bekend nog
nooit vroeger heeft voorgedaan; zeer speciaal in de toeneming geweest van de grote steden, terwijl de bevolking op het platteland en in de kleine stadjes veel langzamer steeg. In het begin van de 19e eeuw bedroeg het aantal steden van meer dan 100.000 inwoners in Europa 22; thans bedraagt het 149. [44]
Dit verschijnsel, waarschijnlijk vooral een gevolg van de moderne verkeersmiddelen, waardoor het naast bijzijnde middelpunt van handel, verkeer, administratie en intellectueel leven niet meer op een met paard en wagen gemakkelijk af te leggen afstand van de landbevolking verwijderd behoefde te zijn. Het is voor het geestelijk leven van de 19e eeuw van het uiterste gewicht geweest. Het heeft in vele opzichten gemoedelijkheid en regelloosheid vervangen door systeem en zakelijkheid, het heeft de eisen, die aan ieders bekwaamheden gesteld werden, opgeschroefd. De grotere internationale aanraking is er door vergemakkelijkt, de belangstelling in talloze vraagstukken bevorderd, de gemeenschapszin van arbeiders en ambtenaren gestegen.
Niet alleen is de bevolking sinds 1813 in zeer sterke mate toegenomen: er is ook enige verandering geweest in de getalsverhoudingen van mannen en vrouwen, en in de percentages van gehuwden, ongehuwde en weduwen, die gedeeltelijk met die getalsverhouding, gedeeltelijk ook met andere oorzaken samenhangen.
Wij doelen hier op het zgn. vrouwenoverschot, veroorzaakt doordat wèl gemiddeld meer jongens dan meisjes geboren worden, maar door de grotere sterfte van de jongens later het aantal vrouwen de overhand houdt.
In 1813 kwamen op 100 mannen 105 vrouwen voor; die tijd kende dus een zeer belangrijk vrouwenoverschot. In de volkstelling van 1909 kwamen op 100 mannen nog slechts 102 vrouwen. [45] Voor een gedeelte hangt het grote vrouwenoverschot van 1813 natuurlijk samen met de Napoleontische oorlogen; toch moeten hier nog andere, diepere oorzaken in het spel zijn, daar de gehele 19e eeuw door gestadig en langzaam het vrouwenoverschot verminderd is.
Met dit verschijnsel houdt onmiddellijk verband de vermindering van het percentage weduwen. Terwijl dit in 1813 nog 9,7% van de totale vrouwelijke bevolking bedroeg, is het in 1909 slechts 0,3% daarvan. [46]
En deze cijfers hebben groot belang. Niet alleen omdat we dus kunnen aannemen dat de weduwen ellende iets verminderd is. Maar omdat de getalsverhouding tussen mannen en vrouwen één van de factoren is, die de maatschappelijke positie van de vrouw bepalen. En hoewel er uitzonderingen zijn zoals Engeland, waar, tengevolge van andere oorzaken, ondanks het grote vrouwenoverschot de vrouw een vrij hoge positie inneemt is in het algemeen een groot overschot van vrouwen een ongunstige voorwaarde voor hare maatschappelijke waardering. Het is bekend, hoe de hoge plaats van de vrouw in Noord-Amerika en in de Australische Koloniën voor een deel wordt toegeschreven aan het gering percentage vrouwen in de eerste tijden in die Koloniën.
Zowel direct, nl. wat de vermindering van het percentage weduwen betreft, als indirect is er dus in de loop van de 19e eeuw voor de vrouwen van Nederland een keer ten goede in de bevolkingsverhoudingen gekomen.
Parallel hiermee ging de verbetering van de volksgezondheid, die zich bij mannen en vrouwen gelijkelijk uitte in de sterke stijging van de levensduur, en vooral in de sterke daling van de zuigelingensterfte. Zo steeg tussen 1870/79 en 1900/09 de levenskans van jongens beneden het jaar [47] van 38,4% op 51,0% en van meisjes beneden het jaar 40,7% op 53,48. [48]
De vermindering van de kindersterfte was in het algemeen zo groot, dat ondanks achteruitgang van het geboortecijfer het aantal in leven blijvende kinderen stéég; terwijl van 1840/49 tot 1910 het aantal geboorten per 1000 inwoners daalde van 33,5 naar 28,6, [49] daalde het aantal sterfgevallen van kinderen van 18,14 per 100 geborenen naar 10,79! [50]
Vraagt men nu naar de invloed van deze wijzigingen in deze samenstelling van de bevolking op het percentage huwelijken, dan moet tweeërlei worden geantwoord. Enerzijds namelijk is het percentage huwende in vergelijking tot het tijdperk 1850/59 gedaald, anderzijds het percentage gehuwden gestegen. Het aantal huwende vrouwen, dat in de jaar 1840/49 bedroeg 7,39, en 1850/59 8,03 per duizend vrouwen, daalde in 1880/89 tot 7,14, om vandaar weer langzaam te stijgen tot 7,39 in 1900/10. [51] Het aantal gehuwde vrouwen echter, dat in 1849 bedroeg 300 per duizend, is na een daling gestegen tot 335 in het jaar 1909, [52] m.a.w. het percentage ongehuwde vrouwen is steeds afnemende.
De oorzaken van deze schijnbare tegenstrijdigheid moet voor een deel liggen in een daling van de huwelijksleeftijd, of wel juister een relatieve vermindering van de huwelijken op later leeftijd; immers de grootste toeneming van de gehuwden openbaart zich in de jongere leeftijdsgroepen (20-25 en 25-30 jaar), terwijl zij in de middelste groepen geringer is en in de groepen 40-45 en 45-50 jaar zelfs in haar plaats een afneming van de gehuwden is ingetreden. Daarbij komt nog dat de daling van de geboorten het percentage ongehuwde (immers hieronder vallen ook de kinderen) doet zakken; terwijl tevens het verminderen van de tweede huwelijken het percentage huwende doet afnemen. [53]
Heden ten dage begint het vrouwenoverschot reeds in de leeftijdsklasse van 20-30 jaar, terwijl daar beneden het aantal jongens dat van de meisjes nog overtreft. Wel is het vrouwenoverschot dus reeds op de gemiddelde huwelijksleeftijd aanwezig; wel is dus voor een zeker percentage vrouwen de huwelijksmogelijkheid a priori uitgesloten; maar daar op die leeftijd nog de helft van alle vrouwen ongehuwd zijn, is het duidelijk dat de getalsverhouding waarlijk niet de belangrijkste factor is waardoor de huwelijkskans bepaald wordt. Veel belangrijker is de andere zijde van het vrouwenoverschot. Dit is nl. het hoogst in de oudere leeftijdsklasse en vormt daar de grond van de nood van vele weduwen.
Het ligt dus volstrekt niet in laatste instantie aan het vrouwenoverschot, dat de ongehuwde vrouwen 33,6% dus 1/3, van alle vrouwen boven de 18 jaar vormen. Een veel geringer percentage vrouwen wel is waar blijft ongehuwd: op 50jarige leeftijd zijn nog slechts 1/7 van alle vrouwen van die leeftijd ongehuwd. [54] Voor de mogelijkheid om in eigen onderhoud te voorzien echter om een levensinhoud gevende arbeid te vinden, heeft men te rekenen met één derde van alle volwassen vrouwen. Daarbij komen, wat de behoefte aan arbeid terwille van levensonderhoud betreft, ook een groot deel van de weduwen, en verder diegenen onder de gehuwde vrouwen die door noodzaak tot loonarbeid gedreven worden.
Het arbeiden in loondienst door vrouwen ongehuwd, gehuwd of weduwe kwam reeds in 1813, gelijk in de eeuwen daarvóór, veelvuldig voor. Zo goed als geheel ontbrak toen echter iedere hogere beroepsarbeid, niet alleen in de zin van geestesarbeid, maar in het algemeen in de zin van behoorlijke vakarbeid.
Diep ingrijpende wijzigingen heeft de vrouwenarbeid in de loop van de 19e eeuw ondergaan wijzigingen die samenhangen met de economische en geestesgeschiedenis van de tijd. Waarbij toch anderzijds niet te vergeten valt, dat in Nederland zich de moderne economische ontwikkeling lang niet op zijn scherpst heeft voorgedaan, en dat dit ook aan de gevolgen wel te merken is.
De typische ontwikkelingsgang van de 19e eeuw zoals men zich dien pleegt te denken, immers is deze: bloei van de (in de 17e eeuw ontstane) grootindustrie, terugdringing van het kleinbedrijf, vermindering van de arbeid in de huishouding, buitengewoon sterke toeneming van de vrouwenarbeid in de industrie, vermindering van dienstboden, toeneming van loonarbeid van de gehuwde vrouwen, zoeken van de vrouwen uit de burgerklasse naar arbeid buitenshuis.
Wat komt hiervan in Nederland uit? Lang niet alles.
De moderne, echte grootindustrie kennen wij hier eerst sedert een halve eeuw. Wat daarvoor bestond, in de niet terug te wensen tijd van de handelsmaatschappij, was wèl een industrie die machines gebruikte en arbeidssplitsing kende, maar waaraan men de naam van ‘grootbedrijf’ nog moeilijk geven kan. Een ontaard kleinbedrijf en een armzalige fabrieksindustrie dat was Nederlands nijverheid in de eerste helft van de 19e eeuw. En de arbeidsvoorwaarden waren overeenkomstig daarmee. De toenmalige fabrieksarbeidersbevolking bestond uit ondervoede, gedegenereerde, moedeloze en intellectloze zwoegers, die voor een hongerloon in een vunzige, onhygiënische fabriek van de vroege ochtend tot de late avond werkten. Onder hen waren vele vrouwen en kleine kinderen; voor die beiden bestond nog generlei arbeidsbeperking of arbeidsbescherming. Ook deze is in Nederland later dan in de omringende landen tot stand gekomen: van 1874 dateert de ‘kinderwet van Houten’, die verbood kinderen beneden 12 jaar in dienst te nemen of te hebben; van 1889 de Arbeidswet, die loonarbeid van kinderen beneden 12 jaar in het algemeen verbood en die van jeugdige personen en van vrouwen aan beschermende bepalingen onderwierp, en die thans weer is opgelost in de Arbeidswet van 1911 [55], terwijl enige wettelijke regeling van de werktijd van volwassen mannen, in Engeland reeds sedert een halve eeuw ingevoerd, ten onzent nog steeds op zich laat wachten. [56]
Eerst van de tweede helft van de 19e eeuw dateert ten onzent èn de herleving van de industrie, èn de wedergeboorte van de arbeidersklasse. En juist sedert Nederland een bloeiende grootindustrie kent, is het percentage vrouwelijke arbeiders in de nijverheidsbedrijven in bijzonder sterke mate gestegen, ondanks het feit, dat ten aanzien van de vrouw de werkgever aan beperkende bepalingen met betrekking tot werkduur enz. gebonden was, die hij tegenover de volwassen mannelijke arbeider niet behoefde in acht te nemen.
Zo bleek in Nederland in de tweede helft van de 19e eeuw, wat elders reeds eerder gebleken was: dat de grootindustrie behoefte had aan vrouwelijke arbeidskrachten. Want de fundamentele eigenaardigheid van de grootindustrie is de doorgevoerde arbeidssplitsing, waarbij geen arbeider meer een geheel voorwerp afmaakt, maar alle afzonderlijke verrichtingen over afzonderlijke arbeiders en machines verdeeld zijn. Hierdoor behoefde zij, naast enkele kundige vakarbeiders, vele en goedkope ‘handen.’ En juist als zodanig als gewillige, vlugge en goedkope arbeidskracht werden de vrouwen gaarne te werk gesteld.
Zo bracht de industriële ontwikkeling van de 19e eeuw mee een toeneming van de nijverheidsarbeid van vrouwen, en tevens een verplaatsing van die arbeid uit kleinbedrijf naar grootbedrijf. Niet alsof het eerste ware ten ondergegaan of ten dode gedoemd: geen productievorm wordt ooit eenvoudig door een anderen opgeheven; maar wat vroeger in de industriële productie vooraan stond, is thans teruggeschoven.
De opkomst van de grootindustrie dus heeft voor de vrouwenarbeid belangrijke verschuivingen meegebracht; toch zijn althans de percentages van de vrouwenarbeid er niet in die mate door beïnvloed en gewijzigd als men veelal meent. De toestanden van 1913 hebben zich geregeld uit die van 1813 ontwikkeld; slechts drie generaties liggen tussen beide tijdstippen. De grondsamenstelling van de beroepsarbeid van de vrouwen is in vele opzichten dezelfde gebleven.
In het jaar 1813 was het aantal vrouwen werkzaam in huiselijke diensten even groot als dat in industrie èn handel en verkeer tezamen. En thans nu men algemeen van een ‘dienstbodevraagstuk’ spreekt, nu de industriële productie haar stempel schijnt te drukken op onze gehele tijd nu werken in industrie, handel en verkeer tezamen 170.592 vrouwen en in huiselijke diensten 205.398 vrouwen, dus nog meer! [57] Hier blijkt alweer, hoezeer de algemene voorstellingen van de mensen omtrent eigen tijd bepaald worden door het opvallende van het nieuwe, hoezeer zij vaak onderschatten de overeenkomst met het verleden, hoezeer zij overdrijven in hun mening, dat de eigen tijd geheel iets anders is dan alle voorafgaande.
En toch moet men alweer niet op andere wijze eenzijdig zijn. Want de bovengegeven verhouding wordt voor een groot deel hierdoor veroorzaakt, dat in de loop van de 19e eeuw het percentage vrouwen in handel en verkeer sterk verminderde tengevolge van het achteruitgaan van de talloze vormen van kleinhandel die het begin van de 19e eeuw kende. In vergelijking tot alle andere vormen van vrouwenarbeid in het algemeen is het percentage van de huiselijke diensten wèl gedaald, hoewel het aantal dienstboden absoluut nog steeds stijgende is. Kwamen nog in 1889 op 100 in beroepen werkzame vrouwen er 44,5 voor rekening van de huiselijke diensten, in 1899 bedroeg dit nog slechts 43,8, en in 1909: 39,7. [58] Omgekeerd steeg van 1889 tot 1909 het percentage van de beroephebbende vrouwen die in de nijverheidsbedrijven werkten, van 18,0 tot 20,0. [59]
M.a.w. hoewel men zich de veranderingen, die van 1813 tot 1913 in de soorten van vrouwenarbeid hebben plaats gehad, niet als een algehele omzetting moet denken, is er toch wel waar te nemen een betrekkelijke toeneming van industriële en een betrekkelijke afneming van dienstboden arbeid.
Een gelijksoortig verschijnsel zien wij met betrekking tot het aantal vrouwen in het algemeen, dat beroepsarbeid verricht. Ook op dit punt leeft men veelal in de mening, dat er in de laatste tientallen van jaar een enorme toeneming is geweest. Dit ligt behalve aan het overschatten van de veranderingen van eigen tijdvak mede eraan, dat deze zich inderdaad hééft voorgedaan in de hogere burgerklassen, terwijl echter de vrouwenarbeid in de arbeidersklasse en de kleine burgerij reeds sinds eeuwen zeer veelvuldig was. Volgens de beroepstelling van 1849 oefende ruim 21% van de vrouwelijke bevolking (de kinderen eronder begrepen) een beroep uit, in 1859 waren het 18%; in 1889 slechts 15,4%; maar van toen af stijgt het gestadig tot 10,18% in 1899 en 18,3% in 1909. [60]
Er is dus in de laatste tientallen van jaar een stijging, hoewel niet zo groot als men veelal meent. Belangrijker echter is de vraag van welke vrouwen de beroepsarbeid gestegen is.
En dan zien wij in de loop van de laatste halve eeuw een sterke afneming van kinderarbeid, een langzame daling van de arbeid van de gehuwde vrouw, en een sterke toeneming van de beroepsarbeid van ongehuwde vrouwen.
De sterke vermindering van de kinderarbeid is niet zozeer het direct gevolg van economische veranderingen als wel van de sociale wetgeving die kinderarbeid verbood. Toch is deze laatste niet buiten verband te denken met de economische en sociale stromingen van de laatste halve eeuw, die werkten in de richting, dat alleen de tot arbeid in staat zijnde daaraan zouden deelnemen, dat de zwakken tegen overmatige arbeid beschermd zouden worden. Zo is de afneming van kinderarbeid wel degelijk een van de verschijnselen, die wijzen op een overgaan van de beroepsarbeid van de zwakken op de sterkeren.
De daling van de arbeid van de gehuwde vrouwen is een speciaal Nederlands verschijnsel. In Duitsland neemt men het omgekeerde waar: een voortdurende stijging, in Engeland een stijging, die in de laatste tijd tot stilstand is gekomen. Ten onzent waren in 1889 van alle beroepsarbeidsters 25,1% gehuwd, in 1899 22,5%, in 1909 23,3%. [61] Dit laatste cijfer lijkt een stijging aan te geven. Toch komt die uitsluitend voor rekening van een enorme ‘toeneming’ van de arbeid van de gehuwde vrouwen in de landbouw, terwijl het aantal ongehuwde arbeidsters in de landbouw nagenoeg gelijk bleef; toeneming die samenhangt met het thans meetellen als ‘beroep uitoefenend’ van de gehuwde boerin, die in eigen bedrijf of in seizoenwerk landarbeid verricht; terwijl de verslagen van de staatscommissie voor de landbouw zelfs meedelen, dat bijna over geheel Nederland de landarbeid van de gehuwde vrouw in de laatste jaar is verminderd; een gevolg van de toegenomen welstand van de landarbeidersbevolking. [62]
De stijging van de vrouwenarbeid sinds 1889 komt dus geheel voor rekening van de volwassen ongehuwde vrouw. Nog tussen 1899 en 1909 steeg haar arbeid in alle leeftijdsgroepen boven de 18 jaar. En, terwijl in 1899 wel in de leeftijdsgroepen beneden 35 jaar het aantal beroepuitoefenende ongehuwde vrouwen het aantal beroepsloze overtrof, maar in de leeftijdsgroep van 36-50 jaren nog de beroepsloze ongehuwde vrouwen de meerderheid hadden, vormen thans ook in die groep de beroepuitoefenende vrouwen 54,5%, en overtreft dus over de gehele linie van de ongehuwde vrouwen tussen 18 en 50 jaar het aantal beroepuitoefenende het aantal beroepslozen. [63]
Wat de personen van de vrouwen, die aan de beroepsarbeid deelnemen, betreft, is er dus in de tweede helft van de 19e eeuw een merkbare verbetering te constateren.
Een enigszins gunstige verschuiving had ook plaats in de soorten van arbeid, voor zover de arbeid in de vrije beroepen, in het onderwijs enz. toenam, en in zoverre er een zij het ook nog zeer geringe aanduiding is, dat de vrouwen ook in de bedrijfsarbeid hier en daar meer beginnen door te dringen tot de hogere posities in het beroep, tot de betrekkingen die toezicht of controle meebrengen, of tot arbeid die werkelijk kunde vereist.
Toch is, ondanks deze tekenen van een begin van wijziging ten goede, van opstijging uit de diep treurige arbeidsvoorwaarden en de zeer lage arbeidsprestaties van de vrouwen in de eerste helft van de 19e eeuw, de plaats van de vrouw in de bedrijfsarbeid nog steeds verre van gunstig; toch is haar arbeid er over het algemeen lager dan die van de man; toch brengt haar bedrijfsarbeid tal van problemen mee die de mannenarbeid niet of in mindere mate meebrengt.
En dit hangt samen met de plaats van de vrouw in het gezin, in verband met het karakter van de moderne bedrijfsarbeid, van de moderne productiewijze in het algemeen. Niet alleen met het kapitalistisch karakter daarvan, hoewel dit de problemen nog bemoeilijkt en vertroebelt; maar bovenal met de moderne techniek, die bracht afscheiding van productie en huishouding, en in de productie zelf doorgevoerde arbeidssplitsing.
Want van de oertijd af tot heden is er een ontwikkeling gaande van losmaking van de productiearbeid uit het verband tot de huishouding, waarin alle arbeid ontstaan was. Ieder volgend economisch tijdvak vertegenwoordigt een verdere stap die richting. In de voortijd van de cultuurvolkeren berustte, zoals nog heden ten dage bij de primitieve stammen, bijna alle bedrijfsarbeid bij de vrouw, was alle akkerbouw en alle vervaardiging van nijverheidsproducten deel van de huishouding, die nagenoeg alles wat zij consumeren wilde zelf produceerde. Die productieve taak van de huishouding en van de huisvrouw kromp in, toen de mannen begonnen de akkerbouw over te nemen; kromp andermaal in, toen de steden ontstonden en daarin het bakken, brouwen, kleermaken, weven door vakarbeiders buiten het huishouden werd overgenomen; en onderging nogmaals een inkrimping, toen na de opkomst van de grootindustrie van het vele, dat als huishoudelijk werk was overgebleven, opnieuw een groot gedeelte naar buiten getrokken werd en voorwerp werd van productie in het groot.
Langzamerhand is dus de vrouwenarbeid gesplitst in twee duidelijk gescheiden sferen: de arbeid in de huishouding en de beroepsarbeid daarbuiten.
Die splitsing reeds begonnen in de vroege middeleeuwen, maar in de 19e eeuw verscherpt door het grootbedrijf heeft op beide vormen van arbeid teruggewerkt, en met betrekking tot beide een ‘vraagstuk’ doen geboren worden.
Allereerst wat betreft de arbeid in het beroepsleven. De grote moeilijkheden zijn hier veroorzaakt, doordat de productieve arbeid, de beroepsarbeid, thans bijna geheel buitenshuis zich afspeelt en bijna geheel het verband met het eigen huishouden en het eigen gezin verbroken heeft, terwijl toch nu eenmaal de vrouw door een onvervreemdbare rest van die oude gebondenheid of belemmerd wordt in haar beroepsarbeid, of lijdt onder de aard ervan, of beide nadelen ondervindt.
En dit geldt niet alleen voor de arbeid van de gehuwde vrouw, hoewel hier het conflict meest schrijnend is, hoewel het hier het scherpst toegespitst wordt naar gelang het kleinbedrijf, (waarin, gemiddeld althans, vereniging van moederschap en beroepszorg nog wel verenigbaar is), overgaat in de grootindustrie of de groothandel, zonder dat de noodzakelijkheid van bijverdienste voor de gehuwde vrouw sterk vermindert. Het geldt niet alleen voor háár arbeid; want het feit, dat thans, in het moderne, het hedendaagse beroepsleven (waarnaast natuurlijk de oude vormen de kleine bakkers- en kruidenierswinkels, het kleinbedrijf in de landbouw, enz. nog in stand zijn gebleven) huishouden en moederzorg met beroepsarbeid onverenigbaar zijn geworden, werkt mede terug op de opleiding van de meisjes en op de arbeid van de ongehuwde vrouw. Het is één van de oorzaken van de betrekkelijk inferieure vakopleiding van de meisjes, en daarmee één van de oorzaken van de betrekkelijke minderwaardigheid van de bedrijfsarbeid van de vrouw. Ten slotte is ook het feit van het lagere vrouwenloon voor een groot deel terug te brengen tot de tegenwoordige plaats van de vrouw in het gezinsverband, in samenhang met de huidige organisatie van de arbeid.
In zoverre is dus het vraagstuk van de arbeid van de gehuwde vrouw het centrale punt in het vrouwenarbeidsvraagstuk.
De feitelijke stand van dien arbeid is op het ogenblik in hoofdzaak aldus: in de landbouw vormen de gehuwde vrouwen een groot percentage van de arbeidsters; in het kleinbedrijf zijn de gehuwde vrouwen en vooral de weduwen talrijk vertegenwoordigd, in de fabrieksindustrie zijn zij betrekkelijk schaars: terwijl in het algemeen de gehuwde vrouwen 23,3% van alle beroepsarbeidsters vormen [64], is van het vrouwelijke fabriekspersoneel slechts 9,02% gehuwd, en het gehele aantal gehuwde fabrieksarbeidsters bedraagt slechts 5.470 [65]; in de huisindustrie zijn zij zeer talrijk, en wel vooral in de laagste, minst vakkennis en opleiding verlangende takken van huisindustrie, zoals erwten lezen, garnalenpellen enz.; zeer veelvuldig is verder de arbeid van gehuwde vrouwen als werkvrouw, als strijkster, in het kort als losse arbeidster die niet geregeld iedere dag haar gezin behoeft te verlaten; tenslotte zijn er enkele gehuwde vrouwen in hogere beroepen als onderwijzeres, arts, toneelspeelster enz. werkzaam.
Het is bij de zowel in Nederland als in andere landen gehouden enquêtes genoegzaam gebleken, dat de enkele vrouwen in de hogere beroepen daargelaten de gehuwde vrouwen niet anders dan door bitteren nood gedreven tot beroepsarbeid komen. Evenzeer staat het vast dat alweer uitzonderingen daargelaten haar arbeid noodlottig is voor het gezin, zowel wanneer het is arbeid buitenshuis waarbij de kinderen bij gebrek aan crèches veelal alleen worden gelaten of aan een buurvrouw toevertrouwd, als huisindustriële arbeid, met al de slopende gevolgen van onhygiënische vervuilde woningen, afgewerkte moeders, kinderen die vóór en na schooltijd mee moeten werken om een dragelijk loon te helpen bereiken, enz. betrekkelijk het gunstigst is nog de toestand van de gehuwde landarbeidster, daar zij veelal haar kinderen mee kan nemen naar het veld. Véél gunstiger zijn de verhoudingen in het kleinbedrijf en in het eigen bedrijfje in de landbouw, hoe dikwijls ook daar de huisvrouw — tevens producente — feitelijk overwerkt wordt.
Het vraagstuk van de arbeid van de gehuwde vrouw is dus in onze dagen enerzijds het vraagstuk, hoe de ellende die de tegenwoordige arbeid van getrouwde vrouwen meebrengt, te verzachten, anderzijds is het het ruimere vraagstuk, hoe de arbeid van de gehuwde vrouw ware te vormen zó dat het gehele arbeidspeil van de vrouw zou stijgen.
Wat het eerste betreft, komen hier voorlopig meest in aanmerking maatregelen van sociale hulp, als daar zijn crèches en tehuizen voor schoolgaande kinderen, en wettelijke maatregelen zoals bescherming van zwangere kraamvrouwen tegen overmatige arbeid, mits onder vergoeding van de loonderving door een moederschapsrente [66] en zoals verder wettelijke regeling van de huisindustrie [67] en andere algemene maatregelen van arbeidersbescherming
Wanneer hiertegen soms wordt aangevoerd, dat verzachting van de gevolgen van beroepsarbeid van de moeder die arbeid zou in de hand werken, dan wordt daarbij vergeten, dat het nooit nadelig kan zijn om zorg te dragen, dat de volgende generatie gezond en ongedegenereerd en onverwaarloosd opgroeien! En dat verder de feitelijke en gevoelsnadelen van de arbeid buitenshuis voor de moeder ondanks al deze maatregelen waarlijk schrijnend genoeg blijven, om te verhinderen, dat zij anders dan bij zeer dringende noodzaak tot die arbeid grijpen zou.
Veel dieper problemen raakt het tweede vraagstuk. Het gaat ervan uit, dat èn de arbeid van de gehuwde vrouw tegenwoordig onder uiterst ongunstige voorwaarden verkeert, sedert de productieve arbeid niet in maar buiten de huishouding wordt verricht, en dat dientengevolge algemene plaats van de vrouw in de arbeid laag blijft. Want over het algemeen bekleden de vrouwen de, lagere posities in het beroep; over het algemeen is de arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen deze, dat wel veelal aan de mannen de meer kracht, aan de vrouwen de meer behendigheid en netheid eisende werkzaamheden worden toegewezen, maar daarnaast toch ook voor een groot deel de vrouwen of meisjes eenvoudig het lagere, geen opleiding vereisende werk, zoals sorteren en inpakken verrichten; over het algemeen bestaat de vrouwelijke bevolking van de fabrieken uit zéér jonge meisjes tussen het 14e en 22ste levensjaar, die haar arbeid als tijdelijk beschouwen en in vakorganisatie geen belang stellen; over het algemeen is, gedeeltelijk in verband met al het voorafgegane, maar gedeeltelijk óók omdat de gemiddelde levenseis van de vrouw alleen is: zich te onderhouden totdat zij huwt, overal het vrouwen loon lager dan het mannenloon.
En achter al deze verschijnselen ligt dezelfde oorzaak: de vrouw, althans de vrouw uit de arbeidersklasse, zoekt niet een beroep voor haar leven, maar een verdienste gedurende kortere of langere tijd.
Betekende dit alles nu alleen, dat de prestaties van de vrouwen op arbeidsgebied geringer waren dan die van de man, dan zou men er zich rustig bij kunnen neerleggen, en zich troosten met het andere dat zij aan de maatschappij te geven heeft. Maar zo is het niet. De laagte van de gemiddelde bedrijfsarbeid van de vrouw brengt tastbare nadelen mee, die zich in haar latere gezinsleven wreken.
Met betrekking tot de arbeid de gehuwde vrouw dan is in onze dagen in hoofdzaak drieërlei richting aan te wijzen: een, die belemmeren en terugdringen wil, desnoods met wettelijk verbod en onder de voorstanders hiervan vindt men zowel starre conservatieven als ook warme humanitairen, die van het verbod van arbeid van gehuwde vrouwen even gunstige resultaten en even weinig moeilijkheden verwachten als het verbod van kinderarbeid met zich gebracht heeft; een andere, lijnrecht daartegenover, die de gehele ontwikkelingsgeschiedenis van de vrouwenarbeid meent te zien uitlopen op een steeds sterker industrialisering van het huishouden en mee arbeiden van de vrouw, óók van de gehuwde, in de beroepsarbeid daarbuiten, en op het economisch onafhankelijk zijn van de gehuwde vrouw van haar echtgenoot op grond van haar eigen arbeid; ten slotte een derde, die wèl erkent een kentering in het huishouden en in het gezinsleven, maar daarin niet ziet een oplossing daarvan, niet een industrialisering van de huishouding en een socialisering van het gezinsleven; die de economische zelfstandigheid van de gehuwde vrouw liever tot stand wil zien gebracht door middel van het als volwaardig beroep opvatten van haar huisvrouwentaak en het haar toekennen van een recht op een deel van het inkomen van haar echtgenoot; die een verhoging van het peil van de gemiddelde vrouwenarbeid verwachten langs dezelfde vele wegen, waarlangs die van 1813 af reeds heeft plaats gehad: verheffing van de arbeidersklasse, verbetering van volksonderwijs, aandrang tot vakonderricht en vakorganisatie; en ten slotte in komende tijden van een maatregel, die tevens voor die gehuwde vrouwen, welke de nood tot arbeid drijft (en bij verbod daarvan tot anderen, slechter betaalden, ongezonder arbeid zou drijven, ook al kon een uitgebreide armenverzorging hier gedeeltelijk leniging brengen) een uitredding zou zijn van de maatregel van het halfdagstelsel voor gehuwde vrouwen, een stelsel, dat breekt met het opbouwen van de arbeidsvoorwaarden op mannenarbeidskracht, met een arbeidsstelsel dat alléén berekend is op hen die de gehéle dag er hun gehéle kracht geven kunnen.
Even fel, feller misschien bijna nog woedt de strijd om het vraagstuk van de afzonderlijke bescherming van vrouwenarbeid: de strijd over de vraag, of bepalingen, die de arbeidsdag van vrouwen verkorten of haar arbeid op enigerlei andere wijze beschermen, zonder dat die bescherming tegelijkertijd ook voor mannen geldt, moeten worden afgekeurd en bestreden als een maatregel, die de plaats van de vrouw op de arbeidsmarkt zou bemoeilijken, af gaarne moet worden aanvaard, èn als bescherming van de vrouwen, èn als voorbode van gelijke bescherming voor mannen, voor zover die mogelijk is.
De eerste opvatting beroept zich èn op theoretische gronden van gelijkgerechtigdheid voor man en vrouw, op afkeer van iedere maatregel, die op bevoogding van de vrouw gelijkt, èn op voorbeelden van ontslag van vrouwen tengevolge van verkorting van arbeidsduur en dgl.; de laatste op het feit van de grotere behoefte aan overheidsbescherming van de vrouw, èn om haar grotere fysieke zwakte èn om haar geringere vakorganisatie, tevens op het feit, dat het aantal tengevolge van arbeidsbescherming feitelijk ontslagen vrouwen uiterst gering is in vergelijking tot het aantal dat onder gunstiger arbeidsvoorwaarden kon verder werken; terwijl overal, waar de beschermde vrouwen een groot percentage van het personeel vormen, al zeer spoedig de neiging bestaat om de verkorting van arbeidsduur ook over de mannen in datzelfde bedrijf uit te breiden.
Zo zijn de 20ste eeuwse vraagstukken met betrekking tot de arbeid van de vrouw in de economische productie vele. Terugblikkend naar 1813 zien wij dat de bedrijfsarbeid van de vrouwen méér dan in aantal en hoeveelheid gestegen is in verwikkeldheid, en wellicht, na een daling in het midden van de 19e eeuw, ook in hoedanigheid weer stijgende is. Dat we ons althans op dit gebied in een tijd van overgang en kentering bevinden, die wellicht op nog verdere diep ingrijpende wijzigingen uitloopt.
Aan de wortel van de huidige conflicten en problemen met betrekking tot de bedrijfsarbeid van de vrouw lag de afscheiding van huishouden en productiearbeid. Dezelfde splitsing heeft nog een andere kant gehad: het huishouden, dat meer en meer door de productie verlaten werd en alleen de consumptie van daar buiten vervaardigde goederen overhield, wijzigde zich en in zijn aard en in de personen die er aan deelnamen.
We hebben boven gezien, dat de opbouw van de bevolking de getalsverhouding tussen vrouwen en mannen niet als hoofdoorzaak van de vrouwenarbeidsbeweging, laat staan van de vrouwenbeweging in haar geheel, kan gelden. Evenzeer geldt dit voor de economische omstandigheden. Wel heeft de overgang van kleinbedrijf in grootbedrijf, het onttrekken van productieve arbeid aan huishouding, voor een groot deel de vrouwenarbeidsbeweging van de burgerklassen veroorzaakt; maar omgekeerd zou die productieve arbeid niet aan de huishouding onttrokken zijn, wanneer er hier niet wisselwerking was geweest met een geestelijke stroming: wanneer de vrouwen niet zelf gewild hadden, bewust of onbewust, dat een deel van de huishoudarbeid haar onttrokken werd. Want de producten van de grootindustrie waren n zijn niet goedkoper dan wat in eigen huis vervaardigd wordt. Is toch ook in het algemeen het huishouden duurder, meer ‘geldwirtschaftlich’ geworden, en is immers juist dit één van de oorzaken van het moeten verdienen van de dochters uit de burgerklassen. Neen, de vrouwen waren wel genegen zich een deel van de huishoudarbeid te laten ontnemen, wilden wel gaarne tijd en gedachten vrijmaken voor vragen daarbuiten. Er waren stromingen in het geestesleven, naar Nederland wat laat overgewaaid, die hier meespraken: de stromingen die uitliepen op de wil tot volle ontplooiing van de vrouwelijke persoonlijkheid.
Het begrip ‘persoonlijkheid’, dat in de middeleeuwen nauwelijks een rol speelde, althans niet bewust gesteld werd in tegenstelling tot de gemeenschap, leeft sedert de klassieke oudheid voor het eerst weer op in de renaissance, de tijd van wat Burckhardt noemt ‘die Wiederentdeckung des mensen’. De persoonlijkheidsverheerlijking van de renaissance werd ook door de vrouwen gedeeld: die tijd schiep intellectuele, esthetische, heftige en gewetenloze vrouwen in de aristocratie. De cultuur van van de renaissance was een cultuur van weinige uitverkorenen, gegrond op de verachting van velen; het was een tijd van een uitermate fel en vol leven voor de enkelen; het was een tijd, waarin ook de vrouwen ten volle in de geestelijke goederen van de tijd deelden. Maar in de noordelijke landen werd de renaissance burgerlijk en kleinsteeds, en verviel de vrouwencultuur ervan onder de overlevenden invloed van middeleeuwse opvattingen en gevoelens. De herleving kwam hier eerst langs andere wegen; hier ontwikkelde zij zich uit de politieke vrijheidsidealen ’tout homme est né libre’ van de Franse revolutie, anderzijds uit de subjectivistische littéraire en gevoelsstromingen van de 19e eeuw, die tot de romantiek teruggaan. Niet alleen op politiek en maatschappelijk gebied, ook in de litteratuur brengt de 19e eeuw het evangelie van de vrouwelijke persoonlijkheid en haar onvervreemdbaar recht: bij Ibsen klinkt dit meest duidelijk; bij Multatuli had Nederland er reeds klanken van gehoord.
Deze wil tot vol uitleven van de eigen persoonlijkheid, tot volle ontplooiing van alle gevoels- en verstandsgaven, heeft, samenvallende met de economische verschijnselen van de tweede helft van de 19e eeuw, doen formuleren de eerste eisen van de vrouwenbeweging. Eisen, die al naar individuele aard door de één vooral werden in verband gebracht met politieke rechten, door de andere met arbeid en economische onafhankelijkheid, door een derde met sociale zorg en door nog anderen met het persoonlijke vrouwenleven.
Maar dit alles had nog een andere kant. Het weerspiegelde zich onmiddellijk en op velerlei wijze in het aloude middelpunt van vrouwenleven: het gezin en de huishouding. Het heeft er hier zeer bewust en met veel smarten en conflicten, daar geheel onbewust en vanzelf, veranderingen gebracht die inderdaad een omvorming van gezinsleven en huishouding betekenen, alleen niet in de zin van een oplossing of ontbinding daarvan.
De verschijnselen zijn anders.
Daar is op het gebied van de huishouding allereerst dit:
Het feitelijk aantal productieve bezigheden is, vooral in de burgerklassen, maar in minder mate toch ook in de arbeidersstand, sterk ingekrompen. Zelfs is enige ‘industrialisering’ reeds te bespeuren in de boerenhuishouding: men denke aan het toenemen van de fabrieksmatige zuivelbewerking. Maar zoals steeds de vergemakkelijking van de bevrediging van een behoefte nieuwe behoeften doet ontstaan, zoals o.a. na de uitvinding van de naaimachine onmiddellijk het aantal plooitjes dat men pleegde te naaien sterk toenam! Zo hebben zich ook reeds de eenvoudige huishoudelijke verrichtingen gecompliceerd. Waar vroeger de oude meubels en de oude stoffering jarenlang, soms geslachtenlang, gelijk bleven, daar verschikt en verandert men tegenwoordig gaarne en veelvuldig zijn huisinrichting. Waar vroeger in de huisinrichting zich vooral uitte een algemene stijl, daar is er tegenwoordig een zeer sterke vertegenwoordiging van uiteenlopende individualiteiten in weerspiegeld.
Nog meer: waar vroeger de huishoudkunde door de dochter van haar moeder werd afgekeken, ofwel langzamerhand in de praktijk van het leven werd geleerd (want geenszins werd vroeger iedere dochter huishoudelijk opgevoed; nog een 50 jaar geleden was het in verscheiden streken in de hogere kringen juist ongebruikelijk, dat een meisje zich met huishoudbezigheden bemoeide) daar wordt thans meer en meer de huishoudzorg beschouwd in verband tot hygiëne, tot volksgezondheid; daar wordt zij beschouwd als iets wat opleiding vereist naast handigheid en routine, inzicht in hygiëne naast praktische talenten. Het is een zeer eigenaardig en opmerkelijk verschijnsel, dat onze tijd, de tijd van de vermindering van de huishoudelijke bezigheden, tegelijk de tijd van de huishoudscholen is. We hebben hier een uiting van het streven van onze tijd naar systematische opleiding op elk gebied; wellicht ook een uiting van het vrij sterk intellectualistisch karakter onzer dagen; maar toch zeker óók een bewijs, dat de tegenwoordige huishouding niet minder kennis en gedachten vordert dan die onze grootmoeders, al is het op enigszins andere, men zou haast kunnen zeggen: enigszins ‘vergeestelijkte’ wijze.
Ja, er is zelfs in onze eeuw een tegenstroming aan te wijzen, die ingaat tegen het onttrekken van de productie aan de huishouding: de neiging, ontstaan uit het fijner esthetisch leven van onze tijd, om zoveel mogelijk weer zelf vervaardigde of onder eigen toezicht vervaardigde voorwerpen te verkiezen, en de ‘massavoortbrengselen’ van de grootindustrie onschoon en plebejisch te vinden. In het algemeen staat juist het sterke streven, of de onbewuste neiging, om aan de gehele levenswijze een individuele tint te geven, tegenover die andere neiging van de tijd, die tot vervlakking en gelijkmaking zou kunnen leiden.
De pogingen tot algehele industrialisering van het huishouden de huizen met gemeenschappelijke keuken hebben tot nog toe steeds schipbreuk geleden.
Natuurlijk zegt dit op zich zelf niet, dat zij het steeds zullen blijven doen. Maar al ligt de oorzaak van het verzet ertegen afgezien van het feit dat zij voorlopig steeds voor de grote meerderheid van de bevolking te kostbaar waren niet alleen in conservatisme, maar wel degelijk ook in de zeer jonge, zeer moderne individualistische stromingen toch staat de moderne huishouding in nader verband tot de gemeenschap daarbuiten dan die van 1813 deed. Er is de zij het ook nog zeer zwakke beweging naar de coöperatie, met een diepe ideële achtergrond. Er is het verband met de vragen van de hygiëne. Er is het langzamerhand doordringend besef dat de huisvrouw van de burgerklassen tegenover haar dienstboden een maatschappelijke taak te vervullen heeft, die niet alleen kennis van maatschappelijke verhoudingen, maar ook fijn gevoel voor andere levens vooronderstelt. Er is het overnemen van de verzorging met water, gas en eventueel elektriciteit door de gemeenten.
Zo eist de huishouding in 1913 gedeeltelijk nog dezelfde, gedeeltelijk echter andere kundigheden, inzichten en talenten dan het huishouding in 1813 deed. Hiermee is niet gezegd, dat zij minder eist. Is de productieve taak van de huishouding verminderd, de consumptieve heeft zich uitgebreid.
En, voor zover juist door het verplaatsen van het ruwere werk van het bakken, zeepzieden, kaarsenmaken enz. naar buiten, krachten zijn vrijgekomen voor fijner arbeid, voor fijner cultuur ook daar zijn die in onze dagen zeker nodig voor, worden dadelijk in beslag genomen door de psychische verwikkeldheid van het gezinsleven.
Want ook huwelijk en moederschap stellen in onze dagen andere, en wellicht zwaardere eisen dan zij een eeuw geleden gemiddeld deden. Op grond hiervan ligt de oude wet, dat iedere toenemende cultuur verwikkelingen schept, en dat iedere kenteringstijd vol botsingen is. In de plaats van de huisbakken innerlijke rust van 1813 die gemiddeld niet was een rust van werkelijke verworvenheid, in de plaats van de mystiekloze alledaagsheid van het begin van de 19e eeuw is gekomen de volle, rijke, maar pijnende onrust van de overgangstijd.
Is er ooit enige tijd geweest die volslagen bewogen was? Heeft niet zelfs in de jaar van de grote revolutie het merendeel van Frankrijks inwoners geleefd en gedacht evenals in alle andere? Wanneer men een tijd karakteriseert, dan doet men dat naar wat dien tijd van andere onderscheidt, niet naar wat hij met alle andere gemeen heeft.
De innerlijke veranderingen, die op het gebied van liefde en moederschap wordende zijn, zijn in laatste instantie de allerbelangrijkste, welke met betrekking tot de plaats van de vrouw te vermelden zijn. Want in ieder mensenleven, zéker in ieder vrouwenleven, zijn de persoonlijke, niet de maatschappelijke verhoudingen, het eigenlijk bepalende. Zo is misschien de essentiële vraag, die bij een vergelijking van de vrouw van een eeuw geleden met die van tegenwoordig gesteld kan worden, deze: wat heeft de 19e eeuw gemaakt van het persoonlijk vrouwenleven zelf?
Wat hiervan objectief samen te vatten en te overzien is en dit immers is hier het doel is wellicht in hoofdzaak: het meer op de voorgrond komen van spontane gevoelselementen, de verinnerlijking van verhoudingen die vroeger meer uiterlijk en maatschappelijk werden beleefd.
Soms lijkt het andersom te zijn. Men beschuldigt gaarne de tegenwoordige tijd en de tegenwoordige vrouwen van intellectualisme. Niet ten onrechte, voor zover men ermee doelt op het in waarheid sterke geestelijk leven, die zekere ‘ontwikkelingsdrang’ die tegenwoordig velen heeft aangegrepen thans daargelaten de vraag of dit iets afkeurenswaardige is. Maar dat intellectualisme is tenslotte slechts een andere kant van het tegenwoordige ‘differentieerde zielenleven, dat een persoonlijke vollen waren inhoud geeft aan wat destijds voor een gedeelte niet er dan conventie en banaliteit was.
Hiermee zij geen kwaad gezegd van de vrouwen en moeders van 1813, noch te veel goeds van de vrouwen en moeders van het begin van de 20ste eeuw; en tenslotte ook hier tussen de vrouwen van toen en van nu de band van het gemeenschappelijk vrouwenleven veel groter en sterker, dan het verschil tussen de wijze waarop dat beleefd wordt. Maar wie, zoals zoveel pleegt te geschieden, de vrouwen en moeders van vroeger verheerlijkt tegenover die van nu, vergeet dat onze tijd en de verschijnselen daarvan voor alles wijzen in de richting van een zuiver opbouwen van een verfijnen en tenslotte verdiepen van de oude toewijding.
In dit licht zijn het feit, dat in de hogere bourgeoisie tegenwoordig zoveel mannen en vrouwen ongehuwd blijven, en de talrijke verlovingsconflicten onzer dagen de droevige, maar ten slotte te aanvaarden keerzijde van dit dieper, waarachtiger en ernstiger gevoelsleven. In dit licht is het vragen van de vrouwen om volledige gelijkstelling niet de man in de rechten over haar kinderen, geen vraag om een ‘recht’, maar een terugkeer tot het meest elementaire bewustzijn van de inniger samenhang van het kind met de moeder dan met de vader bewustzijn, dat alleen door de invloed van de vele eeuwen van patriarchaat was verloren gegaan.
Want de maatschappelijke opvattingen van onze tijd staan nog enigszins, en ons recht staat nog voor een groot deel, in het teken van de patriarchale gezinsorganisatie, waarin vrouw en kinderen de ondergeschikten van de man en vader, van het ‘gezinshoofd’ zijn. Het meest onnatuurlijke hiervan de kinderen in de vaderlijke macht in plaats van in de moederlijke zorg [68] berust, evenals de gehele rechtsverhouding tussen man en vrouw, op de gedachte of juister het gevoel dat de man is degene die het gezin onderhoudt, die deel is van de maatschappij, die doorzicht heeft en inzicht in de belangen van de gemeenschap.
Op al deze punten beginnen de oude pijlers los te laten. Minder en minder is de moeder degene, die haar kinderen in de geest van haar heer en meester opvoedt. Integendeel: de moeders beginnen zich ook in kringen die allerminst verband houden met het theoretische feminisme zeer positief te uiten als de eigenlijke opvoedsters, de eigenlijk begrijpende voor haar kinderen. Na lange eeuwen van min of meer duidelijk patriarchaat begint er weer iets van een ‘moederrecht’ gevoeld te worden.
Misschien lijkt het soms, alsof wat vroeger zo eenvoudig en vanzelf was de zorg van de moeder voor haar kind thans zo gecompliceerd en omslachtig is geworden. Ten dele is dat ook wel zo maar dan is het ook niet meer dan het dóórtrekken van de ontwikkeling, dat in iedere hogere levensvorm de opvoeding minder eenvoudig, minder natuurlijk, minder vanzelf wordt. Het feit, dat onze opvoeding, ons gehele leven, vol is van complicaties die de dieren van het veld en de wilden in de wouden niet kennen, het is de keerzijde van ons mens-zijn. En ook hier herstelt zich alles: wat bewust was keert terug tot onbewustheid, wat moederinstinct was blijft, en wordt, langs de omweg van denken en strijd, zielenleven; en menig vrouwenleven van onze tijd, dat zo disparaat en onsamenhangend scheen te beginnen, is in rust geëindigd. Geen vrees behoeft onze tijd te hebben, dat anders dan in individuele gevallen en als kenteringsverschijnsel de moeder haar innerlijke onberedeneerde intuïtie verliezen zal.
Er zijn nog andere verschijnselen. Meer alomvattende dan vroeger wordt de band tussen moeder en kind begrepen, veel minder dan vroeger wordt het kind overgelaten aan anderen, aan vreemden, aan ondergeschikten.
Veel minder dan vroeger is de opvoeding dogmatisch, veel minder volgt zij een bepaald schema van geboden en verboden, veel meer tracht zij vóór alles een sfeer rond het kind te scheppen waarin dit zich zuiver en goed ontwikkelen kan.
Tenslotte: langduriger wordt de opvoeding, wordt het directe contact tussen moeder en kind. Meer en meer zoeken de moeders ook nog geestelijk te delen in de belangen en gedachten van de volwassen of bijna volwassen kinderen. Niet dat dit steeds en overal vereist, dat de moeder zelf intellectueel ontwikkeld zij er zijn voorbeelden genoeg van het tegendeel; maar in hoeveel enkele gevallen tact en moederliefde ook in de plaats van ontwikkeling hebben mogen treden waar dit uitbreiden van de opvoeding algeméén verschijnsel wordt, daar brengt het vanzelf mee, dat de moeders als zodanig in meerdere mate met de wereld daarbuiten voeling behouden. Zo lijkt het gezinsleven en het moederschap zich niet te socialiseren, eerder te individualiseren, maar zeer zeker te vernieuwen, en wel op een wijze, die aan de ene kant vanzelf een sterker aandeel in de maatschappij, aan de andere een persoonlijke verdieping meebrengt en vereist.
Waar in de huishouding van de burgerklassen langzamerhand een wijziging is ingetreden, die de vrouw een deel van de feitelijke handenarbeid ontnam, en in de arbeidersklassen een soortgelijke ontwikkeling wellicht aan het beginnen is daar is daartegenover haar beschavingstaak sterk toegenomen. Een taak, die zich misschien het best laat samenvatten als het omvormen van de algemeen (cultuur daarbuiten tot een innerlijk eigendom, dat in haar persoonlijke verhoudingen, in haar gezin, verwarmt, verlevendigt en verrijkt, en omgekeerd als het verpersoonlijken van de soms abstracte en geschematiseerde wereld daarbuiten kortom als het zijn van wat Helene Lange noemt ‘Vermittlerin persönlicher Kultur.’
Iedere wijziging aan de lichtzijden van de cultuur openbaart zich ook aan haar keerzijde. Hoe spiegelde zich de veranderde plaats van de vrouw in criminaliteit en onzedelijkheid? Welke uitwerkingen had hier de toenemende beroepsarbeid van de vrouw en haar toenemende invloed op de maatschappelijke en zedelijke opvattingen?
In haar criminaliteit kwam géén stijging, ondanks de vroeger uitgesproken verwachtingen, dat het grote verschil tussen mannelijke en vrouwelijke criminaliteit zou verminderen. Haar criminaliteit zou toenemen, bij meerdere aandeel van de vrouw in de maatschappij daarbuiten. Omstreeks dezelfde jaren (1889-1909) dat het percentage beroepuitoefenende vrouwen van 15,5% tot 18,3% [69] steeg, daalde het percentage dat de criminele vrouwen onder alle misdadigers vormen, met lichte schommelingen van 10,4% tot 8,4% [70]; wèl een aanwijzing, dat de zo zeer geringe criminaliteit van de vrouw in verhouding tot die van de man hoofdzakelijk op andere oorzaken berust dan haar rustiger leven in het gezin, dat met toeneming van vrouwenarbeid géén stijging van vrouwencriminaliteit te verwachten is, en in het algemeen, dat de loop van de criminaliteit niet alleen door maatschappelijke factoren bepaald wordt.
Het vraagstuk zelf van de vrouwelijke criminaliteit, van de oorzaken en het karakter daarvan, van de misdrijven waaraan zij zich méér, en die waaraan zij zich minder schuldig maken dan mannen, van het verband tussen misdrijf en prostitutie, van de biologische en sociale factoren waardoor de vrouwelijke criminaliteit bepaald wordt dat alles ligt hier buiten ons bestek. Maar wèl is het voor de tegenstelling 1813-1913 tekenend, dat dit alles thans tot het vraagstuk van de vrouwelijke misdadigheid behoort; dat in de plaats van het bijna uitsluitend afschrikkend werkende, maar tegelijk verbitterende en ruwmakende strafstelsel van het begin van de 19e eeuw is getreden een wetenschappelijk onderzoeken van de oorzaken van de criminaliteit en van de middelen om haar te voorkómen of te verzachten, dat naast de straffen de veiligheidsmaatregelen en de opvoedingsmaatregel zijn getreden, en het strafstelsel zelf een iets meer voorbehoedend karakter heeft gekregen; dat in het algemeen het begrip van de menswaardigheid ook van de misdadige mens in de laatste eeuw sterk is verdiept.
En hiermee heeft zich ook de taak van de niet-criminele vrouw ten opzichte van de criminaliteit gewijzigd. In het begin van de 19e eeuw kan van zodanige taak anders dan op uiterst primitieve wijze nog bijna niet worden gesproken. Thans, met de ingrijpende veranderingen in de criminele politiek, met het sterk voorzorgend karakter dat deze gekregen heeft, met de bijzondere aandacht die aan verwaarloosde en criminele kinderen geschonken wordt, is er hier een duidelijke taak voor de vrouw; een taak, die ook meer en meer door haar begint te worden aanvaard zowel op wetenschappelijk gebied als in de advocatuur, in het maatschappelijk reclasseringswerk en langzamerhand ook als ambtenares die met voorzorgend en reclasserend werk belast is (politieassistente en dergelijke).
Op enkele uitzonderingen na men denke aan de ‘rauenforderungen zur deutschen Strafrechtsreformen’ enige wetenschappelijke opposities tegen Lombroso’s theorieën over vrouwelijke misdadigheid heeft zich echter de georganiseerde vrouwenbeweging tamelijk weinig met strafrechtsvraagstukken, ook niet met die welke meer bepaald de vrouwelijke criminaliteit betreffen, beziggehouden. Begrijpelijkerwijze, omdat de belangrijkste wijzigingen op dit gebied door de algemene wijzigingen in de opvattingen omtrent criminaliteit en straf zijn meegebracht, en het vraagstuk van de bijzondere aard van de vrouwelijke criminaliteit zelf en de oorzaken daarvan (wel een vraagstuk, dat als onderdeel van het wetenschappelijk vrouwenvraagstuk van groot belang is) niet zo wijde kringen van mensen raakt, dat het tot nog toe de vrouwenbeweging grote aandacht kon trekken. Daarentegen heeft de georganiseerde vrouwenbeweging haar eerste dagen af zich de vraagstukken van de openbare zedelijkheid aangetrokken, ja soms die vooropgezet in de oplossing die een maatschappij hiervan gaf een symbool ziende van de minachting of hoogachting die maatschappij voor de vrouw gevoelde, en in de dubbele moraal, zoals die wettelijk gehuldigd was in de reglementering van de prostitutie en het verbod van onderzoek het vaderschap, en maatschappelijk nog veel diepere sporen naliet, een teken van een nog bestaande ‘slavernij van de vrouw.’
Sedert zijn ten onzent de beide wettelijke toepassingen dubbele moraal verdwenen met uitzondering van beperkt karakter van de verplichting van de natuurlijke vader. [71]
De geschiedenis van de reglementering beslaat ten onzent juist de 19e eeuw en het begin van de 20ste. Zij werd door de Franse ambtenaren ingevoerd, en na hun vertrek langzamerhand door de meeste grotere gemeenten ingesteld, vooral tussen he