Willy Van Wichelen

Loon, prijs en winst

Marx en het klassieke probleem der productieprijzen


Bron: Toestanden, Socialistisch theoretisch tijdschrift, jaargang 3, nr. 9, april 1983
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Het Kapitaal
Het laatkapitalisme

Selbst bei Philosophen, die ihren Arbeiten eine systematische Form gegeben, f.i. Spinoza, ist ja der wirkliche innere Bau seines Systems ganz verschieden von der Form, in der er von ihm bewußt dargestellt war.”
Marx aan Lassalle, 31/5/1858

(...) from no source do so many errors and so much difference in opinion in that science proceed, as from the vague ideas which are attached to the word value
David Ricardo, Principles...

I

Alhoewel de strikte en algemene behandeling van ons onderwerp noties van matrix-algebra i.h.a. en kennis van enkele theorema’s ervan ihb. vooronderstelt,[1] kunnen alle conclusies die we van belang achten, verduidelijkt worden a.d.h.v. elementaire numerieke voorbeelden. Wie belang stelt in “the ways of the mind” en inzonderheid in Marx’ gevecht met de wiskunde – cfr. de recente belangstelling voor zijn Wiskundige Cahiers – zal wellicht weten, dat matrix-algebra een product van de late XIXe eeuw is, dat pas met de ontwikkeling van de kwantummechanica begin deze eeuw het louter speculatieve stadium ontgroeid is. Het kan de man (1818-1883) dan ook bezwaarlijk aangewreven worden, dat hij dit inderdaad voortreffelijk instrument onbenut gelaten heeft.

Welke omstandigheden er ook aangehaald worden om het onvoltooide karakter van zijn levenswerk te verklaren, feit is dat zijn economische theorie geen inhoudelijke preciseringen meer ondergaan heeft na het op punt stellen van zijn theorie over de absolute grondrente in 1862.[2] Op 18 juni van dat jaar laat hij Engels weten, dat zijn “misgivings” t.a.v. Ricardo’s loochening van een absolute grondrente bewaarheid zijn geworden en dat hij “de zwendel” eindelijk door heeft. We rekenen uit dat Marx toen 44 jaar was en nog één derde van zijn levenstocht voor de boeg had. Waren nu de bezwaren die hij zelf passim (zie verder) tegen zijn bepaling van de winstvoet en productieprijzen geformuleerd had van aard geweest om bij hem kwalitatieve twijfels op te roepen nopens zijn methode om genoemde grootheden uit waarde- en uitbuitingsgegevens af te leiden, dan had hij nog ampel de tijd gehad (en voor zoiets maakt men toch tijd) om a.d.h.v. toen wel toegankelijke en elementaire wiskundige technieken tot een meer bevredigende oplossing te komen.

Met de hem kenmerkende hybris schreef Marx zijn vriend Engels reeds in 1851 vanuit zijn Londense ballingschap, dat “de politieke economie hem op de zenuwen begint te werken” en dat hij nog maar een week of vijf nodig had om “achter die rotzooi een punt te zetten” (2 april 1851). Het is echter pas aanzienlijk later, nadat hij in 1858 “by mere accident” nog eens Hegels Logica doorbladerd had, dat hij zijn ongeduld kon luchten om in één beweging de limieten van de burgerlijke politieke economie en haar noodzakelijke degeneratie tot “vulgaire economie zoniet apologie tout cour aan te tonen, én zijn eigen conceptueel apparaat gaandeweg op punt te stellen. Dat Marx danig opgezet was met dat onverhoopte middel, dat hem toeliet de onderlinge verhoudingen tussen “wezen” en “verschijningsvorm” te hanteren als basiscategorie van zijn methodologische kritiek op de politieke economie in haar geheel, mag alleen al blijken uit de inleidende zin van zijn Theorien über den Mehrwert: “Alle economisten hebben de fout gemeen, dat ze de meerwaarde niet louter als dusdanig beschouwen, maar in de bijzondere vormen van winst en rente.”[3] Daarmee waren voor Marx blijkbaar alle methodologische problemen van de baan, en “moest hij (Das Kapital) alleen nog maar schrijven”.[4]

We kunnen alleen maar gissen hoe gruwelijk Marx de aantijging zou gevonden hebben, primo dat hij zijn eigen methode onderweg aan zijn laars lapt en net één mediatie tekort schiet om tot een correcte afleiding van winstvoet en productieprijzen uit waardegegevens (organische samenstelling van het kapitaal en uitbuitingsgraad) te komen en secundo, hoe belangrijk zijn waardetheorie ook kan zijn voor de dissectie van de burgerlijke samenleving, ze voor dat éne specifieke doel, nl. het berekenen van algemene winstvoet en de overeenkomstige productieprijzen volstrekt overbodig is. Zou het “gevaarlijkste projectiel dat ooit naar de kop der bourgeois (grootgrondbezitters inbegrepen) is geslingerd geworden” (brief aan Becker van 17 april 1867) onderweg aan impetus ingeboet hebben?

Meningen over “Marx en de wiskunde” willen wel eens divergeren[5] en we kunnen prof. Morishima slechts ten dele volgen als hij in een recente publicatie schrijft: “Er bestaan twee types van wiskundige economisten: diegenen die economische problemen doen kaderen met de bestaande wiskunde en diegenen die de wiskunde willen verruimen om aan de noden van de economische theorie te voldoen. Ondanks hun gering wiskundig arsenaal, hebben we reden om Marx en Walras in de tweede categorie te plaatsen.”[6] We durven niet beweren, dat Marx in enig opzicht de nood ervaren heeft om de wiskunde van zijn tijd te verruimen, maar wel dat zijn conceptueel kader zulk een verruiming, met name de uitbouw van de matrixtheorie, noodzakelijk maakte. In dit verband mag nog eens op de (toegegeven) schuld van de ontwerper van de input-output methodologie aan Marx-Ouesnay gewezen worden.

Laten we overigens duidelijk stellen, dat we van de algebra geen wonderen verwachten: hij kan slechts het onschuldige vehikel zijn dat onder bepaalde voorwaarden van kwantificeerbaarheid in alle onafhankelijkheid uitgestippelde redeneringen codifieert, zonder ze te leiden of de conceptuele scherpte ervan te waarborgen.[7] Het kortstondige succes van de “neoneoklassieke” virtuositeitjes op het vlak van de kapitaaltheorie[8] kunnen gelden als een negatieve bevestiging hiervan.

Laat ons tenslotte ook niet de ene demon met de andere uitdrijven: Marx en zijn “Kapitaal” hoeven niet per se ontoegankelijk te zijn voor de “leek” en de soms met weinig discretie aangewende charme van een zekere dialectiek[9] mag diezelfde leek er niet blijven van weerhouden Das Kapital te lezen en vooral, getoetst aan de eigentijdse zowel theoretische als feitelijke ontwikkelingen, te interpreteren.

II

Het vorige Marx-jaar 1967: 100 jaar Das Kapital - ligt bij sommigen nog vers in het geheugen. Al naargelang de manier waarop men tegen de evenementen aanblikt, zal men vinden dat er ondertussen – ook op het vlak van de theorievorming – heel wat bewogen is, of dat er per definitie (d.i. sinds Marx) niets nieuws onder de zon te bespeuren valt. Wat onze invalshoek in die Marx-problematiek betreft, kunnen we tweeërlei constateren.

1. Alhoewel zwaar-academisch getint, heeft de belangstelling voor Marx en de zijnen een ongehoorde verruiming ondergaan zowel inzake publiek als op het vlak van de vorsing. Marx heeft zich in de universiteiten geïnstalleerd. Getuige daarvan (lukraak) de bekering van de walrasiaan Morishima en het (strategisch?) terugkrabbelen van de onvolprezen Nobelprijswinnaar Samuelson. Voor beide professoren is dit proces parallel met hun effectieve kennismaking met Marx’ economische theorie verlopen. Waar vroeger middels het handigheidje:

“- Marx’ arbeidswaardetheorie (en bijgevolg zijn uitbuitingstheorie) is gebaseerd op de klassieke (ricardiaanse) waardetheorie,

- Welnu, die klassieke waardetheorie is fout,[10]

- Dus is de grondslag van Marx’ economische theorie ook fout”

in het verdomhoekje van het hoofdstuk “Geschiedenis der Economische Leerstelsels” opgeborgen werd, heeft dit syllogisme veel aan doeltreffendheid ingeboet. Marx-de-economist wordt (terug) gelezen.

2. Die lectuur is er evenwel geen onschuldige. Waar een eerste golf van Marx lectuur culmineerde enerzijds in exegetische werken genre Hilferding. Rubin, Petry[11] en anderzijds in onkritische voortzetting van resp. deelkritiek op de theorie van Das Kapital (Kautsky, Luxemburg, Grossmann, etc.), beleven we vandaag van de orthodoxe (neoklassieke) theorie[12] en de correlatief hernieuwde (en evenmin onschuldige) belangstelling voor de klassieke economisten, inzonderheid Ricardo. Marx wordt min of meer grondig opnieuw geïnterpreteerd en wel in het licht van de nieuwe ontwikkelingen op theoretisch vlak.[13]

In zulk een conjunctuur kunnen we niets anders dan ons aansluiten bij het precies naar aanleiding van de vorige Marx plechtigheid geformuleerde gezegde van Alfred Schmidt, dat elke Marx exegese in twee etappen dient te geschieden: een eerste, nog steeds onontbeerlijke etappe van louter filologisch werk (“Wat Marx werkelijk geschreven heeft”). Wat minder waar begint te worden voor het eerste en passim tweede en derde boek van Das Kapital, geldt immers onverminderd voor het vierde – de Theorien über den Mehrwert –, nog eens een dikke duizend bladzijden: het is amper gelezen geworden, oppervlakkig vertaald (en dan soms nog gebaseerd op de aanvankelijke, omgewoelde versie van de Kautsky uitgave) en dikwijls arbitrair aangehaald. Voorbeelden ad nauseam. En een tweede etappe, die betrekking heeft op probleemcomplexen “die als solche nur sichtbar werden, wenn die Interpretation ‘konstruierend’ über die Unmittelbarkeit der Texte hinausgeht.”[14]

Het lijkt ons vruchtbaar, het probleem dat ons aanbelangt – laat ons zeggen Marx’ Ricardo receptie als aanloop tot de polemiek die sinds von Bortkiewicz’ “zur Berechtigung der grundlegenden theoretischer Konstruktion von Marx im dritten Band des ‘Kapital’” (1907) “neoricardianen” en (“neo”)marxisten (en marxisten onderling) tegenover elkaar stelt – langs die richtlijnen te ontwikkelen. Vernoemde polemiek betreft tegelijkertijd zeer precieze en zeer algemene geschilpunten. Neoricardianen zullen de “klassieke” marxisten verwijten een foutieve verklaring te geven voor het tot stand komen van de algemene winstvoet en de rol van de zgn. luxegoederen in dit proces. Bovendien zullen ze hun voorbehoud hebben t.a.v. de “metafysische trekjes” in Marx’ waardetheorie, terwijl omgekeerd de marxisten de neoricardianen een volslagen ahistoricisme (met alle methodologische gevolgen die daar noodzakelijk schijnen uit voort te vloeien) zullen aanwrijven, dat o.m. blijkt uit de afwezigheid van het concept “productiewijze” in hun analyse en specifieker tot uiting komt in het uitblijven van een theorie nopens de oorsprong van de winst en correlatief in het feit dat “arbeid” niet als “abstracte arbeid” en onderscheiden van “arbeidskracht” ten tonele gevoerd wordt.[15]

Het spreekt vanzelf dat deze polemiek hier niet in al zijn schakeringen aan bod kan komen (belangrijker is trouwens het gemeenschappelijke afwijzen van de neoklassieke productie- en distributietheorie): we beperken ons tot de kritiek die Marx’ theorie van de verhouding waarden/productieprijzen van neoricardiaanse zijde is te beurt gevallen en onthouden ons uitdrukkelijk van een ook maar summiere behandeling van wat men Marx’ kwalitatieve waardetheorie is gaan noemen en die zich vertakt tot in de kennissociologie en de sociale psychologie.[16] Misschien heeft die dissociatie tussen kwalitatieve en kwantitatieve waardetheorie haar bedenkelijke kanten, maar het zijn nu eenmaal de formele aspecten van de discussie die ons hier interesseren. De eventuele redundantie van de waardegegevens t.a.v. kennis van de technologie en van de loonkorf houdt voor ons dan ook niet ipso facto een ongekwalificeerde afwijzing van Marx’ waardetheorie als een analytische overbelasting in.

Ook de “kennistheoretische” aspecten van de verhouding: (kritiek op de) politieke economie/historisch materialisme kunnen hier slechts tentatief aan bod komen. Als we de meest expliciete, maar daarom misschien niet minder misleidende elementen van “Selbstverständnis”[17] even opzij zetten is het niet zo eenvoudig om uit te maken of Marx zich t.o.v. de klassieke politieke economie[18] als haar uiteindelijke vervolmaker dan wel in radicale breuk ermee situeert. Beide standpunten kunnen van argumenten voorzien worden en hoeven elkaar eigenlijk niet uit te sluiten. Men zou kunnen argumenteren dat Marx zich – in zijn “kwalitatieve” waardeanalyse – ziet als “opheffer” van de klassieke politieke economie, juist doordat hij het verborgen object ervan blootlegt. “De economisten drukken de burgerlijke productieverhoudingen, de arbeidsdeling, het krediet, het geld, enz. als vaste, onveranderlijke, eeuwige categorieën uit. (...) De economisten verklaren ons hoe men in die gegeven verhoudingen produceert; maar ze verklaren ons niet hoe die verhoudingen zelf tot stand komen, ze geven geen verklaring voor de historische beweging die ze doet ontstaan.”[19] In dit opzicht kan er op een merkwaardige wisselwerking tussen historisch materialisme en kritiek op de politieke economie gewezen worden. Alhoewel Marx nergens in zijn ganse werk zijn theorie van het historisch materialisme als een afgerond en definitief geheel gepresenteerd heeft, kunnen we er toch van uitgaan dat ze in ieder geval qua methodologie (“als werkhypothese” dixit Lenin) antecedent is t.o.v. zijn fundamentele kritiek op de politieke economie. Waar nu uit de theorie van het historisch materialisme volgt, dat “de analyse van de burgerlijke samenleving in de politieke economie moet gezocht worden”,[20] zal Marx anderzijds claimen dat de ontcijfering van het “systeem van de politieke economie” (van de “sociale hiëroglief”) pas mogelijk gemaakt is door het voorafgaandelijk op punt stellen van de theorie van het historisch materialisme.

Als we bovendien Marx’ afbakening en omschrijving van de klassieke politieke economie[21] onderschrijven, zien we ons d’emblée geconfronteerd met een merkwaardige paradox op het vlak van de adaequatio rei et intellectus: de politieke economie (als poging tot wetenschappelijke verklaring van de burgerlijk-kapitalistische productieverhoudingen) heeft haar beste vertegenwoordigers gehad in de periode die de volle ontplooiing van haar eigen studieobject voorafgegaan is. De fysiocraten spanden zich in om het geheel van de Franse landbouw te modelleren op de maat van de Noord-Franse “fermes”.[22] Adam Smiths antimercantilistische bedenkingen over de “wealth of nations” verschijnen op het ogenblik dat de stoommachine qua industriële toepassing nog in statu nascendi verkeert. En het is pas in de laatste uitgave van zijn Principles... dat Ricardo een ietwat genuanceerde stelling inneemt t.a.v. de weerslag van de ontwikkeling van “machinery” op het lot van de arbeidersklasse. Met John Stuart Mill (Principles of Political Economy, 1848) is de theoretische verloedering reeds ingezet.[23]

Op die paradox ingaan zou betekenen de ambivalente houding ontleden van de burgerij t.o.v. de politieke economie, al naargelang ze opgevat wordt als min of meer cynisch instrument van zelfkennis of veeleer verwordt tot ideologie, tot “vals bewustzijn” met als objectieve functie het verdoezelen van het in wezen antagonistische karakter van de kapitalistische productiewijze. Deze ambivalentie heeft Marx herhaaldelijk op meesterlijke wijze beschreven, zonder evenwel een te staven verband tussen endogene oorzaken (de aan de in Ricardo culminerende waardetheorie inherente moeilijkheden) en de exogene oorzaken van de uiteindelijke aftakeling (progressieve vervanging van de polariteit grootgrondbezit/burgerij door die tussen loonarbeid en kapitaal) bloot te leggen.

Precies uit hoofde van die wezenlijke heterogeniteit tussen exogene en endogene determinanten, betwijfelen we ten zeerste de toepasbaarheid van Kuhns schema van de structuur der wetenschappelijke revoluties op de ontwikkeling van de politieke economie. Men merkt trouwens dat er volle twintig jaar verstreken zijn sinds het verschijnen van zijn ophefmakende boek. Zo kon hij toentertijd constateren “dat de economisten minder dan de vertegenwoordigers van andere sociale wetenschappen over de vraag debatteren, of hun discipline nu een wetenschap is.” En hij vroeg zich vertederend af “of dit nu komt omdat ze het erover eens zijn wat wetenschap is? Of veeleer omdat ze het eens zijn over wat economie is?”[24] Kuhns aanhangers zullen zo’n omwenteling veelal in de ’70er jaren van vorige eeuw situeren, daar waar de term “contrarevolutie” in die context meer op zijn plaats zou zijn.[25]

III

Wat de hoger aangehaalde suggestie van exegese in twee etappen – filologie en constructie op het gebied van de studie van de marxiaanse “Selbstverständnis” via zijn Ricardo lectuur van meet af aan bemoeilijkt, is het feit dat Marx primo slechts zeer selectief toegang gehad heeft tot Ricardo’s werk en hem bijgevolg een aantal klemtoonverschuivingen ontgaan zijn, die precies de aard van Ricardo’s basisproblematiek illustreren, en hij secundo hoe dan ook Ricardo a.h.w. “par problème interposé” leest. Marx’ reconstructie van Ricardo moet het m.a.w. zonder een aantal elementaire bouwstenen stellen en bovendien is het geval Ricardo slechts de meest pregnante illustratie van Marx’ (al dan niet gerechtvaardigde) neiging om “alle bisherige Ökonomie” te beschouwen als een om bepaalde kennissociologische redenen tot relatief falen gedoemde poging om zijn conceptueel apparaat uit te bouwen.

Om te beginnen valt filologisch na te gaan, wat Marx van Ricardo niet gelezen heeft. (Een plausibel criterium hiervoor is de overweging, dat iedere grondige lectuur bij Marx aanleiding gaf tot een kritische literaire neerslag.) Daartoe behoren uiteraard de slechts tijdens de eerste helft van deze eeuw (her)ontdekte correspondentie met James Mill en het notoire (onvoltooide) opstel, dat Ricardo gedurende de laatste weken van zijn bestaan aan de hem achtervolgende verhouding tussen “Absolute Value and Exchangeable Value”[26] gewijd heeft. Daartoe behoort evenwel ook[27] het Essay on the Influence of a Low Price of Corn on the Profits of Stock, etc.,[28] dat nochtans van fundamenteel belang is voor het begrijpen van de ontwikkeling van Ricardo’s problematiek, met name voor de interpretatie van de Principles...

Vervolgens dient geconstateerd wat Marx over het hoofd gezien heeft: alhoewel hij herhaaldelijk uithaalt tegen de “sonderbare Architektonik” van de Principles[29] en hij de drie verschillende uitgaven blijkt geraadpleegd te hebben, rept hij met geen woord over de herhaalde en substantiële wijzigingen die precies in het eerste hoofdstuk (“On Value”) zijn aangebracht geworden,[30] laat staan over de eventuele motieven die de auteur tot die wijzigingen aangezet hebben.

Last but not least leest Marx bij Ricardo systematisch meer dan wat er staat, of omgekeerd, constateert hij leemten waar hij ontwikkelingen zou willen zien. Zo wil Marx Ricardo enerzijds hardnekkig naast een winstbegrip een (uiteraard gebrekkige) meerwaardetheorie toeschrijven;[31] anderzijds stoort het hem dat Ricardo in zijn hoofdstuk “On Value” van meet af aan de determinanten van de veralgemeende, d.i. kapitalistische koopwarenproductie introduceert. “Men ziet dus, dat in dit eerste hoofdstuk niet enkel waren verondersteld worden (zoals Marx in Das Kapital doet, V.W.) – en wanneer de waarde als dusdanig beschouwd wordt hoeft er verder niets verondersteld te worden –, maar ook arbeidsloon, kapitaal, winst, zelfs een algemene winstvoet (...), de verschillende vormen van kapitaal zoals ze uit het circulatieproces resulteren, alsook het onderscheid tussen ‘natuurlijke en marktprijs’,...”[32]

Waar nu kan gezegd worden, dat Marx’ waardetheorie logisch antecedent is t.o.v. en sociohistorisch een uitgestrekter toepassingsveld heeft dan zijn meerwaardetheorie, is Ricardo’s waardetheorie louter instrumenteel voor het bepalen van de uniforme winstvoet en de evolutie ervan. Men zal zich herinneren, dat Ricardo’s hoofdbekommernis de in het voorwoord op zijn “Principles...” aangekondigde studie van de ontwikkeling van de drie grote maatschappelijke titels van inkomen was[33], waarbij hij een centrale plaats toekende aan de dynamiek van de winstvoet. Het probleem van de kwantitatieve bepaling van de winstvoet heeft Ricardo in twee fasen aangepakt: eerst in zijn “Essay...” van 1815 en vervolgens in de drie uitgaven van zijn “Principles...” (1817-1821).

Aan de basis van Ricardo’s redenering in het “Essay...” ligt de gedachte, dat gezien de veronderstelling van perfecte concurrentie, de ontwikkeling van de winstvoet in de op kapitalistische wijze bedreven landbouw bepalend is voor de ontwikkeling van de uniforme winstvoet van het ganse systeem. Vanwaar nu die preferentiële behandeling van de landbouw? Ricardo gaat er impliciet van uit dat de landbouw de enige sector is waarvan simplificerend maar plausibel kan verondersteld worden, dat er een homogeniteit heerst tussen input en output, dat m.a.w. de materiële samenstelling van het kapitaal (zaaigoed en voedsel voor de onmiddellijke producenten) identiek is aan het voortgebrachte product en de winstvoet bijgevolg als (onbenoemde) verhouding lussen productie excedent en aangewend kapitaal rechtstreeks als een verhouding tussen fysiek identieke en enkel kwantitatief verschillende grootheden, d.i. zonder tussenkomst van de vooralsnog onbekende prijzen kan uitgedrukt worden. Het spel van de concurrentie (flux en reflux van kapitaal in functie van schommelende winstverwachtingen) staat er dan verder voor in, dat die winstvoet zich min of meer snel over de ganse economie veralgemeent...

Nu dient gezegd dat Ricardo die stelling nooit met zoveel woorden geformuleerd heeft, tenzij misschien in verloren gegane correspondentie. Dat hij – tijdelijk althans – zulk een bepaling van de winstvoet op het oog had, wordt sterk gesuggereerd door:

- zijn mededeling aan James Mill (“Ik weet dat ik spoedig door het woord “prijs” zal opgehouden worden.”) van eind 1815, d.i. op het ogenblik dat hij reeds aan een herwerking en uitbreiding van zijn “Essay...” begonnen was. Hieruit kan men afleiden, dat hij zijn oorspronkelijke poging om de winstvoet zonder bemiddeling van het prijzensysteem te bepalen, opgegeven had;

- het feit, dat in het “Essay...” het kapitaal van de farmers uitsluitend in koren uitgedrukt is (wat bij ontstentenis van een prijzentheorie eerder op een homogeniteit de facto dan op een herleiding tot een standaardmaat wijst.);

- de repliek van Malthus hetzij op Ricardo’s verdwenen nota’s over “profits of Capital” van 1814, hetzij op een verbale mededeling. In augustus van hetzelfde jaar schrijft Malthus immers: “Er bestaat geen enkel geval van productie waarbij de voortbrengst exact van dezelfde aard is als het voorgeschoten kapitaal. Bijgevolg kan er nooit met recht van een materiële winstvoet gesproken worden.”;

- een brief, eveneens uit 1814, waarin zijn klassiek geworden uitspraak voorkomt: “De winst- en intrestvoet moet afhankelijk zijn van de verhouding tussen de voortbrengst en de consumptie die voor die voortbrengst noodzakelijk is.”[34]

Sraffa synthetiseert die hypothetische vooronderstelling en gedachtegang als volgt: “Het is duidelijk, dat er slechts één bedrijfstak in de bijzondere positie kan verkeren, waarin hij geen producten uit andere bedrijfstakken moet gebruiken, terwijl alle andere zijn product als kapitaal moeten aanwenden. Hieruit volgt dat, als er in alle bedrijfstakken een uniforme winstvoet moet heersen, het de ruilwaarde van de producten der andere bedrijfstakken zijn die t.o.v. hun eigen kapitaal (d.i. koren) zodanig moet aangepast worden, dat er dezelfde winstvoet bekomen wordt als bij de voortbrengst van koren.”[35]

Ricardo zal uiteindelijk zwichten voor Malthus’ verhaal, volgens hetwelk “de winsten in de landbouw niet meer de winsten in alle andere bedrijfstakken regelen, dan de winsten in andere bedrijfstakken de winsten in de landbouw regelen.”, om zich in de laborieuze herwerkingen van de Principles... en in zijn opstel On Absolute Value and Exchangeable Value op de interrelaties tussen algemene winstvoet en de onderscheiden “exchangeable values” toe te leggen.[36][37]

IV

Om de gedachten te vestigen, zouden we het volgende dubbele quid pro quo tussen ricardianen en marxisten kunnen formuleren:

1. Marx geeft een (gebrekkige) oplossing voor een probleem, dat bij Ricardo in die termen niet aanwezig is.

2. Daarentegen zoekt Ricardo naar de oplossing van een probleem, dat voor Marx onbestaande resp. irrelevant is. (“A blind man in a dark room looking fora black cat that isn’t there.”)

Alhoewel nauw met elkaar verband, zijn beide problemen (resp. oplossingen) niet volstrekt in elkaars termen te vertalen.

Het probleem van Marx: het tot stand komen van een gemiddelde winstvoet uit oorspronkelijk intersectorieel zeer verschillende winstvoeten, middels de overgang van waarden naar productieprijzen. Het probleem van Ricardo: zonder een onderscheid tussen waarden en productieprijzen te postuleren, vermoedt Ricardo een differentiële invloed op de “relative values” (lees: productieprijzen) die t.g.v. de onderscheiden “durabilities” (lees: organische samenstelling) van de verschillende concurrerende kapitalen door een verandering in de “value of labour” (lees: het algemene loonpeil) uitgeoefend worden. Vandaar zijn (vergeefse) pogingen tot identificeren resp. construeren van een koopwaar, waarvan de ruilwaarde én onafhankelijk is van de distributie tussen lonen en winsten én niet onderhevig is aan wisselende productievoorwaarden. Een meer Ricardo vriendelijke formulering van het probleem (waarbij tevens elementen voor een Marx kritiek aangevoerd worden) zou de volgende kunnen zijn: het niveau van de winstvoet is (mede)bepalend voor dat van de “relative values” (in die zin dat iedere specifieke winstvoet een bepaalde set “relative values” determineert); anderzijds is kennis van die “relative values” noodzakelijk voor het bepalen van de winstvoet, aangezien die zelf een verhouding tussen “relative values” weergeeft. Bestaat er nu primo een operatie die toelaat uno actu gemiddelde winstvoet én “relative values” vast te leggen?

Nu loopt iedere kandidaat-waardemeter (die in Ricardo’s universum noodzakelijkerwijze zelf waarde moet hebben en bijgevolg koopwaar moet zijn) bovendien het gevaar door twee soorten wijzigingen inoperant te worden: door wijzigingen in zijn eigen productievoorwaarden en door wijzigingen in de distributie van het nationaal inkomen tussen lonen en winsten, waardoor telkens een andere winstvoet gedetermineerd wordt. Bestaat er nu secundo een koopwaar die door vernoemde wijzigingen niet geaffecteerd wordt; bestaat er m.a.w. een waar die altijd onder dezelfde technologische omstandigheden vervaardigd wordt en waarvoor de inputs dermate geconstitueerd zijn, dat elke wijziging in de distributie de som van hun “relative values” ongemoeid laat? Of, als zo’n koopwaar niet aan te treffen is, is ze dan minstens concipieerbaar?[38]

Hoe moet anders - nog steeds in Ricardo’s universum - bij afwezigheid van zo’n koopwaar, uitgemaakt worden in welke mate een wijziging in de distributie zich op de relative values repercuteert als de maatstaf zelf volgens een niet onmiddellijk vastlegbaar patroon aan kwantitatieve wijzigingen blootstaat? Of, in Sraffa’s woorden: “Voor (Ricardo) was het ‘hoofdprobleem der politieke economie’ de verdeling van het nationaal product tussen klassen en in de loop van dat onderzoek kreeg hij moeite met het feit dat de omvang van dat product lijkt te veranderen wanneer de verdeling verandert. Alhoewel er niets gebeurd was van aard om de grootte van het aggregaat te veranderen, kunnen zich schijnbaar veranderingen voordoen die enkel te wijten zijn aan een wijziging in de meting, doordat die meting in waardetermen geschiedt en de relatieve waarden gewijzigd zijn ingevolge een verandering in de verdeling tussen lonen en winsten.”[39]

So far, so good. Ricardo zit met een probleem dat hem tot aan zijn graf zal achtervolgen en dat Marx luchtig als een ordinaire kwadratuur van de cirkel afdoet. In de Theorien... gunt hij het probleem nog een paar bedenkingen, om des te beter zijn eigen alternatief te formuleren. “Het probleem van een ‘onveranderlijke waardemaatstaf’ was inderdaad slechts een verkeerde uitdrukking voor het uitvissen van het concept ‘waarde’ zelf, waarvan de bepaling niet op haar beurt een waarde kan zijn en dus ook niet als waarde aan veranderingen onderworpen. Dit was de arbeidstijd – de maatschappelijke arbeid, zoals die zich specifiek in de koopwarenproductie voordoet. Een arbeidskwantum heeft geen waarde, is geen waar, maar dat is datgene, wat de waren in waarden omvormt, hun eenheid, waarin ze kwalitatief gelijk zijn en slechts (! V.W.) kwantitatief verschillen.”[40] Hij verwijt Ricardo trouwens voortdurend zijn obsessie voor het kwantitatieve. “(Doordat Ricardo de bepaling van de waardegrootte als de beslissende opgave ziet, heeft hij niet begrepen, (...) dat de individuele arbeid zich als abstract algemene en in de vorm van maatschappelijke arbeid moet voordoen. Het verband tussen de geldvorming en het wezen der waarde en de bepaling ervan door arbeidstijd heeft hij bijgevolg niet begrepen.”

Nu kan er geargumenteerd worden over het respectieve gewicht van Ricardo’s probleem en Marx’ oplossing. Dat neemt niet weg, dat Ricardo in zijn moeizaam herwerkte eerste hoofdstuk On Value, anticiperend en onrechtstreeks, een kwestie aanraakt (nl. de noodzaak van simultane bepaling van “waarden” en algemene winstvoet), die het zopas door Marx langs de deur buitengeleide probleem van de onveranderlijke waardemaatstaf langs het venster opnieuw introduceert in de gedaante van het probleem van de correcte oplossing van de transformatie van waarden in productieprijzen.

Recente pogingen tot correcte oplossing van het transformatieprobleem a.d.h.v. het instrumentarium door Sraffa ontworpen voor het oplossen van een als Ricardo’s subprobleem geïsoleerd vraagstuk (de standaardwaar), bieden slechts een niet-ontvankelijke schijnoplossing[42] voor een schijnprobleem. Doordat Marx, die zichzelf nochtans op dat punt in de eerbiedwaardige traditie van Quesnay situeert, zijn reproductietheorie (boek II van Das Kapital), ondergeschikt maakt aan zijn waardetheorie (boek I) – i.p.v. omgekeerd tewerk te gaan – meent hij immers de evenwichtsprijzen [= (re)productieprijzen] te moeten afleiden uit de waarde-“gegevens”, terwijl de evidente procedure een onderling onafhankelijke (alhoewel in elkaars termen vertaalbare) afleiding inhoudt van zowel prijs- als waardestructuur uit de reproductiestructuur van de maatschappelijke rijkdom (inclusief die van de arbeidskracht)[43]

Men weet dat Marx een andere weg bewandeld heeft om uiteindelijk te komen tot een voor zijn systeem fundamenteel onderscheid tussen waarde en productieprijs in de zin van een eenrichtingsverkeer van waarde via gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal[44] en uniforme uitbuitingsgraad[45] naar algemene winstvoet en, van die kennis verzekerd, via afwijking tussen sectoriële en gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal naar overeenkomstige afwijking tussen productieprijs en waarde:

r = e/1 + k       ;       pi = (ci + vi) (1 + r)[46]

V

Als we vertrekken vanuit de problematiek van de logische samenhang tussen de drie boeken van Das Kapital, zouden we - “construerend” - de onderscheiden titels ervan (resp. het productie- en circulatieproces van het kapitaal en het globale proces van de kapitalistische productie) kunnen beschrijven als

1. uitbuiting (ondanks equivalentenruil, “het kapitaal in het algemeen” in de taal van de Grundrisse... het kapitaal “als dwang tot meerarbeid”, of in de formulering van de “Resultate des unmittelbaren Produktionsprozesses”: de “formele onderschikking (“Subsumption”) aan het kapitaal”:

2. reproductie

3. concurrentie (de “vele kapitalen” uit de Grundrisse..., de “specifiek-kapitalistische productiewijze” uit de Resultate...[47]

Het tweede boek zou dan vanuit dit standpunt te herinterpreteren zijn als de studie van de meest algemene aspecten van de reproductie van de maatschappelijke rijkdom überhaupt, afgezien van iedere specifiëring inzake productieverhoudingen: kwantitatieve verhoudingen tussen de onderscheiden productietakken, verhouding productieve consumptie/onproductieve consumptie – accumulatie, weerslag van sectoriële productiviteitsveranderingen, enz., kortom, het soort problemen waarmee men ook geconfronteerd wordt in een principieel doorzichtige, postkapitalistische maatschappij, waarin de politieke economie zelf (bij gebrek aan object) tot sociale technologie (Marx) zou verschrompeld zijn.

Men kent de peripetieën van de reproductieschema’s uit het tweede boek: ze zijn aangewend geworden om diametraal tegengestelde prognoses te staven mbt. de ontwikkeling van de kapitalistische wereldmarkt (onbeperkte en wrijvingsloze longevità, imminente ineenstorting), al naargelang de verhoudingen die men tussen de constitutieve elementen ingebouwd had. Marx’ analyse van de reproductie van de maatschappelijke rijkdom onder kapitalistische voorwaarden is ontoereikend om de specificiteit van het kapitalisme als productiewijze te funderen en biedt eo ipso geen voldoende vertrekbasis om de ontwikkelingsmodaliteiten ervan bloot te leggen. De onmogelijkheid om de historisch concrete ontwikkeling van die productiewijze te herleiden tot de geprefabriceerde dynamiek van de reproductieschema’s is niets anders dan de onmogelijkheid om twee onderscheiden analytische niveaus met elkaar te verzoenen: dat van de algemene karakteristieken van de reproductie van de maatschappelijke rijkdom en dat van de specifieke accumulatiemodaliteiten van het kapitaal. De reproductie van de maatschappelijke rijkdom is de onvoorwaardelijke premis voor de accumulatie van het kapitaal, maar omgekeerd is de problematiek van het accumulatieproces geenszins te herleiden tot die van de reproductie van de maatschappelijke rijkdom of evenmin a.d.h.v. dezelfde categorieën te ontleden. Binnen bepaalde limieten dient dus een relatieve autonomie gerespecteerd van het valoriserings- en accumulatieproces van het kapitaal t.o.v. de reproductiemodaliteiten van de maatschappelijke rijkdom.

Het derde boek zou die algemene normen die de reproductie beheersen uitwerken in het kader van een specifieke distributienorm van het meerproduct in casu de tendentieel uniforme winstvoet die resulteert uit de onbelemmerde concurrentie tussen de “vele kapitalen”[48]

Hierbij speelt de concurrentie een zeer ambivalente rol. Enerzijds die van een machtig kennistheoretisch obstakel voor de identificering van de werking van de waardewet in het kapitalisme. Smiths grote verdienste, nl. de isolering van de winst als afzonderlijke titel van inkomen (onderscheiden van andere vormen van meerproduct enerzijds, van het loon anderzijds) en het constateren van proportionaliteit tussen geavanceerd kapitaal en gerealiseerde winst, betekende meteen het ontkennen van de waardewet onder kapitalistische voorwaarden en het verbannen ervan naar een legendarische “early and rude state of society” zou voorafgegaan zijn. Onder die nieuwe omstandigheden zou de waarde van de koopwaar bepaald worden door het optellen van de erin belichaamde winst, rente en loon (waarbij Smith de fractie geconserveerde waarde royaal aan zijn laars lapt – cfr. Das Kapital, II, MEW 24, p. 370 e.v.) en zou bv. een loonstijging tot een algemene prijsverhoging moeten leiden. Ricardo kant zich van meet af aan en met klem tegen deze doctrine,[49] maar kent in zijn Principles... op zijn beurt zwakke (en door marginalistische commentatoren met graagte aangegrepen) momenten. Zo lucht hij nog vóór de publicatie van de derde en laatste versie van zijn Principles... bij kompaan McCulloch zijn hart in de volgende bewoordingen: “Soms denk ik, dat indien ik het hoofdstuk over de waarde (...) zou herschrijven, ik zou erkennen dat de relatieve waarde der koopwaren door twee oorzaken in plaats van door één geregeld wordt, nl. door de relatieve hoeveelheid arbeid die nodig is om de betrokken koopwaar voort te brengen, en door de winstvoet voor de periode tijdens dewelke het kapitaal inactief gebleven is, tot de koopwaren op de markt gebracht zijn.”[50]

Marx heeft de “schijn van de concurrentie” die “in het bewustzijn van de individuele kapitalisten en van de vulgaire economisten alles op zijn kop stelt” in klassieke bewoordingen aan de kaak gesteld: “Wat de concurrentie echter niet toont, (...) dat zijn de waarden, die achter de productieprijzen staan en die ze in laatste instantie bepalen. De concurrentie toont daarentegen: 1. de gemiddelde winsten, die onafhankelijk zijn van de organische samenstelling van het kapitaal in de verschillende productiesferen, dus ook van de massa van de zich door een gegeven kapitaal (...) toegeëigende levende arbeid; 2. stijgen en dalen der productieprijzen ten gevolge van veranderingen in het niveau van het arbeidsloon een verschijnsel dat op het eerste gezicht volstrekt in tegenspraak is met de waardeverhouding der waren; 3. schommelingen in de marktprijzen, die de gemiddelde marktprijs niet herleiden tot de marktwaarde, maar tot een van die marktwaarde afwijkende, zeer verschillende marktproductieprijs. (...) In de concurrentie verschijnt dus alles op zijn kop. De onmiddellijke gedaante (“fertige Gestalt”) der economische verhoudingen, zoals die zich aan de oppervlakte vertoont, in haar reëel bestaan en dus ook in de voorstellingen waarin de dragers en agenten van die verhoudingen zich een klaar beeld ervan pogen te vormen verschilt ten zeerste van en is zelfs tegengesteld aan haar innerlijke, wezenlijke maar verborgen kerngedaante (“Kerngestalt”) en het overeenkomstige begrip.”[51] Anderzijds is het precies diezelfde concurrentie die ervoor verantwoordelijk is, dat de waardewet in het kapitalisme inderdaad aan bod komt, dat m.a.w. de sociaal noodzakelijke arbeidstijd in zijn tweevoudige betekenis[52] de maatschappelijke synthese onder kapitalistische voorwaarden nog een minimum aan coherentie verschaft. In verband met de theorie van de productieprijzen loont het de moeite om even op dit tweevoudig karakter in te gaan, meer bepaald op de twee vormen van concurrentie die ermee overeenstemmen.[53]

Het volstaat Marx’ commentaar aan te halen bij Ricardo’s persistente verwarring tussen beide vormen van concurrentie. “[b. Ricardo verwisselt het vormingsproces van de marktwaarde met dat van de productieprijs]. Ricardo heeft nu om zijn rentetheorie te construeren twee wetten nodig, die niet alleen niet dezelfde, maar een tegengestelde uitwerking van de concurrentie uitdrukken. De eerste bestaat erin, dat de producten van dezelfde sfeer tegen één en dezelfde marktwaarde verkocht worden, dat de concurrentie aldus verschillende winstvoeten, verschillende afwijkingen van de algemene winstvoet afdwingt. De tweede uitwerking bestaat erin, dat de winstvoet voor iedere investering van kapitaal dezelfde moet zijn, dat de concurrentie m.a.w. een algemene winstvoet schept. De eerste wet is van kracht voor de onderscheiden zelfstandige kapitalen, die in dezelfde productiesfeer geïnvesteerd zijn. De tweede voor kapitalen voor zover ze in verschillende productiesferen geïnvesteerd zijn. Door de eerste actie schept de concurrentie de marktwaarde, d.i. dezelfde waarde voor waren uit dezelfde productiesfeer, alhoewel die identieke waarde verschillende winsten moet voortbrengen, dezelfde waarde dus ondanks of liever via verschillende winstvoeten. Door de tweede actie (...) brengt de concurrentie de productieprijs tot stand, d.w.z. dezelfde winstvoet in de verschillende productiesferen, alhoewel die identieke winstvoet in tegenspraak is met de ongelijkheid der waarden, dus slechts kan afgedwongen worden via van de waarden onderscheiden prijzen.”[54]

VI

De discussie betreffende de verhouding waarden/productieprijzen en de uitbuiting als verklaring voor de kapitalistische winst (inclusief de roemruchte “contradictie” tussen het eerste en het derde boek), is een hele periode gevoerd geworden buiten de bemiddeling van het tweede boek om, d.i. zonder rekening te houden met de beperkende voorwaarden die de interdependentie van de onderscheiden productietakken oplegt. Dit is in eerste instantie waar voor Marx zelf en blijkt onmiddellijk uit het voorbeeld dat hij geeft om zijn berekening van productieprijzen en gemiddelde winstvoet uit gegeven arbeidskwanta en de opbouw ervan uit c, v en mw te illustreren. Er wordt immers geen enkele veronderstelling gemaakt noch in waarden noch in prijzen over de output van de onderscheiden nijverheidstakken, die opnieuw als input in de eigen en alle andere branches kan figureren. (Er is staal nodig om staal te produceren, maar ook voor de voortbrengst van ijzer, dat op zijn beurt als input kan verschijnen bij de voortbrengst van staal. enz.)

Waar we sympathie kunnen opbrengen voor de stelling van Ronald Meek,[55] als zou het algoritme van het derde boek, hoofdstuk 9 (MEW, 25. pp. 165-181) slechts de eerste stap weergeven van een principieel geconcipieerd maar technisch-mathematisch niet uitgewerkt omvattender en coherenter transformatiemechanisme (hetzij in de zin van een iteratieve procedure, hetzij in de zin van een simultane bepaling van winstvoet en productieprijzen), en er zowel in het derde boek als in de Theorien..., substantiële aanwijzingen in die richting aan te halen zijn,[56] blijft het feit, dat Marx die transformatie niet doorgevoerd heeft, en het vermoeden dat de effectieve uitwerking ervan hem tot andere inzichten zou genoopt hebben aangaande de determinanten en het niveau van de gemiddelde winstvoet en de productieprijzen.

Met deze woorden sluiten we aan bij een dissidente traditie, die ondertussen enige burgerrechten verworven heeft,[57] maar anderzijds tot vrij onderscheiden interpretaties geleid heeft van de draagwijdte van de transformatie van waarden in productieprijzen. Historisch heeft het transformatieprobleem zo’n volle twee rondjes achter de rug. Het eerste werd ingezet door Ladislaus von Bortkiewicz,[58] en zijn model vormt de grondslag voor een aantal varianten die enkel in duiding divergeren. In navolging van Tugan-Baranovsky deelt von Bortkiewicz zijn denkbeeldige economie in drie productiesectoren in, die resp. productiemiddelen, consumptiegoederen voor de producenten en luxegoederen voortbrengen en wel in die verhouding, dat de eenvoudige reproductie van het model gewaarborgd is.[59] Gemakshalve wordt verondersteld dat in iedere sector slechts één product voortgebracht wordt, het homogene productiemiddel, dat zowel in de voortbrengst van andere productiemiddelen als in die van consumptiegoederen en luxeproducten aangewend wordt, het homogene loongoed dat de arbeiders in de drie sectoren dient in stand te houden en het homogene luxegoed. De uitbuitingsgraad is nogmaals uniform. We kunnen von Bortkiewicz’ veel aangehaalde cijfervoorbeeld nog eens vluchtig overlopen,

gegeven: de waardeopbouw der onderscheiden inputs
                  de uitbuitingsgraad

225cc + 90vc + 60mc = 375c

100cv + 120vv + 80mv = 300v             m/v = 2/3

50cm + 90vm + 60mm = 200m

375c     300v     200m     875


gevraagd: de overeenkomstige productieprijzen en de gemiddelde winstvoet

Aangezien de productieprijs van iedere specifieke output dezelfde afwijking t.o.v. zijn waarde dient te vertonen als de overeenkomstige input, kan men schrijven:

(225xcc + 90yvc) (1 + r) = 375xc

(100xcv + 120yvv) (1 + r) = 300yv

(50xcm + 90yvm) (1 + r) = 200zm

waarbij x, y, z de procentsgewijze afwijking tussen waarde en productieprijs aangeven. Nu blijkt onmiddellijk, dat uit dit stelsel van drie vergelijkingen geen 4 onbekenden (r, x, y, z) kunnen bepaald worden, dat m.a.w. enkel de gemiddelde winstvoet en de onderlinge prijsverhoudingen kunnen berekend worden. Von Bortkiewicz zelf lost dit op de volgende weinig plausibele manier op. Het luxegoed identificeert hij met “goud”, wat hem meteen een numéraire geeft waarin de andere productieprijzen uitdrukbaar zijn. Dit betekent eigenlijk, dat hij een onbekende uit het stelsel elimineert, of m.a.w. z = 1 stelt. Als we zijn cijfervoorbeeld uitpluizen, zien we dat Marx’ voorwaarde “totale meerwaarde = totale winst” (per definitie) behouden blijft, ten koste evenwel van de andere voorwaarde, “som der productieprijzen = som der waarden”. Hier moeten we opmerken, dat die beide voorwaarden bij Marx geenszins voortvloeien uit de analyse van de transformatie, maar er precies de modaliteiten van vastleggen.

Bij von Bortkiewicz speelt dus die eerste voorwaarde de rol van normalisering (later door F. Seton handig als “some postulate of invariance” omschreven). Vandaar zijn coëfficiënten x = 32/25, y = 16/15, z = 1. De winstvoet als verhouding is uiteraard onafhankelijk van het absolute niveau van die onbekenden (25 %).

Deze specifieke normalisering houdt de narigheid in, dat de som der productieprijzen slechts uitzonderlijk[60] met de totale voortgebrachte waarde samenvalt. Deze incongruentie verleidt Mandel ertoe von Bortkiewicz ervan te beschuldigen in het circulatieproces meerwaarde te doen ontstaan of te laten verdwijnen (Het laatkapitalisme, p. 235). Datzelfde circulatieproces zou bij von Bortkiewicz de meerwaardevoet in productieprijzen doen afwijken van die in waarden uitgedrukt (ibid., p. 237). Het ergste vindt Mandel nog dat in het model van von Bortkiewicz de organische samenstelling in de sector der luxegoederen geen enkele invloed heeft op de gemiddelde winstvoet (ibid., p. 235).

Men kan blijkbaar eindeloos epilogeren over welk “postulate of invariance” nu het meest “met de geest van Marx’ methode” te verzoenen is. We verwijzen naar Meerwaarde en winst van van Drimmelen[61] die ze mooi op een rijtje gezet heeft. Recentelijk heeft David Laibman er nog eentje aan toegevoegd.[62] Hij vertrekt terecht van de overweging dat zolang de productieprijzen als hoeveelheden arbeidstijd niet volledig en eenduidig afleidbaar zijn uit de overeenkomstige hoeveelheden dode en levende arbeid, het transformatieprobleem in één van zijn cruciale aspecten onopgelost blijft. Zijn normalisering, die hij god weet waarom laat voorafgaan door een “meetkundig bewijs”, bestaat erin dat de reële loonkorf (“de parameter die aan de basis ligt van de waarde van de arbeidskracht”) en de uitbuitingsgraad (“die de reële krachtsverhoudingen in de klassenstrijd weerspiegelt”) in het transformatieproces geen wijziging ondergaan. Ze worden immers bepaald door krachten die buiten het veld van de transformatie zelf werkzaam zijn en mogen door die transformatie in geen enkel opzicht beïnvloed worden. Deze voorwaarde mag best billijk klinken (dat doen alle andere ook), maar ze gaat voorbij aan het feit dat de veronderstelling van een uniforme uitbuitingsgraad strikt genomen inhoudt dat de loonkorf qua materiële samenstelling voor alle arbeiders identiek is. Is dit niet het geval, dan zal een wijziging in de distributie (via gewijzigde productieprijzen) zich verschillend repercuteren op de reële koopkracht der individuele loonzakjes. Bovendien komt Laibman met een tweede normalisering af: de onveranderlijkheid van de meerwaardevoet. Buiten het feit, dat de meerwaardevoet enkel en alleen betrekking kan hebben op een waardesituatie, is de veranderlijkheid van wat Laibman als criterium vast wil leggen in het transformatiemechanisme zelf ingebakken...

We zijn niet geneigd het probleem van de normalisering als een meta-economisch curiosum te klasseren; anderzijds weten we dat Marx’ kwalitatieve distinguo’s geregeld ook kwantitatieve onderscheiden of afwijkingen meebrengen. Gezien de verschillende criteria slechts hoogst uitzonderlijk gelijktijdig kunnen toegepast worden en er dus meestal wel (minstens) één van Marx’ identiteiten moet geofferd worden, geven we intuïtief de voorkeur aan de normalisering die de kwantitatieve gelijkheid tussen som der productieprijzen en som der waarden vastlegt. Op het voorbeeld van von Bortkiewicz overgedragen betekent dat, dat de normalisering z = 1 vervangen wordt door 375xc + 300yv + 200 zm = 375c + 375v + 200m, dat m.a.w. von Bortkiewicz’ productieprijzen telkens met één achtste afgeslankt worden.

Nu is het duidelijk dat Marx in zijn cijfervoorbeeld van hoofdstuk 9[63] die operatie niet kon doorvoeren, alleen al niet omdat hij de outputs der 5 concurrerende sectoren niet qua gebruikswaarde gespecificeerd had en er hoe dan ook een wanverhouding tussen inputs en outputs bestond. Een poging tot zulk een specificatie heeft hij ooit eens in de Grundrisse... (p. 345) ondernomen, waarbij hij twee verschillende grondstoffenproducenten, één machineproducent, één voortbrenger van levensmiddelen en één producent van luxeproducten onderscheidde, die elkaars producten opkopen en aldus een geïntegreerde economie vormen. Toen droeg hij er echter zorg voor, dat de organische samenstelling van het kapitaal in alle sectoren precies dezelfde was, zodat de discrepantie tussen waarden en productieprijzen uiteraard niet aan bod kon komen.

Indien we nu de methodologie van zijn voorbeeld uit de Grundrisse... zouden overdragen op dat van Das Kapital, er zelf zorg voor dragend dat de organische samenstelling in de sectoren 4 en 5 van resp. 85c + 15v en 95c + 5v telkens in 90c + 10v veranderd wordt en we bovendien aannemen dat sector 4 instaat voor de voortbrengst van levensmiddelen voor de arbeiders en sector 5 voor de voortbrengst van luxegoederen, terwijl de sectoren 1, 2 en 3 elkaar en de sectoren 4 en 5 bevoorraden met grondstoffen en machines, kunnen we Marx’ numerieke situatie als volgt herschrijven.

30c11 + 20c21 + 30c31 + 20v1 + 20m1 = 120c1

20c12 + 30c22 + 20c32 + 30v2 + 30m2 = 130c2

15c13 + 15c23 + 30c33 + 40v3 + 4Om3 = 140c3

30c1v + 20c2v + 40c3v + 10vv + 1Omv = 110v

25c1m + 45c2m + 20c3m + 10vm + 10mm = 110m

120c1 + 130c2 + 140c3, + 110v + 110m

Bij de overgang op productieprijzen, zal iedere sector in zijn totaliteit als output en in zijn partiële vertegenwoordigingen als input telkens met dezelfde coëfficiënt α, β, γ en δ vermenigvuldigd worden en dient de prijzensituatie zich als volgt aan:

30αc11 + 20βc21 + 30γc31 + 20δv1 (1 + r) = 120αc1

20αc12 + 30βc22 + 20γc32 + 30δv2 (1 + r) = 130βc2

15αc13 + 15βc23 + 30γc33 + 40δv3 (1 + r) = 140γc3

30αc1v + 20βc2v + 40γc3v + 10δvv (1 + r) = 110δv

25αc1m + 45βc2m + 20γc3m + 10δvm (1 + r) = 110εm

120αc1 + 130βc2 + 140γc3, + 110δv                 610

Aangezien we aannemen dat de som der productieprijzen = de som der waarden, krijgen we als normalisering:

120αc1 + 130βc2 + 140γc3 + 110δv + 110εm = 610

Gezien het arbitraire karakter van het voorbeeld en de door ons aangebrachte wijzigingen, heeft het weinig zin het cijfervoorbeeld verder uit te werken. Het moge evenwel volstaan om de complexiteit van de oefening bij nog maar 5 onderscheiden sectoren aan te geven.

VII

Het tweede rondje in de ontwikkeling van het transformatieprobleem wordt steevast in verband gebracht met het werk van Piero Sraffa, inzonderheid zijn Production of Commodities by Means of Commodities.[64] Die associatie is o.i. niet volledig te verrechtvaardigen, in de mate dat 1e Sraffa een essentieel andere problematiek op het oog had en 2e reeds drie jaar vóór de uitgave van Production... F. Seton – zij het in een bescheiden voetnota[65] erop gewezen had, dat de technologische gegevens betreffende het reproductieproces en de materiële samenstelling van het loon evengoed als de waardegegevens zelf konden aangewend worden bij het becijferen van gemiddelde winstvoet en productieprijzen. Men hoeft slechts één stap verder te zetten om te concluderen, dat zowel waarde-opbouw en uitbuitingsgraad als productieprijzen en gemiddelde winstvoet onafhankelijk van elkaar uit die materieel-technologische gegevens kunnen afgeleid worden. Een elementair voorbeeld kan dit wellicht verduidelijken.

In onze economie worden slechts drie gebruikswaarden voortgebracht: het omnivalente productiemiddel staal (a); tarwe die zowel als productiemiddel (zaaigoed), consumptiegoed der arbeiders en luxeproduct voor de kapitalisten fungeert (b), en renpaarden die uitsluitend als luxeproduct dienst doen (c). Iedere gebruikswaarde wordt in zijn eigen natuurlijke eenheid uitgedrukt (staal bv. in ton, koren in een inhoudsmaat en renpaarden uiteraard per stuk). De arbeid (I) wordt homogeen verondersteld en laat zich in tijdseenheden meten. Onze economie kan dan bv. als volgt voorgesteld worden:
45a +  —   +     —    +  15μ    →    75a   —   —
20a + 10b +     —    + 20μ    →   —   100b —
—        10b +    20c  + 15μ    →   —   —   100c

staal wordt voortgebracht a.d.h.v. staal en arbeid;
tarwe wordt voortgebracht a.d.h.v. staal, tarwe en arbeid;
renpaarden worden voortgebracht a.d.h.v. tarwe, renpaarden en arbeid.

Uit die gegevens zijn de arbeidswaarden der onderscheiden gebruikswaarden te berekenen:
a = 0,5 (μ)
b = 1,3 (μ)
c = 0,229 (μ)

Als we bovendien weten dat de loonkorf der producenten in de drie productietakken resp. 15a, 20a en nog eens 15a bedraagt,[66] kunnen we de uitbuitingsgraad berekenen, als de in waarde-eenheden (μ) uitgedrukte verhouding tussen het meerproduct (10a + 30b + 80c) en de loonkorf (50b). We verkrijgen 200 %. Bovendien zijn we nu gewapend om de gemiddelde winstvoet en de productieprijzen van staal, tarwe en renpaarden te berekenen uit

(45x + 15y) (1 + r) = 75x
(20x + 30y) (1 + r) = 100y
(25y + 20z) (1 + r) = 100z

en de normalisering
75a + 100b + 100c = 93,73 (I) = 75x + 100y + 100z

We verkrijgen

r = 0,428x = 0,624(1)
y = 0,313(1)
z = 0,156(1)

Men zal opmerken, dat x, y, z hier niet staan voor de coëfficiënten waarmee de waardegegevens moeten vermenigvuldigd worden, maar rechtstreeks de productieprijzen der waren a, b, c aangeven. Men kan natuurlijk zijn voorbehoud hebben tegen de manier waarop waarden in het voorbeeld afgeleid i.p.v. gegeven worden, en zich meer algemeen vragen stellen over het statuut van de (arbeids)waardetheorie in de ganse constructie. In dit verband loont het de moeite nogmaals in Marx’ correspondentie te grasduinen. In een brief aan Kugelmann geeft hij commentaar bij de eerste kritieken op het pas verschenen eerste boek van Das Kapital. “De ongelukkige ziet niet dat, zelfs indien erin mijn boek helemaal geen hoofdstuk over de waarde zou voorkomen, de analyse der reële verhoudingen die ik geef, het bewijs en demonstratie van de werkelijke waardeverhouding zou bevatten. Het geklets over de noodzaak om het waardebegrip te bewijzen berust op de meest volslagen onwetendheid zowel betreffende de zaak waarover het hier gaat, als over de wetenschappelijke methode. Dat iedere natie zou verrekken die niet voor een jaar, maar voor een paar weken de arbeid zou staken, weet ieder kind. Het weet eveneens dat de met de onderscheiden behoeftenmassa’s overeenstemmende productenmassa’s verschillende en kwantitatief bepaalde massa’s van de globaal maatschappelijke arbeid vergen. Het spreekt vanzelf, dat de noodzaak van de verdeling van de maatschappelijke arbeid geenszins door de bepaalde vorm waarin de maatschappelijke productie geschiedt opgeheven wordt: enkel de manier waarop die tot uiting komt kan gewijzigd worden. Natuurwetten kunnen überhaupt niet opgeheven worden. Wat in de historisch verschillende omstandigheden veranderen kan is enkel de vorm, waarin die wetten zich doorzetten. En de vorm waarin de proportionele verdeling van de arbeid zich in een maatschappelijke situatie doorzet waarin de samenhang van de maatschappelijke arbeid (van “de maatschappelijke synthese”, V.W.) zich doet gelden als particuliere ruil van individuele arbeidsproducten, maakt nu precies de ruilwaarde van die producten uit.” (MEW, 32. pp. 552-553.)

VIII

Beknopte handleiding bij Sraffa’s constructie en aanwending van de standaardwaar.[67]

De wijze waarop Sraffa zijn standaardwaar construeert en de rol die ze speelt in het relateren van algemeen prijsniveau, uniforme winstvoet en het uniforme loonpeil kan het eenvoudigst a.d.h.v. een elementair cijfervoorbeeld verduidelijkt worden. Voor een strikte bewijsvoering in termen van matrix-algebra verwijzen we naar Pasinetti (op. cit., pp. 71-121) en een artikel van P. Newman.[68]

1. De technologische gegevens

In onze eens te meer bijzonder schrale economie worden slechts 3 producten afgeleverd (A, B, C). Voor ieder product bestaat slechts één productietechniek: de curve der isoquanten is tot één punt beperkt. Voorts wordt er geen hypothese geformuleerd nopens de schaaleffecten waaraan de technologie onderhevig zou zijn: dit is, gezien de rigiditeit van Sraffa’s reproductieschema, overbodig. (Ten behoeve van de marginalistisch geïnspireerde lezer schrijft hij in zijn inleiding dat zo’n hypothese best mag.) Sraffa interesseert zich niet voor wijzigingen in de technologie; alleen wijzigingen in de distributie binnen een zelfde technologie dragen zijn belangstelling weg.

Ook de aangewende arbeid wordt in zijn eigen, “natuurlijke” eenheid uitgedrukt (in man-uur), homogeen verondersteld en voor de ganse economie = 1 gesteld. De productievergelijkingen kunnen dan bv. de volgende zijn:

375A +   6B + 1/3L  → 750A

300A + 24B + 1/3L →   40B

   50A +   5B + 1/3L → 100C

Om één eenheid A voort te brengen zijn dus nodig 1/2A, 1/125B en 1/2.250L... Deze breuken kunnen geïnterpreteerd worden als Leontieffs technologische coëfficiënten voor het gegeven, specifieke productieniveau (750A, 4OB, 100C), maar de verhoudingen

375A/6B/L; 750A

300A24B/L; 40B

50A/5B/L; 100C

zijn synthetischer in die zin, dat ze meteen het absolute productieniveau aangeven. Napoleoni[69] spreekt in dit verband liever van een productieve configuratie dan van een technologie.

Alle productiemiddelen worden in hun totaliteit in één productieperiode (bv. een jaar) opgebruikt, zodat het probleem van het vaste kapitaal vooralsnog niet aangeraakt wordt. Gezien in ieder productieproces slechts één product voortgebracht wordt, laten we algemener gesproken iedere vorm van joint production buiten beschouwing.[70]

Nog steeds in fysieke termen redenerend, zien we dat onze economie jaarlijks een netto product genereert van

[750 – (375 + 300 + 50)] A + [40 – (6 + 24 + 5)] B + 100C = 25A + 5B + 100C

In tegenstelling tot de producten A en B wordt C niet (rechtstreeks of onrechtstreeks) aangewend voor de productie van zichzelf én alle andere producten. Daarom noemt Sraffa A en B basisproducten en C een luxeproduct. Luxeproducten kunnen dus enkel voorkomen in een systeem dat effectief een surplus of nettoproduct voortbrengt. (Omgekeerd hoeft het surplus natuurlijk niet volledig of gedeeltelijk uit luxeproducten te bestaan.) Is dit niet het geval, zoals in Sraffa’s initiële voorbeeld:

280A + 12B → 400A

120A +   8B →    20B
(waarin de arbeid door de noodzakelijke consumptiegoederen voorgesteld wordt), dan spelen beide producten een equivalente rol, in die zin dat ze alle twee (even) noodzakelijk zijn om het reproductieproces op hetzelfde niveau op gang te houden en dat een wijziging in de productievoorwaarden van zowel A en B zich op beide productietakken reperkuteert.

Een luxeproduct kan evenwel toch aan de kant der inputs verschijnen, maar dan enkel bij de voortbrengst van zichzelf[71] of van andere luxeproducten. In tegenstelling tot wat bij de klassieke economisten en bij Marx het geval is, worden bij Sraffa basis- en luxeproducten dus niet onderscheiden op grond van hun finaliteit in de consumptie (resp. door producenten en niet-producenten), maar op grond van hun positie in het reproductieproces. Een verandering in de productietechniek (en dus de prijs) van een basisproduct heeft een weerslag op de reproductievoorwaarden (en dus op de prijs) van alle basis- én luxeproducten en op de uniforme winstvoet, terwijl een analoge wijziging bij een luxeproduct hoogstens repercussies heeft op de productievoorwaarden van alle luxeproducten en niet op de uniforme winstvoet.

Een laatste opmerking betreffende de “productieve configuratie”: van iedere productietechniek afzonderlijk en bijgevolg van de “productieve configuratie” in haar geheel wordt verondersteld dat ze productief is; ieder product wordt m.a.w. in minstens dezelfde hoeveelheid voortgebracht als van dit product voor de voortbrengst van alle producten samen noodzakelijk is.

∑Qij ≤ ∑Qi

In het geval van reproductie zonder nettoproduct:

∑Qij = ∑Qi

In het geval van reproductie met nettoproduct:

∑Qij ≤ ∑Qi

en voor minstens één i: Qij 〈 Qi

2. De productieverhoudingen

Hoe primitief onze economie ook is, het is een kapitalistische economie, wat vooral betekent dat het nettoproduct op basis van bepaalde krachtsverhoudingen tussen producenten en kapitaalbezitters opgedeeld wordt, waarbij naast uniforme remuneratie voor de arbeid (resp. voor het herstel van de arbeidskracht) ook een uniforme winstvoet op elk in de gedaante van productiemiddelen voorgeschoten kapitaal verondersteld wordt. Dat betekent, dat er naast de gegevens inzake de productieve configuratie een aantal vooralsnog onbekenden ingevoerd worden, te weten: de winstvoet r, het loon w en de prijzen p, der onderscheiden producten, die zodanig moeten zijn dat ze de vereisten van de technologie met die van de distributie kunnen verzoeken. We herhalen dat de veranderlijkheid der prijzen i in functie van de distributie in Sraffa’s schema geen enkele invloed heeft op de voortgebrachte hoeveelheden Qi. Bovendien beklemtonen we nogmaals dat Sraffa, in tegenstelling tot de klassieke economisten en Marx, de winstvoet enkel op de aangewende productiemiddelen berekent. Dit is niet om tegemoet te komen aan de gangbare opdeling van het nationaal inkomen Y in rK + wL, maar om redenen die verband houden met de constructie van zijn standaardwaar zelf en die niet essentieel zijn voor de gaafheid van die constructie.[72] De gebruikelijke literaire vertolking van die omstandigheid is, dat bij de klassieke economisten en bij Marx de lonen volledig vooraf betaald worden, terwijl ze bij Sraffa post factum betaald worden. (Dit betekent echter niet dat de lonen daarom een residueel karakter hebben.)

Winsten en lonen slorpen de totaliteit van het nettoproduct op. Het onderlinge verband tussen schommelingen in het loonpeil en overeenkomstige schommelingen in de winstvoet is, gezien de mediatie via de algemene en precies in functie van vernoemde schommelingen steeds wisselende prijzenstructuur, een erg ingewikkelde aangelegenheid, waarvan prima facie enkel kan gezegd worden, dat w en r zich grafisch uitgedrukt, als volgt verhouden:

schommelingen grafisch

De curve geeft aan dat w(i) d.i. het loon gemeten maar daarom nog niet betaald in de prijs van het product i monotoon maar eigenlijk erg grillig daalt naarmate r zijn maximum R nadert. Voor r = R is w = 0’[73] Nu vraagt Sraffa zich af, of er geen omstandigheden zijn waarin een meer elementaire en dus doorzichtiger verhouding tussen w en r te verwezenlijken is.

Het is hier dat zijn notie “standaardwaar” op de proppen komt. Als we in ons cijfervoorbeeld de sectoren A en B resp. met 2/3 en 3/4 afslanken, verkrijgen we het volgende productiesysteem:

125A + 2B + 1/9L → 250A

  75A + 6B + 1/12L → 10B

De verhouding tussen nettoproduct

250A – (125A + 75A) = 50A

  10B –         (2B + 6B) =   2B
                                         _____
                                      50A + 2B

en aangewende productiemiddelen

125A + 75A = 200A

     2B +   6B =      8B
                           _____
                        200A + 8B

is in dit geval uitdrukbaar als een onbenoemd getal (nl. R = 1/4), dwz. onafhankelijk van de prijzen van input en output. Sraffa toont aan, dat er in een tot zijn standaardverhoudingen herleide productieve configuratie[74] een zeer eenvoudige relatie tussen w en r bestaat. nl. via de onbenoemde grootheid R:

r = R(1 – w) of w = 1 – r/R

Hij gaat bovendien aantonen onder welke omstandigheid die relatie tot het feitelijke systeem uit te breiden is. Hiervoor heeft hij de notie “standaardnettoproduct” nodig, die hij definieert als die hoeveelheid nettoproduct dat in standaardverhoudingen voortgebracht wordt door de totale arbeid in het feitelijke systeem waarvan vertrokken wordt.

In ons cijfervoorbeeld: (50A + 2B) X 36/7, aangezien in het standaardsysteem slechts 1/9 + 1/12 = 7/36 van de totale arbeid aangewend wordt. Via een bewijsvoering komt Sraffa tot de slotsom, dat de relatie r = R(1 – w) ook op de feitelijke economie toepasbaar is, op voorwaarde dat w uitgedrukt wordt als fractie van het standaardnettoproduct. In ons voorbeeld betekent zulks dat, eenmaal de feitelijke winstvoet 0 〈 r 〈 R vastgelegd (bv. r = 1/8 = 12,5 %), de relatieve prijzen en het loon als volgt te becijferen zijn:

(375A + 6B) (1 + r) + 36/7 X (50A + 2B) X 1/3 X (1 – r/R) = 750A

of, gezien w = 1 – r/R = 1/2 (50A + 2B) = 750A, waaruit B = 33,7A.

Hetzelfde blijkt natuurlijk uit de tweede vergelijking en uit de derde kunnen we C = 3,464A berekenen.

Dankzij de eenvoudige relatie r = R(1 – w) hebben we dus bij gegeven r én de relatieve prijzen B en C (uitgedrukt in A) én het reële, zij het als fractie van het standaardnettoproduct uitgedrukte loon kunnen berekenen.

IX

De rol van de luxeproducten bij het bepalen van de algemene winstvoet. Een “merkwaardig resultaat” dat we bij de behandeling van het gecorrigeerde transformatieschema niet aangeraakt hebben, wordt ons geleverd door de rol die luxeproducten erin vervullen bij het bepalen van de algemene winstvoet. Het onderscheid tussen “luxuries” en “necessaries” is een erfstuk uit de bloeiperiode van de klassieke politieke economie, dat toen echter expliciet geconceptualiseerd werd als samenvallend met het onderscheid tussen loongoederen en luxeproducten. Overeenkomstig de klassieken konden enkel de productievoorwaarden der loongoederen een weerslag hebben op het algemene (productie)prijsniveau en de uniforme winstvoet. Men kent het distinguo uit de Principles... “In dit boek heb ik willen aantonen dat de winstvoet slechts kan toenemen door een daling van de lonen, en dat zich slechts een voortdurende daling van de lonen kan voordoen door een prijsdaling van de levensmiddelen waaraan de lonen besteed worden. Als dus door uitbreiding van de buitenlandse handel of door verbeteringen aan de machines het voedsel en andere noodzakelijke goederen van de arbeiders tegen een lagere prijs op de markt kunnen gebracht worden, zullen de winsten stijgen. (...) Maar als de waren die door de uitbreiding van de buitenlandse handel of door verbeteringen aan de machines tegen een lagere prijs verkregen worden, uitsluitend door de rijken verbruikt worden, zal de winstvoet niet veranderen. Het loonpeil blijft onaangetast als wijn, fluweel, zijde en andere dure waren bv. met 50 % in prijs dalen, en bijgevolg blijven de winsten onveranderd.”[75]

In de Theorien...[76] heeft Marx die passus aangegrepen om te repliceren, dat de productievoorwaarden in alle sectoren van het kapitalistische bedrijf op gelijkwaardige wijze de algemene winstvoet en de overeenkomstige productieprijzen helpen bepalen. “Zelfs bij luxewaren kan de technische vooruitgang de algemene winstvoet verhogen, daar de winstvoet in die sectoren, zoals in elke andere sector, deelneemt aan de nivellering van alle bijzondere winstvoeten tot de gemiddelde winstvoet.”

Dit strookt inderdaad met de manier waarop hij in hoofdstuk 9 van het derde boek winstvoet/productieprijzen uit meerwaardevoet/onderscheiden waardeopbouw afleidt en die overweging wordt bv. door Mandel[77] aangewend in een dispuut over de rol van bewapening in een kapitalistische economie, dat m.i. niet volkomen adequaat in die termen kan gevoerd worden.

Roncaglia[78] haalt nu een andere passus uit de Theorien... aan, die zou moeten aantonen dat Marx eigenlijk wel met het ricardiaanse denkschema te verzoenen is. “Veronderstel nu dat de productietijd voor luxegoederen door het aanwenden van nieuwe machines verkort wordt. (...) Op het arbeidsloon, de waarde van het arbeidsvermogen kan zulks niet de minste invloed hebben, aangezien die artikels geen deel uitmaken van het verbruik der arbeiders.” En hij voegt er betekenisvol aan toe: “toch niet van dat deel van hun verbruik, dat de waarde van hun arbeidsvermogen bepaalt)”. Dan weer tussen haakjes, “(Op de marktprijs van de arbeiders kan het invloed hebben, wanneer hierdoor arbeiders op straat worden gegooid en het aanbod op de arbeidsmarkt daardoor gaat stijgen.)” Waarop aansluitend Roncaglia’s bewijsmateriaal volgt: “Die omstandigheid is dus van geen enkele invloed op de meerwaardevoet en dus ook niet op de winstvoet.” Hij verzuimt echter de zin volledig te lezen: “voor zover die door de meerwaardevoet bepaald wordt. (wij cursiveren) Daarentegen kan die omstandigheid zeker een invloed op de winstvoet hebben, in de mate dat ofwel de meerwaardemassa of de verhouding tussen het variabel kapitaal tot het constante en het totale kapitaal beïnvloed wordt.”[79] Marx’ algemene conclusie is dan ook: “Maar de meerwaardemassa wordt op een dubbele wijze bepaald: door de meerwaardevoet (...); ten tweede door de hoeveelheid op een bepaald ogenblik aangewende arbeiders.”[80]

In de mate dat Marx de winstvoet onveranderlijk verklaart uit de verhouding tussen de globaal voortgebrachte meerwaarde (onverschillig of ze nu tot stand komt bij de voortbrengst van luxegoederen, loongoederen of productiemiddelen) en de in het productieproces totale geavanceerde kapitaalmassa, is het voor hem volslagen onbelangrijk welke plaats de voortgebrachte goederen innemen in de reproductie van de maatschappelijke rijkdom.

De zaken liggen natuurlijk gans anders van zodra we de correctie op zijn transformatiemethode aanvaarden. Uit het voorbeeld van von Bortkiewicz en uit ons voorbeeld in fysieke eenheden blijkt duidelijk, dat de productievoorwaarden van het luxegoed (m bij von Bortkiewicz, c in ons voorbeeld) in geen enkel opzicht de productievoorwaarden van de andere sectoren resp. producten en de gemiddelde winstvoet beïnvloeden.

Ook bij onze geventileerde herwerking van Marx’ voorbeeld uit boek III, hoofdstuk 9, zien we dat de productievoorwaarden van ξ geen enkele invloed hebben op de uniforme winstvoet en de productieprijzen der andere producten: in tegenstelling tot alle andere producten komt ξ enkel als output en niet als input voor. Uit ons voorbeeld in fysieke eenheden blijkt bovendien, indien ξ wel als input in zijn eigen productieproces zou voorkomen (renpaarden die voor de procreatie van hun soort moeten instaan) en ook niet indien ξ als input dienst deed voor (alle) andere luxeproducten, aan die omstandigheid niets zou veranderd worden.

Het is dan ook wenselijk een “noodzakelijk product” te herdefiniëren op grond van het criterium of het (rechtstreeks of onrechtstreeks) nodig is voor de voortbrengst van alle koopwaren, terwijl er anderzijds niets eigenaardigs hoeft gezien te worden in de aanwezigheid van luxegoederen in de inputs zelf van het productieproces, op voorwaarde dat het enkel hun eigen voortbrengst of die van andere luxegoederen betreft. Hieruit volgt dus dat voor de berekening van de gecorrigeerde winstvoet en de productieprijzen der noodzakelijke producten geen kennis nodig is van de productievoorwaarden in de sector van de luxeproducten. Omgekeerd betekent dit dat de prijzen in die sector op een louter passieve manier tot stand komen en bovendien dat fluctuaties in de organische samenstelling in die sector in geen enkel opzicht het niveau van de uniforme winstvoet kunnen beïnvloeden.

X

Er bestaan een paar gevallen, waarin Marx’ eenvoudige berekening van de gemiddelde winstvoet kan gehandhaafd worden. Het zijn triviale en/of freakgevallen, maar misschien juist daarom van aard om de problematiek te verduidelijken. In de eerste twee vallen waarden en prijzen samen, omdat ofwel de winstvoet = 0 gepostuleerd wordt (en we dus terugkeren naar Adam Smiths “rude and early state of society”) ofwel omdat de organische samenstelling in alle sectoren dezelfde is en het probleem van de transformatie van waarden in productieprijzen ipso facto niet gesteld wordt. In een derde geval geniet Marx logistieke steun van Samuelson zelf: het is het geval waarin wat Samuelson de “interne organische samenstelling van het kapitaal” gedoopt heeft[81] in alle sectoren gelijk is. Deze veronderstelling moet dan betekenen, dat alle afdelingen alle outputs bij wijze van productiemiddelen in dezelfde verhouding aanwenden als ze globaal maatschappelijk voortgebracht worden, wat natuurlijk een zeer sterke veronderstelling is. Een supplementaire voorwaarde bestaat erin, dat het loon qua materiële samenstelling niet alleen homogeen is met het meerproduct (de arbeiders eten ook kaviaar), maar bovendien met de output als dusdanig (de arbeiders consumeren ook hijskranen en bulldozers).

Samuelson geeft geen voorbeeld van zulk een idyllische samenleving, maar daar is gauw aan verholpen. Laat ons een economie verzinnen die drie goederen voortbrengt. We noemen ze K(olen), S(taal) en T(arwe). We drukken ze in fysieke eenheden t(on) uit, juist omdat de fysieke samenstelling van output en input hier zo’n belangrijke rol spelen. De verhouding waarin ze voortgebracht en als productiemiddelen aangewend worden is bv. 6K:3S:2T. Het loon wordt in dezelfde “eenheid” uitgedrukt, maar “(c/v)K” ? “(c/v)S” ? “(c/v)T”: een zelfde hoeveelheid “variabel kapitaal”[82] staat telkens tegenover een verschillende hoeveelheid “constant kapitaal”. De “meerwaardevoet” wordt in de drie productietakken identiek verondersteld. Onze uitgangssituatie kan dan bv. als volgt voorgesteld worden:

    (6Kc + 3Sc + 2Tc) + (9Kv + 4,5Sv + 3Tv) → 60K

  (12Kc + 6Sc + 4Tc) + (9Kv + 4.5Sv + 3Tv) → 30S

(2Kc + 1Sc + 2/3Tc) + (9Kv + 4,5Sv + 3Tv) → 20T

Het meerproduct moet in zulke omstandigheden

60K – (20Kc + 27Kv) = 13Km

30S – (10Sc + 13,5Sv) = 6,5Sm

20T – (62/3Tc + 9Tv) = 42/3Tm
                                               ___________________
                                               = 13Km + 6,5Sm + 41/3Tm

bedragen, en overeenkomstig de veronderstelling van gelijke uitbuitingsgraad als telkens 41/3K + 21/6S + 14/9T over de drie productietakken verdeeld worden. Men ziet onmiddellijk, dat de winstvoet kan uitgedrukt worden als een verhouding tussen fysiek homogene grootheden...

r = 13K + 6,5S + 41/3T = 13K = 6,5S = 41/3T = 0,276...
——————————————
47K + 23,5S + 152/3T47K23,5S152/3T


men ziet m.a.w. dat Samuelson de reeds bekende standaardverhoudingen (cfr. VIII) geconstrueerd heeft. Voor een economie die aan zulke verhoudingen beantwoordt, is kennis van de productieprijzen inderdaad niet nodig om de winstvoet te berekenen.

Ook de groeivoorwaarden van een zgn. von Neumann-pad (de kapitalisten kwijten zich ten volle van hun “historische taak”: ze accumuleren hun ganse inkomen; bovendien zijn alle componenten van het maatschappelijk reproductieproces zodanig geschikt, dat ze bij een onveranderlijke technologie aan een constant, gelijk en maximaal ritme kunnen groeien) maken het mogelijk de groei- = winstvoet ex ante te berekenen, dus weerom zonder dat de distorsie der waarden een simultane berekening van winstvoet en productieprijzen noodzakelijk maakt.

Een voorbeeld:

Transformatie schema

Men kan nagaan dat Marx’ eenvoudige berekening van de winstvoet r = 45m/(90c+45v) = 1/3 met de meer gesofistikeerde samenvalt.

_______________
[1] Sommige handboeken waarin lineaire productiemodellen centraal staan geven bij wijze van annex een beknopte inleiding tot de matrixtheorie. Zie bv. Luigi Pansinetti, Lectures on the theory of production, Columbia University Press, 1977, Gilbert Abraham-Frois en Edmond Berribi, Theorie de la Valeur, des Prix et de l’Accumulation, Parijs, 1976. Het voor onze problematiek belangrijkste theorema is dat van Frobenius, later gespecifieerd door Perron. Dankzij dit theorema kan de uniforme winstvoet afgeleid worden uit de hoogste latente wortel van de in matrixvorm geschikte gegevens nopens de geïntegreerde technologie van het productieproces en de materiële samenstelling van het loon (de “loonkorf”).
[2] Zie vooral het derde boek van Das Kapital, hoofdstuk 45 en de Theorien über den Mehrwert, dl. II, hoofdstuk 11 (resp. MEW, 25 en 26.2 – alle verdere verwijzingen betreffen de Marx-Engels Werke uitgegeven bij Dietz Verlag. Berlijn, met uitzondering van de Grundrisse, Frankfurt Wenen s.d. en de Resultate des unmittelbaren Produktionsprozesses, Frankfurt, 1970.
[3] MEW, 26.1, p. 6 – wij cursiveren. Deze aanhef kan misschien als volgt geparafraseerd worden. “De mij voorafgaande economisten hebben geen (of beslist onvoldoende) oog gehad voor het onderscheid tussen de analyse der fenomenale vormen van waarde en meerwaarde zoals die zich in de concurrentie tussen de vele individuele kapitalen manifesteren, nl. als marktprijzen en als winst (ondernemerswinst, intrest, handelswinst,...) en (differentiële) grondrente enerzijds en anderzijds de analyse van waarde en meerwaarde zelf. Het betreft hier inderdaad twee onderscheiden niveaus waarop de economische werkelijkheid in een systeem van veralgemeende koopwarenproductie moet ontleed worden, maar het eerste niveau - dat van het eerste boek van Das Kapital (waarde, meerwaarde) is logisch antecedent t.o.v. en onmisbaar voor dat waarop het derde boek productieprijzen, winst, intrest, rente...) zich afspeelt. Een coherente prijzen(be)rekening is slechts mogelijk op grond van een coherente waarde- en meerwaarde analyse.”
[4] E. Mandel, La Formation de la pensée économique de Karl Marx, Parijs, 1970, p. 207.
[5] Zo geraakte Engels (en later Kautsky) geregeld in verlegenheid bij het decrypteren (en corrigeren) van Marx’ cijfervoorbeelden (cfr. vooral de eindeloze reeksen ivm. de differentiële grondrente in de Theorien) Anderzijds veronderstellen we niet dat het louter sarcasme was dat Engels ertoe aanzette Marx’ rekenkundige slordigheden met zijn mathematisch vernuft i.h.a. te of contrasteren. Zie L. Smolinski: Karl Marx and Mathematical Economics, Journal of Political Economy, sept.-okt. 1973. Zelfs Paul Samuelson voelt zich gemotiveerd om Marx’ pioniersarbeid te belichten (Marx as Mathematical Economist).
[6] Value and Exploitation: A new formulation, Cambridge 1975. p. 47.
[7] Zo zal dezelfde mathematische mastermind Morishima (in het eerste hoofdstuk van zijn overigens stimulerende Marx’ Economics – A Dual Theory of Value and Growth) Marx twee waardedefinities (en in het vervolg hierop - Value and Exploitation...) een derde, nl. die uit Misère de la Philosophie (1847!)toeschrijven en zich inspannen om de equivalentie ervan mathematisch aan te tonen, daar waar Marx in feite waardesubstantie tegenover “waardegrootte” stelt.
[8] Voor een overzicht in vogelvlucht, zie G.C. Harcoun en N.F. Laing (uitg.), Capital and Growth. Penguin Books, 1971.
[9] Men herinnert zich Lenins weinig bemoedigende aforisme: “Men kan Marx’ Kapitaal en ihb. het eerste hoofdstuk ervan niet begrijpen, zonder Hegels ganse Logica bestudeerd en begrepen te hebben.” Hij voegt eraan toe: “Dus is er een halve eeuw na Marx geen enkele marxist die hem begrepen heeft.” (Cahiers sur la dialectique de Hegel, Gallimard, 1967, p. 241.)
[10] Voor bv. M. van Meerhaeghe, Economie, Leiden. 1975. pp. 490 en 496 is er echter nog steeds geen vuiltje aan de lucht.
[11] Het ondertussen bij Subrkamp heruitgebrachte Böhm-Bawerks Marxkritik (Rudolf Hilferding), de zowel in het Duits, Engels als Frans uitgegeven en in het oorspronkelijke Russisch sinds 1928 nooit meer aangeboden Opstellen over Marx’ waardetheorie (Isaak Rubin), het nooit zeer bekende en inmiddels enkel als roofdruk heruitgegeven Der soziale Gehalt der Marxschen Werttheorie, Jena 1916 (Franz Petry).
[12] Op dit aftakelingsproces van de “neoklassieke synthese” kunnen we hier niet ingaan. Officieel heeft die ontbinding een aanvang genomen met Joan Robinsons befaamde artikel van 1953: The Production Function and the Theory of Capital, hernomen in G.C. Harcourt en N.F. Laing (uitgs.), Capital and Growth, op. cit. De ontreddering die er tegenwoordig tenminste bij de niet-bewusteloze vertegenwoordigers van de orthodoxe theorie heerst, werd monumentaal vereeuwigd door prof. C.E. Ferguson: “Mijn standpunt is onvoorwaardelijk neoklassiek. (...) Zolang de econometristen voor ons het antwoord niet klaar hebben, is het vertrouwen in de neoklassieke economische theorie een kwestie van geloof. Ik persoonlijk heb dat geloof, maar voor het ogenblik is het beste wat ik ken doen om anderen te overtuigen, het inroepen van het gewicht van Samuelsons gezag.” (The Neoclassical Theory of Production and Distribution, Cambridge. 1969, p. 3). De professor bedoelt misschien het gezag van het best verkochte handboek ter wereld, dat ook zo’n voortreffelijke plaats inneemt in het stofferen van het cultureel erfgoed van de modale Russische bureaucraat. Autoriteit Samuelson acht het ondertussen niet beneden zijn waardigheid om in de cenakels van vakmensen zwaar dissidente geluiden ten beste te geven. Tot op heden het beste epos over de neoklassieke achterhoedegevechten is dat van G.C. Harcourt, Some Cambridge controversies in the theory of capital, Cambridge, 1972. Voor een interne kritiek op de axioma’s van de neoklassieke economische theorie, zie bv.: C. Benetti, Valeur et répartition, Grenoble, 1974, pp. 5-96 en P. Salama, Sur la valeur, Maspero 1975, pp. 7-136.
[13] Hiermee willen we geenszins aanknopen bij het methodologisch uitgangspunt van Schumpeters magnum opus (History of Economic Analysis, New York, London, 1954), dat voorziet in een absolute scheiding tussen economie als visie, ideologie, apologie... enerzijds en als analyse anderzijds, enkel om te concluderen dat beider ontwikkeling onderling onafhankelijk verloopt (gedaanteverwisselingen van de ideologie, lijnrechte ontwikkeling van de analyse). Wie commentaar hierop nodig vindt, kan hem vinden bij wijlen M. Dobb, Theories of Value and Distribution since Adam Smith, Cambridge, 1973. hoofdstuk 1. De evolutie die zich thans op het gebied van de “pure theorie” voltrekt, suggereert een veel complexer interactiepatroon tussen de ontwikkeling van de conceptualisering van de “economische werkelijkheid” en die van de sociopolitieke “suprastructuur” die er onverbrekelijk maar niet mechanisch mee verbonden is.
[14] A. Schmidt, “Zum Erkenntnisbeggriff der Kritik der politischen Ökonomie”, in Kritik der politischen Ökonomie heute – 100 Jahre ‘Kapital’, Frankfurt, 1968. p. 33.
[15] Zie bv. Bob Rowthorn, “Die neoklassische Volkswirtschaftslehre und ihre Kritiker – eine marxistische Beurteilung” in Seminar: Politische Ökonomie Frankfurt, 1973.
[16] Uitgangspunt is natuurlijk Marx’ omstreden uitweiding over “Het fetisj karakter van de waar en zijn geheim” (in het vierde kapittel van het eerste hoofdstuk van Das Kapital). Waarschijnlijk de eerste om het onderscheid tussen het kwalitatieve en het kwantitatieve probleem systematisch op papier te zetten, is de inmiddels bijna volledig vergeten Franz Petry - zie nota (11). Alhoewel ten dele verouderd, kan dit werkje nog steeds uitstekende diensten bewijzen als eerde introductie. Lukács (Geschichte und Klassenbewußtsein is tussen 1919 en 1922 geschreven) schijnt er geen kennis van gehad te hebben. Verder zijn de vertakkingen Marx-Lukács-Goldmann (et alii) en Marx-Lukács-Gabel (psychiatrie) gemakkelijk te verifiëren.
[17] Op dit stuk is vooral Marx’ correspondentie revelatief. Zie zijn brieven aan Engels van 14/1/’58, 18/VI/’62 en 8/I/’68 en ook zijn in het Nederlands verschenen brieven aan Kugelmann.
[18] “Om het voor eens en altijd duidelijk te maken: onder klassieke politieke economie versta ik alle economie sinds W. Petty, die de innerlijke samenhang van de burgerlijke productieverhoudingen onderzoekt, in tegenstelling tot de vulgaire economie, die maar wat rondscharrelt binnen de grenzen van de schijnbare samenhang, voor een plausibele verklaring voor de laat ons zeggen grofste fenomenen en voor het burgerlijke huishoudelijke gebruik het door de wetenschappelijke economie allang geleverde materiaal steeds maar herkauwt, maar zich voor de rest ertoe beperkt, de banale en zelfgenoegzame voorstellingen van de burgerlijke productieagenten van haar eigen bovenste beste wereld op pedante wijze te systematiseren en tot eeuwige waarheden te proclameren.” (MEW, 23, p. 95).
[19] “Misère de la Philosophie”, in Misère de la Philosophie, Philosophie de la Misère, Parijs, 1964, p. 409.
[20] Zur Kritik der politischen Ökonomie, MEW, 13, p. 8.
[21] Voor Marx’ chronologische afbakening van de klassieke politieke economie, zie Zur Kritik... MEW, 13, p. 37 e.v. De inhoudelijke specifiëringen die hij hieromtrent geeft, betreffen minder het object van de politieke economie dan wel de methodologische contradistinctie met de “vulgaire economie”. In het door Marx geredigeerde hoofdstuk over politieke economie in Engels’ Anti-Dühring schrijft hij terloops, dat de politieke economie niets anders is dan het wetenschappelijke inzicht in de economie van de burgerlijke productiewijze (MEW, 20, p. 213).
[22] Dit is althans de gezaghebbende interpretatie van Ronald Meek The Interpretation of Physiocracy, in zijn The Economics of Physiocracy, Londen, 1962, p. 368 e.v.
[23] John Stuart constateert opgelucht, dat er “op het gebied van de waardewetten voor mezelf of enige andere toekomstige schrijver niets meer overblijft dat opheldering vraagt, de theorie (...) is volledig.” (Geciteerd door Jeffrey T. Young, Classical Theories of Value: From Smith to Sraffa, Colorado, 1978, p. 1).
[24] Die Struktur wissenschaftlicher Revolutionen, Frankfurt, 1967, p. 211.
[25] Overigens is het onderhoudend Engels’ leuke maar niet volledig steekhoudende parallel tussen de ontwikkeling van de politieke economie en de carrière van de flogistontheorie (in zijn voorwoord op het tweede boek van Das Kapital, MEW, 24. pp. 7-26) met Kuhns beschouwingen dienaangaande te vergelijken.
[26] Voor het eerst uitgegeven door P. Sraffra, The Works and Correspondence of D. Ricardo, deel 4, Cambridge, 1951.
[27] Strikt genomen is dit laatste niet waar. Marx wist van het bestaan van het Essay... zeker af, maar heeft het in de Theorien... slechts eenmaal aangehaald. Het wordt noch in Das Kapital, noch in de Grundrisse, noch in Zur Kritik... vermeld, terwijl het citaat in de Theorien... enkel bedoeld is als illustratie van Ricardo’s “wetenschappelijke onpartijdigheid” (t.a.v. de klassentegenstellingen) (Theorien..., MEW, 26.2, pp. a pp. 118-119).
[28] The Works... deel 4.
[29] Theorien..., MEW, 26.2. p. 164.
[30] Zie hierover de algemene inleiding van Sraffa op The Works... deel I, pp. XXX-LX.
[31] Zie de Theorien... MEW, 26.2, hoofdstukken 15 en 16.
[32] Ibid., p. 165. Analoog zou men Marx kunnen verwijten de kar voor het paard te spannen, waar hij zijn geldtheorie ontwikkelt (in Zur Kritik...) alvorens hij een sluitende theorie van de kapitalistische productiewijze opgesteld heeft, en diezelfde geldtheorie ongewijzigd te handhaven bij de overgang van eenvoudige naar veralgemeende koopwarenproductie. Of zou het geld dan toch precies onder die voorwaarden voortgebracht worden, dat goudprijs en goudwaarde samenvallen? Voor Marx is de term “goudprijs” een zinledige uitdrukking (“De prijs van de koopwaar, die als waardemaat en bijgevolg als geld dienst doet, bestaat gewoon niet, (...)” - Theorien..., MEW, 26.2, p. 199). Ook Mandel (Het laatkapitalisme Amsterdam, 1976, hoofdstuk 13, La Crise, Parijs 1982, hoofdstuk 16) neemt die opmerking voor zijn rekening. We menen dat dit enkel pertinent voor zover goud de rol van numéraire vervult, maar dat de vraag naar de verhouding tussen goud(productie)prijs en goudwaarde onverminderd gesteld blijft. Dat geeft Mandel (Het laatkapitalisme, p. 336, voetnoot 13) trouwens impliciet toe. Het overboord gooien van de term “goudprijs” impliceert ofwel dat voor het goud die transformatie van waarden naar productieprijzen niet hoeft, ofwel dat er uitgerekend voor het goud geen decalage bestaat tussen waarde en productieprijs. We twijfelen eraan of dit probleem bevredigend opgelost wordt door het naar het voorgeborchte van de kwalitatieve waardeanalyse te verschuiven. Gezien de specifieke lokalisering van de vornaamste centra van goudwinning, dient een serieuze behandeling van dit probleem hoe dan ook te vertrekken van de werking van de waardewet op planetaire schaal, m.a.w. van de vraag in hoeverre “de wereldmarkt de arena wordt waarin de werkelijke socialisering van de arbeid plaatsgrijpt.” (Mandel, La Crise, p. 277).
[33] The Works..., deel I, p. 5.
[34] Door Ricardo zelf aangehaald, in The Works..., deel VI, pp. 119-118. Facarello (“Sraffa versus Ricardo; the historical irrelevance of the ‘corn-profit’ model”, in Economy and Society, mei 1982, pp. 133-134) wijst erop dat uit een vollediger aanhalen van Malthus’ tegenargumentatie blijkt dat laatstgenoemde in feite een geheel ander punt wilde scoren. Het vervolg van het citaat luidt immers: “(...) onafhankelijk van de vraag en van de overvloed of schaarste aan kapitaal.” Facarello heeft ongetwijfeld gelijk, dat Malthus hier eerst en vooral zijn theorie van vraag en aanbod tegenover die van de productiekosten stelt. Hiermee is echter niet aangetoond, dat, zoals een courante opinie het wil, Sraffa zijn eigen ontwikkelingen in die van Ricardo projecteert. Sraffa’s systeem heeft immers geen fysieke winstvoet nodig, maar gebruikt die slechts om de verhouding tussen uniforme loonvoet, uniforme winstvoet en “productieprijzen” op een bijzonder gestroomlijnde manier zichtbaar te maken. In Sraffa’s systeem wordt trouwens niet één specifieke waar geprivilegieerd bij het bepalen het van de winstvoet, maar wordt een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen de koopwaren wier inter-connecties wél en degene wier (eventuele) inter-connecties niet in aanmerking komen bij het vastleggen van de winstvoet.
[35] Ibid., p. 108.
[36] Introduction, p. XXXI.
[37] De eerste om Ricardo’s oorspronkelijke gedachtegang te rehabiliteren (en te veralgemenen) was de lange tijd obscuur gebleven Russische economist Viktor K. Dmitriev (Essays Economiques, Parijs, 1968 – oorspronkelijk Moskou, 1904) die vandaag in de Sovjet-Unie geboekstaafd staat als de “vader van de Russische school van wiskundige economisten”. Zie tevens de opmerkelijke inleiding tot de Engelse vertaling van vernoemd werk van de hand van Domenico Nuti, waarin Dmitrievs excessieve extrapolaties inzake de oorsprong van de industriële winst gerelativeerd worden en waarin vooral op de anticipaties op Sraffa’s tweede, alternatieve maar met zijn eerste strikt equivalente démarche – de reductie tot gedateerde arbeidskwanta – (P. Sraffa, Production of commodities by means of commodities, 2de uitgave, Cambridge 1972, pp. 34-40) gewezen wordt.
[38] “Sommige auteurs zijn diep onder de indruk van het belang van een absolute waardemaat als referentie voor alle dingen, en het probleem is niet of er een accurate maat die hieraan voldoet kan verkregen worden, maar wel of er iets kan gesuggereerd worden dat die maatstaf benadert.” (Ricardo, The Works... deel IV, pp. 395-396).
[39] Introduction, p. XLVIII.
[40] MEW, 26.3, p. 132.
[41] ibid., p. 135.
[42] In dit artikel kunnen we niet ingaan op de door o.a. Alfredo Medio gesuggereerde oplossing (cfr. Profits and Surplus-Value; Appearance and Reality in Capitalist Production, in E.K. Hunt en J.G. Schwartz (uitgs.). A Critique of Economic Theory, Penguin Books, 1972), die voorhoudt dat de correcte transformatie van waarden in productieprijzen (zie VI en VII) slechts kan doorgevoerd worden mits het invoeren van een analogon aan Sraffa’s standaardwaar (zie VIII), nl. een waar waarvan prijs en waarde steeds samenvalt, ongeacht de distributie tussen lonen en winsten. We kunnen ook niet ingaan op John Eatwells suggestie (“Mr. Sraffa’s standard commodity and the rate of exploitation”, in Quaterly Journal of Economics) dat indien het loon op het einde van de productiecyclus uitbetaald wordt (m.a.w. als fractie van het nettoproduct i.p.v. als element van het kapitaal beschouwd wordt en de winst enkel op de productiemiddelen berekend wordt), en er in het gecorrigeerde marxistische schema zeer eenvoudige en uit Sraffa’s standaardverhoudingen afleidbare relaties tussen winstvoet, maximumwinstvoet en uitbuitingsgraad zouden van kracht zijn, op voorwaarde dat het loon in termen van de standaardwaar uitgedrukt wordt. Met ziet dat het aantal proviso’s op zichzelf reeds van aard is om twijfels aan de pertinentie van die elegante constructie op te roepen. Wat daarentegen wel het analyseren waard is, is de formele verhouding tussen Sraffa’s standaardwaar en Marx zgn. gemiddelde sector (MEW, 25, p. 182).
[43] Zie bv. Ian Steedman, Marx after Sraffa, Londen, 1978, pp. 37-49; Erik Olin Wright, “The Value Controversy and Social Research”, in The Value Controversy, Londen 1981; en een zeer duidelijke uiteenzetting van Jörg Glombowski, “Eine elementare Einführung in das ‘Transformationsproblem’”, in Mehrwert, nr. 13, pp. 3-43.
[44] De term “organische samenstelling” is ingeburgerd, maar heeft voor een serie dubbelzinnigheden gezorgd, waarvoor Marx op zijn minst gedeeltelijke verantwoordelijkheid draagt.
Hierbij is het van geen belang of men, zoals Sweezy (Theory of Capitalist Development), de verhouding c/v vervangt door c/(v + m). Hierbij wordt dan i.p.v. de betaalde fractie van de arbeid de volledige arbeidsprestatie in de noemer gezet. Marx maakt zeer terecht het onderscheid tussen waarde- en technische samenstelling van het kapitaal. Waar eerstgenoemde een verhouding tussen gehomogeniseerde want abstracte arbeidskwanta voorstelt en dus als een skalaire eenheid uitdrukbaar is, is de technische samenstelling een verhouding tussen heterogene grootheden, die elk in hun eigen eenheid gemeten worden en waartussen dus geen onmiddellijke vergelijking mogelijk is. De technische samenstelling van het kapitaal als blauwdruk van het productieprocédé moet dus noodzakelijkerwijze door een n-dimensionele vector uitgedrukt worden. Nu schrijft Marx wel dat “de politieke economie inderdaad niets met de technologie gemeen heeft” (Zur Kritik..., MEW, 13, p. 37), maar zijn polyvalent gebruik van de metafoor “massa” (“een massa arbeid in beweging zetten”, “een bepaalde massa productiemiddelen, machines, grondstoffen, enz.” geeft soms aanleiding tot verwarring. In de Grundrisse... wordt de term “constant kapitaal” nog door elkaar gebruikt met vast kapitaal. In de Theorien..., d.i. het rechtstreeks voorbereidende werk op Das Kapital, wordt “organische samenstelling” expliciet als technische samenstelling aangewend (Theorien..., MEW, 26.3, p. 374). Bovendien vernemen we van Engels, dat de notie “organische samenstelling” pas in de derde uitgave van het eerste boek van Das Kapital is ingevoerd, en dan nog een paar honderd bladzijden later dan waar het onderscheid tussen gematerialiseerde en levende arbeid zowel in technische als in waardetermen reeds herhaaldelijk aan bod is gekomen. Fine en Harris (Rereading ‘Capital’, Londen, 1979, pp. 58-75) nemen deze gelegenheid te baat om hun interpretatie van de wet van de tendentieel dalende winstvoet te geven. In plaats van verheldering te brengen, voegen ze nog een paar misverstanden aan het probleem toe. Terwijl de waardesamenstelling van het kapitaal gebaseerd is op die steeds veranderende waarden (per eenheid productiemiddel en loongoederen, V.W.), abstraheert de organische samenstelling van het kapitaal van die veranderingen. Het is de organische samenstelling waarbij de elementen der productiemiddelen en loongoederen tegen hun ‘oude waarden’ gewaardeerd worden” (p. 59). Wij gebruiken de term “organische samenstelling” steeds eenduidig als waardesamenstelling.
[45] Marx neemt gemakshalve aan, dat zich door de mobiliteit van de arbeiders zowel intra- als intersectorieel tendentieel een uniforme uitbuitingsgraad gaat vormen. (“Dat kapitalen, die ongelijke hoeveelheden arbeid in beweging zetten, ongelijke hoeveelheden meerwaarde produceren, veronderstelt tenminste tot op zekere hoogte, dat de uitbuitingsgraad der arbeid of de meerwaardevoet dezelfde is, of dat de onderscheiden erin als door werkelijke of ingebeelde (conventionele) compensatiegronden genivelleerd gelden.” Das Kapital III MEW 25, p. 184.) Deze hypothese heeft het voordeel dat ze de specifieke invloed van de onderscheiden organische samenstellingen der kapitalen op de uiteindelijke productieprijzen duidelijker zichtbaar maakt. Hij voegt eraan toe dat zulks hoe dan ook de historische ontwikkeling weerspiegelt. Die uniformisering zet zich des te grondiger door, naarmate de kapitalistische productiewijze meer naar haar eigen concept tendeert, d.i. “hoe meer de verontreiniging door en versmelting met overblijfselen van vroegere economische toestanden ongedaan gemaakt worden.” (ibid., p. 184).
Sweezy merkt op dat er naast frictionele factoren en de aanwezigheid van prekapitalistische barrières nog een andere omstandigheid is die invloed heeft op een mogelijke dispersie der meerwaardevoeten, nl. het feit dat binnen een productietak niet alle bedrijven met eenzelfde productiviteit werken en er ook tussen de productietakken onderling productiviteitsverschillen waar te nemen zijn. Een zodanige nivellering van de productiviteit dat er “geen producenten zijn die op een uitzonderlijk hoog of een uitzonderlijk laag technisch niveau werken” (Theory of Capitalist Development, New York, 1964, p. 65), zou een tweede, en zoals de eerste nooit volledig vervulde voorwaarde zijn opdat de uitbuitingsgraad zich op een zelfde niveau zich zou veralgemenen. Laat ons eerst opmerken, dat onderscheiden in meerwaardevoet in geen enkel opzicht een obstakel vormen voor het tot stand komen van een gemiddelde winstvoet en productieprijzen, noch in het marxiaanse, noch in het gecorrigeerde model.
Nu kunnen er twee opmerkingen rond Sweezy’s overweging geformuleerd worden. De eerste betreft de kwestie van de intersectoriële productiviteitsverschillen; de tweede gaat over het dikwijls verwaarloosde onderscheid tussen per bedrijf voortgebrachte en per bedrijf gerealiseerde meerwaarde. In de mate dat het begrip “productiviteit” aangewend wordt om de verhouding weer te geven tussen het aantal voortgebrachte gebruikswaarden per tijdseenheid gepresteerde arbeid, (dat er m.a.w. omgekeerde evenredigheid bestaat tussen arbeidsproductiviteit en eenheidswaarde), is het duidelijk dat productiviteitsvergelijkingen slechts intrasectorieel zin kunnen hebben. De vergelijking tussen de productiviteit van een bouwvakker en die van een landarbeider is even irrationeel als Marx’ fameuze “gele logaritme”. Dit is van belang, omdat Marx zich wel eens aan de betwijfelbare suggestie waagt, dat de organische samenstelling van het kapitaal (bij gelijkblijvende meerwaardevoet) een maat voor de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit kan zijn. (“De specifieke ontwikkeling van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit verschilt, wat de graad betreft, van productiesfeer tot productiesfeer; ze is hoger of lager naarmate het door een bepaald kwantum arbeid (...) in beweging gebrachte kwantum productiemiddelen groot en bijgevolg het voor een bepaald kwantum productiemiddelen vereiste kwantum arbeid klein is.” (Das Kapital, III, MEW, 25, p. 173).
Hierin wordt hij nagevolgd door E. Mandel (“Les différences en composition organique ... du capital” (4 lijntjes) I, p. 191, die hieruit bovendien impliciet de conclusie trekt dat een intersectoriële productiviteitsvergelijking op basis van de respectieve organische samenstelling mogelijk is, dat m.a.w. die sectoren die een meer dan gemiddelde organische samenstelling hebben “productiever” zijn en bijgevolg sociaal noodzakelijke arbeidstijd uitsparen en de sectoren die onder dat gemiddelde produceren, een fractie maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd verkwisten (“Or, c’est la quantité... A travers la concurr. des capitaux... à productivité élevée.” (onze cursivering) (Ibid.) p. 192.
Nu dient er een scherp onderscheid gemaakt te worden, al naargelang Marx het begrip “sociaal noodzakelijke arbeidstijd” intra- dan wel intersectorieel hanteert. In het eerste geval is de gemiddelde sectoriële arbeidsproductiviteit strikt bepaalbaar en zijn de positieve of negatieve afwijkingen t.o.v. dit gemiddelde een maat voor het besparen of verkwisten van sociaal noodzakelijke arbeidstijd. Intersectorieel kan zich enkel de mogelijkheid van arbeidsverkwisting voordoen in de zin van een conjunctureel of structureel overaanbod van bepaalde categorieën koopwaren (de voorbeelden van excedentaire capaciteit zijn legio), ofwel in die zin dat relatieve schaarste aan bepaalde artikelen een onderproductie en ondertewerkstelling in andere sectoren teweegbrengt (“bottlenecks”). Vanuit het zeer abstracte criterium van de sociaal noodzakelijke arbeidstijd zien we dus dat kapitalistische overproductiecrisissen (van ruilwaarden) op hetzelfde neerkomen als niet-kapitalistische onderproductiecrisissen (van gebruikswaarden). Enkel het socio-economische mechanisme waardoor de wanverhouding tussen productietechnisch bevredigbare behoeften en overproductie van ruilwaarden resp. onderproductie van gebruikswaarden in de hand gewerkt wordt is constitutief voor het onderscheid tussen de huidige crisis van de kapitalistische wereldeconomie en hetgeen zich in de meest pregnante gedaante tegenwoordig bv. in Polen afspeelt. Welk verband er ook moge bestaan tussen arbeidsproductiviteit en organische samenstelling (rechtevenredigheid, lossere maar toch uitgesproken correlatie, hoegenaamd geen verband), laatstgenoemde verhouding kan niet aangewend worden om na te gaan of een sector nu al dan niet maatschappelijke arbeid verkwist. Alleen een vergelijking met voor een bepaalde maatschappij toegankelijke maar niet toegepaste technieken kan sectoriële discrepanties t.o.v. het optimum aan het licht brengen.
Zo komen we aan de tweede opmerking, die wel degelijk betrekking heeft op intrasectoriële productiviteitsverschillen. De meerwaarde die in een afzonderlijk bedrijf uit een bepaalde sector voortgebracht wordt is het verschil tussen de individuele waarde van het globale product en de tijdens de voortbrengst geconsumeerde som van vast en circulerend kapitaal, op zijn beurt gelijk aan het (geconsumeerde deel van het) constant kapitaal en het variabel kapitaal. Hetzelfde geldt natuurlijk voor het eenheidsproduct:

eenheidsproduct


Nu weten we echter, dat niet de individuele maar de onder sectorieel gemiddelde productiviteitsomstandigheden voorgebrachte koopwaar waardebepalend is. In de regel geldt:

warenwaarde


Zoals de afwijking tussen de sectoriële en de gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal bij gegeven en uniforme uitbuitingsgraad medebepalend is voor de kwantitatieve afwijking tussen sectorieel toegeëigende winst en sectorieel voortgebrachte meerwaarde, zal, nog steeds bij gegeven en uniforme uitbuitingsgraad, de intrasectoriële productiviteitsverschillen medebepalend zijn voor het onderscheid tussen per bedrijf gerealiseerde meerwaarde meerwaarde zijnde de meerwaarde die in bedrijf i van productietak j als verschil tussen de bedrijfsspecifieke productiekosten kosten-en-marktwaarde en de marktwaarde Wj gerealiseerd wordt) en per bedrijf geproduceerde meerwaarde (meerwaarde, zijnde het verschil tussen de bedrijfsspecifieke productiekosten kosten-en-marktwaarde en de individuele waarde individuele waarde.

globaal1


(Cfr. “Uit de ontwikkeling volgde, hoe de marktwaarde (en alles wat daarover gezegd werd de nodige beperkingen van kracht voor de productieprijs) een superwinst inhoudt voor degenen die in iedere bijzondere productietak onder de beste voorwaarden produceren.” (Das Kapital, III, MEW, 25, pp. 208-209.) En, als de procentuele vertegenwoordiging van ieder productiviteitsniveau 1,2,... voorstellen door α, β, ..., μ (α + β + ... + μ = 100 %:

globaal2


of

globaal3


Voor de duidelijkheid kunnen misschien de per bedrijf van één sector ontstane verschillen tussen geproduceerde en gerealiseerde meerwaarde (positieve of negatieve) extrameerwaarde genoemd worden, te onderscheiden van superwinsten die ontstaan t.g.v. institutionele barrières die zich bij de intersectoriële concurrentie laten gelden. Het onderscheid is misschien pietluttig, maar tenslotte is het onderscheid tussen winst en meerwaarde alleen maar nodig bij de verklaring van de uitwerkingen van de intersectoriële concurrentie. Men ziet dus dat er geen rechtstreeks verband hoeft te bestaan tussen intersectoriële productiviteitsverschillen en de (hier constant gelaten) uitbuitingsgraad.
[46] r, e, k staan resp. voor gemiddelde winstvoet, uniforme uitbuitingsgraad en gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal; pi, ci en vi geven in volgorde de productieprijs aan, die o.m. resulteert uit de proportie tussen het in sector i aangewende constante en variabele kapitaal.
[47] Het onderscheid tussen formele en reële onderschikking, dat Marx in Das Kapital niet in die termen gehandhaafd heeft, kan misleiden in die zin dat in de Resultate... een chronologische opeenvolging tussen formele en reële onderschikking gesuggereerd wordt. (Zodanig zelfs dat in de Franse vertaling ongevraagd een tussentitel ingelast wordt: “Les deux phases historiques du développement de la production capitaliste”) Marx schrijft: “Wanneer de vroeger onafhankelijk voor zichzelf producerende boer dagloner wordt die voor een pachter werkt wanneer de in het gildewezen geldende hiërarchische geleding verdwijnt ten voordele van de eenvoudige tegenstelling tot de kapitalist, die de ambachtsman voor hem laat werken als loonarbeider, wanneer de gewezen slavenhouder zijn gewezen slaven als loonarbeiders tewerkstelt enz., dan zijn maatschappelijk anders bepaalde productieprocessen in het productieproces van het kapitaal veranderd.” (p. 46) Nu is de formele onderschikking aan het kapitaal enkel een logisch proces dat niet samenvalt met het onteigeningsproces der onmiddellijke producenten en andere vormen van primitieve accumulatie, (die zelf ten dele voortvloeien uit de successen van de reële onderschikking of specifiek-kapitalistische productiewijze), en dat inderdaad enkel tot pedagogisch doel heeft de formele wijziging in de voortbrengst van absolute meerarbeid t.a.v. vroegere productiewijzen te illustreren. Een paar bladzijden verder maakt Marx zelf duidelijk, dat het floreren van woeker- en koopmanskapitaal (die hij elders de “antediluviale bestaansvormen van het kapitaal” noemt) precies impliceert dat de formele onderschikking nog niet overwegend van kracht is.
[48] De notie “(tendentieel) uniforme winstvoet” wordt niet in het gedrang gebracht door de interactie van een monopolistische en een competitieve winstvoet (zie Mandel, Het laatkapitalisme, hoofdstuk 17) of door het tot stand komen van een waaier van winstvoeten overeenkomstig de monopoliseringsgraad van de betrokken sectoren, in die zin dat beide winstvoeten (resp. de onderscheiden monopolistische winstvoeten) elkaar determineren, dat er geen “eeuwige” monopolies bestaan en dat ze zich hoe dan ook niet kunnen losmaken uit de beperktheid van het absolute meerproduct. Zie ook de reeds oudere werken van P. Sylos Labini, Oligopoly and Technical Progresss (Cambridge, U.S., 1962) en Joe Bain, Barriers to New Competition (Cambridge, U.S., 1956).
[49] “Adam Smith en alle schrijvers die hem gevolgd hebben, hebben zonder enige uitzondering (...) eraan vastgehouden, dat een stijging in de prijs van de arbeid uniform zou gevolgd worden door een prijsstijging van alle koopwaren. Ik hoop erin geslaagd te zijn aan te tonen dat zulk een mening ongegrond is, en dat enkel die voorwaarden een prijsstijging zouden kennen, die minder vast kapitaal aanwenden dan het medium waarin de prijs geschat wordt” (Principles...), p. 46.) Verder haalt hij nogmaals tegen A. Smith uit, (Daarom kan Adam Smith het niet juist voorhebben als hij veronderstelt, dat de oorspronkelijke regel die de ruilwaarde der waren regelde, nl. de comparatieve hoeveelheid arbeid waarmee ze voortgebracht worden, ook maar in het minste kan veranderd worden door de toe-eigening van de grond en het betalen van rente.” – (ibid., pp. 77-78), om echter te concluderen dat rente geen component vormt van de prijs der waren.”
[50] Geciteerd door Sraffa, Introduction, pp. XXXIX-XL.
[51] Das Kapital, III MEW 25, p. 219. Zie ook “Revenue and its sources. Die Vülgärökonomi” in Theorien..., III, MEW 26.3. pp. 445-528.
[52] In voetnoot 45 werd reeds naar het begrip verwezen. De samenhang met de waardewet komt misschien a contrario het best tot uiting in het volgende uittreksel uit de Grundrisse... dat kadert in en weerlegging van Proudhons “arbeidsgeldtheorie”. Marx beeldt zich een postkapitalistische samenleving in, waarin “de bank” voor de maatschappelijke synthese ex ante zou instaan.
“De bank zou dus de algemene koper en verkoper zijn. (...) Een tweede attribuut van de bank zou er dan noodzakelijkerwijze in bestaan, de ruilwaarde van alle waren, d.w.z. de arbeidstijd die erin gematerialiseerd is, authentiek vast te leggen. Maar daarmee kunnen haar functies niet uitgeput zijn. Zij zou de arbeidstijd moeten bepalen, waarin de waren geproduceerd kunnen worden, met de gemiddelde hulpmiddelen van de industrie, de tijd waarin ze geproduceerd moeten worden. (...) Zij zou niet alleen de tijd moeten bepalen, waarin een bepaald kwantum producten geproduceerd moet worden en voor de producenten voorwaarden scheppen waarin hun arbeid even productief is (sic) (dus ook de distributie van arbeidsmiddelen moeten nivelleren en ordenen), maar ook de kwanta arbeidstijd moeten bepalen, die in de verschillende productietakken gebruikt moeten worden.” Grundrisse..., Frankfurt, Wenen, s.d., p. 73) Overigens kan men niet zeggen dat Marx deze suggestieve dualiteit in de bepaling van de sociaal noodzakelijke arbeidstijd in Das Kapital op een meer dan anekdotische wijze uitgewerkt heeft.
[53] We hebben hier niet de ruimte om aandacht te besteden aan de ganse waaier van definities van de actieradius van de waardewet en van de effecten die al dan niet rechtstreeks met de waardewet verbonden worden.
[54] MEW, 26.2. p. 204
[55] “Some Notes on the ‘Transformation Problem’”, in Economics and Ideology and Other Essays, London, 1967, pp. 143-157.
[56] De belangrijkste passussen zijn de volgende in het derde boek, p. 169 (“...daß in der kapitalistischen Produktion (...) in den Kostpreis des andren eingeht.”, pp. 170-171 (“...der Unterschied ist der: (...) von ihren Werten”), p. 171 [“Indes (...) durchsetzt.”], p. 174 (“Es ist durch (...) stets ein Irrtum möglich ist.”), pp. 216-217 (“daß der so vom Wert abweichende Produktionspreis (...) mit ihren Werten zusammenfielen.”) In de Theorien... worden beide afwijkingen – die tussen geproduceerde meerwaarde en gerealiseerde winst, en die tussen waarde en productieprijs der input zelfs op voet van gelijkheid behandeld. “Het verschil tussen kostprijs en warenwaarde wordt aldus op tweevoudige wijze veroorzaakt; door het verschil tussen kostprijs en waarde der waren, die de vooropstelling vormen voor het productieproces der nieuwe waren: door het verschil tussen de meerwaarde, die aan de productie voorwaarden werkelijk toegevoegd wordt en de winst die (op het voorgeschoten kapitaal) berekend wordt.” (MEW, 26.3, p. 167. In de Theorien... spreekt Marx nog onderscheidsloos over kostprijs en productieprijs. Hier wordt natuurlijk productieprijs bedoeld.
[57] Deze ontwikkeling is sneller maar cryptischer verlopen in de USSR en haar satellietstaten.
[58] Strikt genomen door Michael Tugan-Baranowsky, die onder marxisten echter meer bekendheid verworven heeft als kop van Jut in Rosa Luxemburgs Die Akkumulation des Kapitals. In zijn Theoretische Grundlagen des Marxismus (Leipzig, 1905) pakt hij nl. een probleem aan, dat men het “omgekeerde transformatieprobleem” genoemd heeft: hoe kunnen we, vertrekkend van gegeven productieprijzen en concrete gegevens nopens het loonpeil, de onderliggende waardestructuur en uitbuitingsgraad reconstrueren! Dat zo’n reconstructie inderdaad van doen is, schijnt bv. Mandel uit het oog te verliezen in zijn ijver om twijfels aangaande de empirische draagwijdte van Marx categorieën te weerleggen.
Zo haalt hij (in zijn Laatkapitalisme p.16) tegen Peter Jeffries Marx’ voorbeeld aan van een berekening van meerwaardemassa en meerwaardevoet op grond van de hem door Engels doorgespeelde gegevens van een fabrikant uit Manchester. Mandel verzuimt echter melding te maken van een gluiperige voetnota, die Marx waarschijnlijk bij wijze afterthought als 31a aan de tekst toegevoegd heeft: “Deze berekeningen zijn slechts als illustratie bedoeld. Er wordt namelijk verondersteld dat de prijs gelijk is aan de waarde. In boek III zal men zien dat deze gelijkstelling niet zo simpelweg kan gemaakt worden, zelfs niet voor de gemiddelde prijzen.” (MEW, 23, p. 234). A.h.w. om zijn schat aan feitenmateriaal te kapitaliseren, komt Engels (in het eigenhandig geschreven hoofdstuk IV van boek III) op zijn empirische gegevens terug als zijnde “een voorbeeld van feitelijke samenstelling van het kapitaal in de moderne grootindustrie.” (MEW, 25, p. 89) Hij vergeet eraan toe te voegen, dat overeenkomstig de een paar hoofdstukken verder uitgewerkte theorie van de perequatie der winstvoeten der waardegegevens slechts uit empirische prijsgegevens kunnen afgeleid worden primo als de marktprijzen op een bevredigende wijze tot de (markt)productieprijzen herleid zijn, en secundo op grond van de vergelijking van de organische samenstelling in die specifieke productiesfeer met de gemiddelde organische samenstelling en op grond van de kwantitatieve van die sector in de totale maatschappelijke voortbrengst. Blijft het feit, dat niet kan vertrokken worden van de organische samenstelling zoals ze zich in marktproductieprijzen aandient, maar dat ook hier dient opgeklommen naar de feitelijke organische samenstelling in arbeidswaarden. Tenslotte valt nog de individuele waarde met de marktwaarde te vergelijken, dient m.a.w. nagegaan waar het bedrijf zich t.o.v. de gemiddelde sectoriële productiviteit situeert (cfr. de nota 45).
[59] Een model van uitgebreide reproductie veronderstelt enkel een kwantitatieve herschikking van de voortgebrachte gebruikswaarden: meer voortgebrachte loongoederen en productiemiddelen, minder luxeproducten.
[60] Zie verder, p. 22 en p. 32.
[61] Nijmegen, 1976. p. 144 e.v.
[62] “Values and Prices of Production: the political economy of the transformation problem”, in Science and Society, nr. XXXVII-4, 1974.
[63] MEW, 25, p. 165. Marx vertrekt van de volgende waardestructuur:

I.80c + 20v + 20m
II.70c + 30v + 30m
III.60c + 40v + 40m
IV.85c + 15v + 15m
V.95c + 5v + 5m


Om zijn voorbeeld te vereenvoudigen, veronderstellen we dat het constant kapitaal in alle sectoren enkel uit circulerend kapitaal bestaat, met dezelfde rotatiesnelheid als het variabel kapitaal.
[64] Cambridge, 1960.
[65] De hoofdbekommernis van Setons bijdrage bestond er in feite in, af te rekenen met de sinds von Bortkiewicz traditie geworden veronderstelling, dat de finaliteit van iedere gebruikswaarde onlosmakelijk verbonden was met de “sector” waarin ze voortgebracht werd. Seton stelt bovendien een “geventileerd” model voor, waarin iedere output principieel als input van zichzelf en elke andere output figureert. Bij de behandeling van de luxegoederen zullen we gelegenheid hebben om die veronderstelling te nuanceren. (F. Seton “The transformation problem”, in Review of Economic Studies, XXIV-3, pp. 149-160.
[66] De consumptie der arbeiders hoeft zich niet tot dat éne goed a te beperken. Er mag staal (of renpaarden) in voorkomen, voor zover die producten als consumptiegoederen en niet als productiemiddelen fungeren.
[67] Het betreft hier een samenvatting van Production..., deel I, 1-44. Het probleem van de “reductie tot gedateerde arbeidskwanta” wordt hier dus niet behandeld.
[68] P. Newman, “Production of Commodities by means of commodities”, in Schweizerisches Zeitschrift für Volkswirtschaft und Statistik, XCVIII (1962), pp. 58-75, heruitgegeven in Schwartz (uitg.), The Subtle Anatomy of Capitalism.
[69] Claudio Napoleoni, Valore, Milaan, 1982, p. 161.
[70] In navolging van von Neumann beschouwt Sraffa het probleem van het vaste kapitaal als een bijzonder geval van joint production; in iedere productie-act wordt het product X en de niet verbruikte elementen van het vaste kapitaal (in een gewijzigde gedaante) voortgebracht. (“Het belang van koppelproductie ligt niet zozeer in de vertrouwde voorbeelden van wol en schaap, of tarwe en stro, dan wel in het feit dat ze het genus is waarvan het vaste kapitaal de voornaamste soort uitmaakt.” – Production..., p. 63.)
[71] Cfr. ook ons voorbeeld op blz. 23.
[72] Cfr. § 8 van Production...
[73] Hier wordt natuurlijk nergens het respectieve aandeel van lonen en winsten in het nettoproduct bedoeld, zoniet zou de verhouding lineair zijn. Het begrip “maximumwinstvoet” heeft Sraffa aan Marx ontleend (Production..., p. 94). De winstvoet kan bij Marx immers nooit de verhouding tussen levende (v + m) en dode arbeid (c) overtreffen.
[74] Hij loont eerst aan, dat uit eender welke feitelijke configuratie zo’n standaardverhoudingen te distilleren zijn; vervolgens dat er slechts één standaardsysteem aan iedere feitelijke configuratie beantwoordt.
[75] Op. cit., p. 132.
[76] MEW, 26.2, p. 425.
[77] Het laatkapitalisme, pp. 230-238.
[78] A. Roncaglia, Sraffa and the Theory of Prices, New York, 1978, pp. 54-55
[79] MEW, 26.3, p. 342.
[80] ibid., p. 343.
[81] “Understanding the Marxian Notion of Exploitation”, in Journal of Economic Literature, 1971, p. 415 sqq.
[82] De aanhalingsteken vanwege het feit dat we niet in waarde-eenheden rekenen.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame

RSS