V.I. Lenin

De proletarische revolutie en de renegaat Kautsky



Geschreven: 1918
Bron: Pegasus, Amsterdam 1935 (Als boek verschenen bij uitgeverij Communist, Moskou) - Beschikbaar gesteld door Koen Dille
Vertaling: Marx-Engels-Lenin Instituut
Deze versie: Spelling, zinsbouw en punctuatie
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2007


Voorwoord
I. Hoe Kautsky Marx in een doodgewone liberaal verandert
II. Burgerlijke en proletarische democratie
III. Kan er gelijkheid bestaan tussen de uitgebuite en de uitbuiter
IV. De Sovjets zouden niet tot staatsorganisaties mogen worden
V. De Constituante en de Sovjetrepubliek
VI. De Sovjetconstitutie
VII. Wat is internationalisme
VIII. In het gevlei komen bij de bourgeoisie onder de schijn van ‘economische analyse’
Aanhangsel - I. Stellingen over de Constituante


Zie ook: De Communne van Parijs | De burgeroorlog in Frankrijk | Dictatuur en proletariaat


Voorwoord

De brochure van Kautsky De dictatuur van het proletariaat (Wenen 1918, Ignatz Brand, 63 blz.), onlangs te Wenen verschenen, is een zeer aanschouwelijk voorbeeld van het volledige en smadelijke bankroet van de IIde Internationale, waarover alle eerlijke socialisten van alle landen sedert lang spreken. De kwestie van de proletarische revolutie staat thans in een reeks van staten praktisch op de agenda. Daarom is het noodzakelijk de renegaten sofismen van Kautsky, zijn volledige zelfverloochening van het marxisme, te ontleden.

Reeds dadelijk moet er de nadruk op worden gelegd dat de schrijver van deze regels reeds vanaf het eerste begin van de oorlog herhaaldelijk op Kautsky’s breuk met het marxisme moest wijzen. Een reeks van artikelen werd van 1914-1916 in de buitenlandse Sociaal-Democraat en in de Communist daaraan gewijd. Deze artikelen zijn verzameld in de uitgave van de Petrogradse Sovjet, getiteld: Tegen de Stroom, Petrograd 1918 (550 blz.). In een brochure, in 1915 te Genève uitgegeven en in hetzelfde jaar in het Duits en in het Frans vertaald, schreef ik over het ‘kautskyanisme’ :

“Kautsky, de grootste autoriteit van de IIde Internationale, is er op de meest typerende en duidelijke wijze het voorbeeld van, hoe het met de lippen belijden van het marxisme in werkelijkheid heeft geleid tot zijn transformatie in ‘stroewisme’ of ‘brentanisme’ (d.w.z. in een burgerlijke liberale leer, die een niet-revolutionaire ‘klassen’strijd van het proletariaat aanvaardt, hetgeen de Russische schrijver Stroeve en de Duitse economist Brentano bijzonder duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht. Wij zien dit ook aan het voorbeeld van Plechanov. Met behulp van klaarblijkelijke sofismen snijdt men uit het marxisme zijn levende, revolutionaire geest, men aanvaardt alles in het marxisme, behalve zijn revolutionaire strijdmiddelen, de propaganda en voorbereiding daarvan, de opvoeding van de massa’s juist in deze richting. Kautsky ‘verzoent’ zinloos de fundamentele gedachte van het sociaalchauvinisme, het aanvaarden van de vaderlandsverdediging in deze oorlog met een diplomatieke paradeconcessie aan de linkse, in de vorm van het niet deel nemen aan de stemming over de kredieten, het met de lippen belijden van zijn oppositie enz. Kautsky, die in 1909 een geheel boek schreef over het naderen van het tijdperk der revoluties en over het verband tussen oorlog en revolutie. Kautsky, die in 1912 het Manifest van Bazel over het op revolutionaire wijze gebruik maken van de dreigende oorlog ondertekende, tracht thans op alle mogelijke manieren het sociaalchauvinisme schoon te wassen en mooi te praten en verenigt zich, evenals Plechanov, met de bourgeoisie om elke gedachte aan de revolutie en alle stappen in de richting van de rechtstreeks revolutionaire strijd belachelijk te maken.
De arbeidersklasse kan zijn revolutionair verelddoel niet verwezenlijken, zonder meedogenloos strijd te voeren tegen dit renegatendom, tegen deze karakterloosheid, tegen deze kruiperige houding tegenover het opportunisme, tegen deze weergaloze vervlakking van het marxisme. Het kautskyanisme is niet iets toevalligs, maar een sociaal product van de tegenstellingen binnen de IIde Internationale, van het verenigen van trouwbetuiging aan het marxisme met het woord, en de onderwerping aan het opportunisme met de daad”. (Socialisme en Oorlog, Genève, 1915, blz. 13-14.)

Verder: In het, in het jaar 1916 geschreven boek Het imperialisme als het hoogste stadium van het kapitalisme (verschenen te Petrograd in 1917) heb ik in onderdelen de theoretische onhoudbaarheid van alle uiteenzettingen van Kautsky over het imperialisme ontleed. Ik heb daar de door Kaustki gegeven definitie van het imperialisme aangehaald:

“Het imperialisme is een product van het hoogontwikkelde industriëele kapitalisme. Het bestaat in de drang van elke industriëele kapitalistische natie, een steeds groter agrarisch (door Kautsky onderstreept) gebied te onderwerpen en te annexeren, zonder er rekening mee te houden door welke volkeren het wordt bewoond”.

Ik toonde de volkomen onjuistheid van deze definitie aan, haar ‘geschikt zijn’ tot het verdoezelen van de diepstgaande tegenstellingen van het imperialisme en verder tot de verzoening met het opportunisme. Ik citeerde mijn eigen definitie van het imperialisme:

“Het imperialisme is het kapitalisme op die trap van zijn ontwikkeling, waarop de heerschappij van de monopolies en van het financierskapitaal tot stand is gekomen, de uitvoer van kapitaal een op de voorgrond tredende betekenis heeft gekregen, de verdeling van de gehele wereld tussen de internationale trusts is begonnen, en de verdeling van het gehele grondgebied van de aarde tussen de grootste kapitalistische landen is voltooid”.

Ik toonde aan, dat Kautsky’s kritiek op het imperialisme zelfs lager stond dan die van de burgerlijke en kleinburgerlijke critici.

Ten slotte: In augustus en september 1917, dus nog voor de proletarische revolutie in Rusland (25 oktober [7 november] 1917), schreef ik de brochure Staat en Revolutie. De leer van het marxisme over de staat en de taak van het proletariaat in de revolutie, die te Petrograd in het begin van 1918 is verschenen en hier, in het zesde hoofdstuk, over “Het vervlakken van het marxisme door de opportunisten”, wijdde ik bijzondere aandacht aan Kautsky en bewees ik, dat hij de leer van Marx volkomen heeft verdraaid, dat hij haar tot opportunisme heeft vervalst, dat hij de revolutie met de daad verloochent, bij een gelijktijdig erkennen drvan met het woord.

In het wezen der zaak bestaat Kautsky’s fundamentele theoretische fout in zijn brochure over de dictatuur van het proletariaat, juist in die opportunistische verdraaiing van Marx leer over de staat, die ik uitvoerig in mijn brochure Staat en Revolutie heb ontmaskerd.

Deze voorafgaande, opmerkingen waren nodig, want zij bewijzen, dat ik Kautsky openlijk heb beschuldigd een renegaat te zijn, lang voor de bolsjewieken de staatsmacht hadden gegrepen en daarvoor door Kautsky werden veroordeeld.

I
Hoe Kautsky Marx in een doodgewoon liberaal verandert

De fundamentele kwestie, die Kautsky in zijn brochure behandelt, is het vraagstuk van de wezenlijke inhoud van de proletarische revolutie, namelijk van de dictatuur van het proletariaat. Dit vraagstuk is voor alle landen van de grootste betekenis, vooral voor de vooraanstaande landen, in het bijzonder voor de oorlogvoerende landen en vooral in de huidige tijd. Men kan zonder overdrijving zeggen dat dit het voornaamste vraagstuk is van de gehele proletarische klassenstrijd. Daarom moeten wij er ons aandachtig mee bezig houden.

Kautsky stelt het vraagstuk aldus:

“De tegenstrijdigheid van de beide socialistische richtingen” (d.w.z. van de bolsjewieken en de niet-bolsjewieken) ... “is de tegenstrijdigheid van twee, tot in de vortel verschillende methoden: de democratische en de dictatoriale”. (blz.3)

We merken in het voorbijgaan op dat, als Kautsky de niet-bolsjewieken in Rusland — dat zijn de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen — socialisten noemt, hij zich laat leiden door hun namen, d.w.z. door een woord en dus niet door de werkelijke plaats die zij in de strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie innemen. Een schitterende opvatting en toepassing van het marxisme! Maar daarover hieronder nader.

Thans moeten wij ons met het belangrijkste bezig houden: met Kautsky’s grote ontdekking van de fundamentele tegenstrijdigheid van de “democratische en dictatoriale methode”.

Dit is de kern van het vraagstuk. Dit is het ganse wezen van Kautsky’s brochure. En dit is zulk een monsterachtige theoretische warwinkel, zulk een volledig loochenen van het marxisme, dat men moet erkennen dat Kautsky Bernstein ver heeft overtroffen.

Het vraagstuk van de dictatuur van het proletariaat is het vraagstuk van de verhouding van de proletarische staat in betrekking tot de burgerlijke staat, van de proletarische democratie tot de burgerlijke democratie. Dat schijnt helder als de dag. Maar Kautsky, precies als de een of andere leraar aan een gymnasium, die door het herhalen van zijn geschiedenisboekjes is uitgedroogd, keert koppig de XXe eeuw de rug toe en wendt zich tot de XVIIIe eeuw en voor de honderdste keer, het is ongeloofelijk vervelend, kauwt en herkauwt hij, in een hele reeks van paragrafen, de oude praatjes over de verhouding van de burgerlijke democratie tot het absolutisme en de middeleeuwen!

Waarlijk, net alsof hij in zijn slaap op een stuk lindenbast kauwt!

Intussen betekent dit dat hij beslist niet begrijpt waarover het gaat. En Kautsky’s wanhopige pogingen om de zaak zo voor te stellen, dat er mensen zouden zijn, die een “verachting der democratie” (blz. 11) preken, enz., kunnen slechts een glimlach verwekken. Met zulke praatjes voor de zaak, moet Kautsky de zaak verdoezelen en verwarren, omdat hij als een liberaal de kwestie stelt over de democratie in het algemeen en niet over de burgerlijke democratie; hij ontwijkt zelfs dit preciese klassenbegrip en tracht te praten over een ‘voor-socialistische’ democratie. Onze politieke tinnengieter heeft bijna een derde gedeelte van zijn brochure, 20 bladzijden van de 63, gevuld met geklets, dat zeer aangenaam is voor de bourgeoisie, want het is gelijk te stellen met een opsmukken van de burgerlijke democratie en het verdoezelt het vraagstuk van de proletarische revolutie.

Intussen luidt de titel van Kautsky’s brochure toch (maar): De Dictatuur van het Proletariaat. Het is algemeen bekend dat dit juist het wezen is van de leer van Marx. En Kautsky moest na al het geklets buiten het onderwerp om, de woorden van Marx over de dictatuur van het proletariaat aanhalen.

Hoe de ‘marxist’ Kautsky dit doet, is reeds je reinste komedie! Hoort:

“Deze opvatting (die Kautsky voor een verachting van de democratie verklaart) steunt op één woord van Karl Marx”.

Zo lezen we letterlijk op bladz. 20. En op blz. 60 wordt dit zelfs in deze vorm herhaald:

“Zij (de bolsjewieken) herinneren zich te rechter tijd het woordje (het staat er zo letterlijk: ‘des Wörtchens’!) over de dictatuur van het proletariaat, door Marx eens, in 1875 in een briefje gebruikt”.

Ziehier dit ‘woordje’ van Marx:

“Tussen de kapitalistische en de communistische maatschappij ligt de periode van de revolutionaire verandering van de ene in de andere. Daarmee is ook de overeenstemming een politieke overgangsperiode, wier staat niets anders kan zijn dan de revolutionaire dictatuur van het proletariaat”.

Ten eerste: dit beroemde oordeel van Marx, dat de samenvatting is van heel zijn revolutionaire leer, ‘'n enkel woord’, of zelfs ‘een woordje’ te noemen, betekent het marxisme honen, het ten volle verloochenen. Men mag niet vergeten dat Kautsky Marx haast van buiten kent en dat hij, naar heel zijn geschrijf te oordelen, in zijn bureau of in zijn hoofd ‘n reeks van houten laadjes heeft, waarin hij alle geschriften van Marx op de meest akkurate en voor het citeren meest gemakkelijke wijze heeft gerangschikt. Kautsky moet weten, dat èn Marx èn Engels, èn in hun brieven èn in hun gedrukte werken, herhaaldelijk over de dictatuur van het proletariaat hebben gesproken, in het bijzonder vóór èn [1] na de Commune. Kautsky moet weten, dat de formule ‘dictatuur van het proletariaat’ niets anders is dan de meer historisch-concrete en wetenschappelijk meer nauwkeurige omschrijving van de taak van het proletariaat: de burgerlijke staatsmachine te ‘verbrijzelen’, waarover Marx zowel als Engels, van 1852 tot 1891, dus gedurende 40 jaren spraken, waarbij zij zich de ervaringen van de revolutie van 1848 en vooral van de revolutie van 1871 ten nutte maakten.

Hoe is deze monsterachtige verdraaiing van het marxisme door Kautsky, de marxistische schriftgeleerde, te verklaren? Indien men over de filosofische grondslag van dit verschijnsel spreekt, zo komt de zaak op het vervangen van de dialectiek door eklekticisme en sofistiek neer. Kautsky is een grootmeester in dergelijke vervalsingen. Plaatst men zich op praktisch-politiek standpunt, zo komt de zaak neer op het bewijzen van lakelendiensten aan de opportunisten, d.w.z. ten slotte aan de bourgeoisie. Sedert het begin van de oorlog, is Kautsky op die weg steeds verder voortgeschreden, zodat hij een virtuoos is geworden in de kunst marxist in woorden en lakei van de bourgeoisie met de daad te zijn.

Daar wordt men nog sterker van overtuigd, wanneer men goed let op de merkwaardige ‘interpretatie’, die Kautsky van ‘het woordje’ van Marx over de dictatuur van het proletariaat geeft.

Hoort:

“Marx heeft, helaas, nagelaten, nader aan te geven hoe hij zich deze dictatuur voorstelt ... .” (Dit is een typische renegaten leugen, want Marx en Engels hebben juist een reeks van, tot in onderdelen uitgewerkte, uitvoerige aanwijzingen gegeven, die onze Marx-schriftgeleerde opzettelijk links laat liggen) “Letterlijk betekent het woord dictatuur de opheffing van de democratie. Maar het spreekt vanzelf dat dit woord, letterlijk opgevat, óók betekent de alleenheerschappij van de enkeling, die door geen enkele wet is gebonden. Een alleenheerschappij, die zich van een despotisme hierin onderscheidt, dat zij niet als een voortdurende staatsinstelling, maar als een voorbijgaande noodmaatregel is gedacht.

De uitdrukking ‘dictatuur van het proletariaat’, d.w.z. niet de dictatuur van een enkeling, maar van een klasse, sluit reeds uit dat Marx aan een dictatuur in de letterlijke zin van het woord heeft gedacht.

Hij spreekt hier niet over een regeringsvorm, maar over een toestand, die noodzakelijkerwijze overal moet ontstaan, waar het proletariaat de politieke macht heeft veroverd. Dat Marx niet een regeringsvorm op het oog had, wordt reeds bewezen door zijn mening dat in Engeland en Amerika de overgang zich langs vreedzame, dus op democratische weg kan voltrekken.” (blz. 20).

Wij citeren dit betoog opzettelijk volledig, opdat de lezer duidelijk kan zien, met welke kunstgrepen de ‘theoreticus’ Kautsky opereert.

Kautsky heeft de oplossing van het vraagstuk willen inleiden met een definitie van het ‘woord’ dictatuur.

Uitstekend. Het is ieders heilig recht een vraagstuk aan te snijden zoals hij dit zelf verkiest. Men moet echter onderscheiden tussen een ernstige en eerlijke manier van inleiden en een oneerlijke. Wie op deze wijze ernstig de kwestie wil behandelen, moet zijn eigen definitie van het onderhavige ‘woord’ geven. Dan zou de kwestie klaar en duidelijk zijn gesteld. Kautsky laat dit na. “Letterlijk”, schrijft hij, “betekent het woord dictatuur: de opheffing van de democratie”.

Ten eerste is dit geen definitie. Wanneer Kautsky het geven van een definitie van het begrip dictatuur had willen ontwijken, waarom heeft hij dan deze manier gekozen om de kwestie aan te snijden?

Ten tweede: is dit klaarblijkelijk onjuist. Voor de liberaal is het natuurlijk van de ‘democratie’ in het algemeen te spreken. Maar een marxist zal nooit vergeten er aan toe te voegen: “Voor welke klasse?” Iedereen weet, en de ‘historicus’ Kautsky weet dit eveneens, dat de opstanden, of zelfs de grote gistingen onder de slaven in de oudheid onmiddellijk bewezen dat de grondslag van de antieke staat de dictatuur van de slavenhouders was. Heeft deze dictatuur de democratie onder de slavenhouders, voor hen zelf, vernietigd? Iedereen weet dat dit niet het geval was.

De ‘marxist’ Kautsky heeft monsterachtige nonsens en een leugen uitgesproken, want hij heeft de klassenstrijd ‘vergeten’...

Om Kautsky’s liberale en leugenachtige bewering in een marxistische en waarachtige stelling te veranderen, moet men zeggen: een dictatuur behoeft niet noodzakelijkerwijze de vernietiging van de democratie voor die klasse te betekenen, die de dictatuur over de andere klassen uitoefent, maar zij betekent noodzakelijkerwijze wèl de vernietiging (of wezenlijke beperking, hetgeen ook een vorm van vernietiging is) van de democratie voor die klasse, over of tegen wie de dictatuur wordt uitgeoefend.

Maar hoe juist deze bewering ook is, toch is ze nog niet een definitie van het begrip van de dictatuur. Laat ons de volgende zin van Kautsky nader onderzoeken:

“... Maar het spreekt vanzelf dat dit woord, letterlijk opgevat, óók betekent de alleenheerschappij van een enkeling, die aan geen enkele wet is gebonden ...”

Als een blinde jonge hond, die toevallig met zijn neus nu naar de ene kant, dan naar de andere kant tast, is Kautsky hier toevallig op een juiste gedachte gestoten (nl. dat de dictatuur een macht is die door geen enkele wet is gebonden); maar een definitie van de dictatuur heeft hij nog niet gegeven en bovendien heeft hij de klaarblijkelijke historische onwaarheid verkondigd dat de dictatuur de macht van een enkeling zou zijn. Dat is niet eens grammaticaal juist, want een dictatuur uitoefenen kan èn een groep van mensen èn een oligarchie èn een klasse, enz.

Verder wijst Kautsky op het onderscheid tussen dictatuur en despotisme. Hoewel zijn bewering klaarblijkelijk onjuist is, zullen we er toch niet bij blijven stilstaan, omdat dit met het ons interesserende vraagstuk niets heeft te maken. De voorliefde van Kautsky om zich van de XXste eeuw naar de XVIIIde en van de XVIIIde naar de oudheid te wenden, is bekend en wij hopen dat het Duitse proletariaat, wanneer het de dictatuur heeft bereikt, met die voorliefde rekening zal houden, door Kautsky, laten we zeggen: tot leraar in de oude geschiedenis aan een gymnasium te benoemen. De definitie van de dictatuur van het proletariaat uit de weg te gaan, door praatjes te verkopen over het despotisme — dat is f uiterste stompzinnigheid f het werk van een buitengewoon onhandigen bedrieger.

Als resultaat verkrijgen wij, dat Kautsky, die op zich nam over de dictatuur te spreken, vele bewuste onwaarheden heeft gezegd, maar geen enkele definitie heeft gegeven! Had hij minder op zijn verstandelijke vermogens vertrouwd en meer een beroep gedaan op zijn geheugen, dan zou hij uit de ‘laadjes’ van zijn loketkast alle gevallen, waarin Marx over de dictatuur spreekt, te voorschijn hebben kunnen halen. Dan zou hij, ongetwijfeld, de navolgende, of een daarmee in wezen gelijkwaardige definitie hebben verkregen:

De dictatuur is een macht, die rechtstreeks steunt op geweld en aan geen enkele wet is gebonden.

De revolutionaire dictatuur van het proletariaat is een macht, veroverd door en steunende op het geweld van het proletariaat over de bourgeoisie, een macht, aan geen enkele wet gebonden.

En ziehier: deze eenvoudige waarheid, een waarheid, helder als de dag voor iedere klassebewuste arbeider (voor de vertegenwoordiger van de massa, en niet voor die bovenste laag van het door de bourgeosie omgekocht kleinburgerlijk gespuis, waartoe de sociaal-imperialisten aller landen behoren), deze waarheid, die vanzelfsprekend is voor iedere vertegenwoordiger van de uitgebuite, voor haar bevrijding strijdende klasse — onbetwistbaar voor iedere marxist — moet de zeer geleerde heer Kautsky ‘in de strijd’ worden ‘afgedwongen’. Waardoor moet dit worden verklaard? Door die geest van slaafsheid, die de leiders van de IIde Internationale heeft doortrokken, die tot verachtelijke sycophanten in dienst van de bourgeoisie zijn geworden.

In het begin pleegde Kautsky een vervalsing door de klaarblijkelijke onzin te verkondigen dat de letterlijke betekenis van het woord dictatuur de dictatuur van een enkeling zou zijn. En daarna verklaart hij, op grondslag van deze vervalsing, dat dus het woord over de dictatuur van het proletariaat bij Marx geen letterlijke betekenis heeft, maar een zodanige, dat de dictatuur niet de toepassing van revolutionair geweld, maar de “vreedzame verovering van de meerderheid onder de burgerlijke (let daar vooral op) democratie” betekent.

Men moet, ziet u, onderscheidt maken tussen ‘toestand’ en ‘regeringsvorm’. Een wonderlijk diepzinnig onderscheid, juist als het onderscheid tussen de ‘toestand’ van domheid van een mens, die op domme wijze redeneert, en de ‘vorm’ van zijn domheid.

Kautsky moet de dictatuur als een ‘toestand van heerschappij’ uitleggen (dit is de uitdrukking die bij hem op de volgende bladzijde, de 21ste, letterlijk is te vinden), want dan verdwijnt het revolutionaire geweld, dan verdwijnt de gewelddadige revolutie. De ‘toestand, van heerschappij’ is de toestand, waarbij de een of andere meerderheid onder de ... democratie voorhanden is ... Met zo’n handige goocheltoer verdwijnt gelukkig de revolutie.

Maar het schelmstuk is al te grof, het kan Kautsky niet redden. Dat de dictatuur zulk een ‘toestand’ van revolutionair geweld die de renegaten zozeer mishaagt, van de ene klasse tegen de andere veronderstelt en betekent, dat ‘wast het water van de zee niet af’. De onzinnigheid van het onderscheid tussen ‘toestand’ en ‘regeringsvorm’ ligt voor de hand. Het moet wel een driedubbele domoor zijn die hier van regeringsvorm praat, want iedere jongen weet dat monarchie en republiek verschillende regeringsvormen zijn. De heer Kautsky moet men bewijzen, dat deze beide regeringsvormen, zoals alle overgangsvormen van de regering onder het kapitalisme, slechts variëteiten zijn van de burgerlijke staat, d.w.z. van de dictatuur van de bourgeoisie.

Spreken over regeringsvorm is ten slotte niet alleen een domme, maar ook een grove vervalsing van Marx, die hier met de grootste duidelijkheid spreekt over de vorm of het type van de staat en niet over de regeringsvorm.

De proletarische revolutie is onmogelijk zonder gewelddadige vernietiging van de burgerlijke staatsmachine en haar vervanging door een nieuwe, die, naar de woorden van Engels, “reeds niet meer een staat is in de eigenlijke betekenis van het woord.”

Kautsky moet dit alles verdoezelen en beliegen. Dat vereist zijn positie als renegaat. En let nu op, tot welke ellendige uitvluchten hij zijn toevlucht neemt.

Eerste uitvlucht:

“Dat hij (Marx) hier niet een regeringsvorm op het oog had, wordt reeds bewezen door zijn mening dat in Engeland en Amerika de overgang zich langs vreedzame, dus langs democratische weg kan voltrekken” ...

De regeringsvorm heeft daar niets mee te maken, want er zijn monarchiëen die voor de burgerlijke staat niet typerend zijn, die zich bv. kenmerken door de afwezigheid van het militarisme; en er zijn republieken die in dit opzicht volkomen typerend zijn, met militarisme en de bureaucratie bv. Dit is een algemeen bekend, historisch en politiek feit, en het zal Kautsky niet gelukken dit te vervalsen.

Wanneer Kautsky ernstig en eerlijk zou willen oordelen, zou hij zich moeten afvragen: zijn er historische wetten die betrekking hebben op de revolutie en geen uitzondering kennen? Het antwoord zou luiden: neen, zulke wetten zijn er niet. Zulke wetten hebben slechts het typerende op het oog, hetgeen Marx eens genoemd heeft: het ‘ideale’, in de zin van een gemiddeld, normaal en typisch kapitalisme.

Verder: — Was er in de jaren ‘70 iets, wat van Engeland en Amerika in de hier te onderzoeken verhoudingen een uitzondering maakte? Het moet aan ieder, die slechts enigermate met de eisen van de wetenschap op historisch gebied vertrouwt is, klaar en duidelijk zijn dat deze vraag gesteld moet worden. Het niet stellen van deze vraag betekent een vervalsing van de wetenschap en spelen met sofismen. En wanneer men deze vraag stelt, dan kan het antwoord niet twijfelachtig zijn. De revolutionaire dictatuur van het proletariaat is het geweld tegen de bourgeoisie; en de noodzakelijkheid van dit geweld wordt, zoals Marx en Engels voortdurend en onophoudelijk hebben uitgelegd (in het bijzonder in het voorwoord en in de tekst van het werk De burgeroorlog in Frankrijk in 1871) vooral veroorzaakt doordat er militarisme en bureaucratie bestaat. En juist in de jaren ‘70 van de XIXde eeuw, toen Marx deze opmerking maakte, waren deze instellingen in Engeland en Amerika er niet. Maar thans zijn ze èn in Engeland, èn in Amerika aanwezig.

Kautsky moet letterlijk bij iedere stap oplichting plegen om zijn renegaat-zijn te verbergen.

En let wel, hoe hij hier per ongeluk zijn ezelsoren liet zien. Hij schreef: “langs vreedzame, dus langs democratische weg"!!!

Toen Kautsky zijn definitie van de dictatuur gaf, heeft hij zijn uiterste best gedaan om voor de lezer het fundamentele karakter van dit begrip verborgen te houden, nl het revolutionaire geweld. Maar nu treedt de waarheid aan het licht: het gaat om de tegenstelling tussen vreedzame en gewelddadige omwenteling.

Hier ligt de hond begraven. Alle uitvluchten, alle sofismen, alle schelmstukken dienen er Kautsky alleen toe om om de gewelddadige revolutie heen te praten, zijn afvalligheid van de revolutie en zijn overlopen naar de zijde van de liberale arbeiderspolitiek d.w.z. naar de zijde van de bourgeoisie, te bedekken. Hier ligt de hond begraven!

De ‘historicus’ Kautsky vervalst de geschiedenis zo schaamteloos, dat hij het fundamentele ‘vergeet’: het vóór-monopolistische kapitalisme (dat juist in de jaren ‘70 van de XIXde eeuw zijn hoogtepunt bereikte) onderscheidde zich krachtens zijn belangrijkste economische eigenschappen, die in Engeland en Amerika bijzonder typerend aan het licht traden, door een, naar verhouding zo groot mogelijke vredelievendheid en vrijheidsliefde. Maar het imperialisme, d.w.z. het monopolistisch kapitalisme, dat pas in de XXe eeuw tot volle wasdom is gekomen, onderscheidt zich, krachtens zijn fundamentele economische eigenschappen, door zeer geringe vredelievendheid en vrijheidsliefde en door de grootste en meest algemene ontwikkeling van het militarisme. Daar geen rekening mee te houden, wanneer men onderzoekt in hoever een vreedzame of gewelddadige revolutie typisch of waarschijnlijk is, staat gelijk met af te dalen tot de meest vulgaire lakei der bourgeoisie.

Tweede uitvlucht.

De Commune van Parijs was de dictatuur van het proletariaat, maar zij was gekozen langs de weg van het algemene kiesrecht, zonder dat de bourgeoisie van haar kiesrecht was beroofd, dus op ‘democratische’ wijze. En Kautsky triomfeert ... .

“De dictatuur van het proletariaat was voor hem (Marx)” (of volgens Marx) “een toestand, die noodzakelijkerwijze voortkomt uit de zuivere democratie, wanneer het proletariaat de meerderheid vormt (bei überwiegenden Proletariat)”. (Blz. 21).

Dit argument van Kautsky is zo grappig, dat men bij de bestrijding ervan werkelijk met een ‘embarras de richesses’ [2] te doen krijgt. In de eerste plaats weet men dat de bloem, de staf, de top van de bourgeoisie uit Parijs naar Versailles was gevlucht. Te Versailles vertoefde de ‘socialist’ Louis Blanc hetgeen o.m. een bevestiging van de leugenachtigheid van Kautsky’s bewering, dat ‘alle richtingen’ van het socialisme aan de Commune zouden hebben deelgenomen. Is het niet belachelijk, de verdeling der burgers van Parijs in twee vijandelijke kampen, waarvan er één de gehele strijdvaardige en politieke actieve bourgeoisie omvatte, voor te stellen als ‘zuivere democratie’ met het ‘algemeen kiesrecht’?

In de tweede plaats: De Commune streed tegen Versailles, als de arbeidersregering van Frankrijk tegen de burgerlijke regering. Wat is hier de rol van de ‘zuivere democratie’ en het ‘algemeen kiesrecht’, als Parijs het lot van Frankrijk besliste? Toen Marx oordeelde dat de Commune een fout heeft begaan door zich niet meester te maken van de Franse Bank, die aan geheel Frankrijk toebehoorde, ging hij toen ook uit van de beginselen én de praktijk van de ‘zuivere democratie?'

Men ziet wel, dat Kautsky schrijft in een land, waar het de mensen bij politieverordening verboden is ‘gezamenlijk’ te lachen. Anders was hij al lang doodgelachen.

Ten derde, veroorloof ik mij, in alle eerbied de heer Kautsky, die de werken van Marx en Engels uit het hoofd heeft geleerd, het volgende oordeel van Engels over de Commune, van het standpunt van de ... ‘zuivere democratie’, in herinnering te brengen:

“Hebben die heren (anti-autoriteiten) wel ooit een revolutie gezien? Een revolutie is zeker de meest autoritaire zaak die maar mogelijk is, een revolutie is een daad waarbij een deel van de bevolking zijn wil aan het andere deel oplegt door middel van geweren, bajonetten en kanonnen, d.w.z. met zeer autoritaire middelen; en de overwinnende partij wordt noodzakelijkerwijze gedwongen zijn heerschappij te schragen door middel van de vrees die haar wapens aan de reactionairen inboezemen. En indien de Commune van Parijs niet op de autoriteit van het tegen de bourgeoisie gewapende volk had gesteund, zou zij zich dan wel langer dan een dag hebben kunnen handhaven? Zijn wij integendeel niet gerechtigd de Commune te verwijten dat zij veel te weinig van deze autoriteit gebruik heeft gemaakt?”

Daar hebt ge nu de ‘zuivere democratie’! Wat zou Engels de draak hebben gestoken met de filister en de ‘sociaaldemocraat’ (in de Franse betekenis van de jaren ‘40, of de algemeen Europese betekenis van de jaren 1914 tot 1918), die het in zijn hoofd zou hebben gekregen, van ‘zuivere democratie’ in het algemeen te spreken in een in klassen verdeelde maatschappij!

Maar het is voldoende. Het is onmogelijk al de dwaasheden, die Kautsky aan de man heeft willen brengen, stuk voor stuk op te sommen. In elk van zijn frases is hij een renegaat tot in merg en been.

Marx en Engels hebben een tot in bijzonderheden afdalende ontleding van de Commune van Parijs gegeven, zij hebben aangetoond dat haar verdienste bestond in haar poging om de ‘bestaande staatsmachine’ te verbrijzelen, te vernietigen. In de ogen van Marx en Engels was dit punt van zo grote betekenis dat het het enige is dat zij in 1872 als verbetering hebben aangebracht in het (hier en daar) ‘verouderde’ Communistische Manifest. Marx en Engels hebben bewezen dat de Commune het leger en het beambtenstelsel vernietigde, een eind maakte aan het parlementarisme en de ‘parasitaire uitwas, de staat’, verwoestte enz., en de zeer geleerde Kautsky trekt zijn slaapmuts over de oren en herhaalt het eeuwige gezeur van de liberale professoren over de ‘zuivere democratie’.

Niet voor niets heeft Rosa Luxemburg op de 4e augustus 1914 de Duitse sociaaldemocratie een stinkend lijk genoemd.

Derde uitvlucht:

“Wanneer wij over de dictatuur als regeringsvorm spreken, kunnen we niet spreken over de dictatuur van een klasse. Want gelijk we reeds deden opmerken: een klasse kan alleen overheersen, maar niet ‘regeren’ ... Regeren kunnen alleen ‘organisaties’ of ‘partijen’.”

U haalt de dingen op een afschuwelijke manier door elkaar, mijnheer de confusionist! De dictatuur is geen ‘regeringsvorm’, dat is belachelijke onzin! Ook Marx spreekt niet over een regeringsvorm, maar over de vorm of het type van de staat. Dat is volstrekt niet hetzelfde, volstrekt niet hetzelfde. Het is ook totaal onjuist dat een klasse niet zou kunnen regeren. Een dergelijke dwaasheid kan slechts een parlementaire ‘crétin’ [3] uiten, die buiten het burgerlijke parlement niets ziet en buiten de ‘leidende partijen’ niets bemerkt. Ieder willekeurig Europees land zal Kautsky voorbeelden van regeringen door de heersende klassen tonen, bv. door de landheren in de middeleeuwen, ondanks hun gebrekkige organisatie.

Tenslotte dus, heeft Kautsky op de meest ongehoorde manier het begrip van de dictatuur van het proletariaat vervalst, terwijl hij Marx in een vulgaire liberaal veranderde. D.w.z. hij is zelf afgezakt tot het peil van een liberaal, die banale praatjes over de ‘zuivere democratie’ opdist, de klasseninhoud van de burgerlijke democratie opsmukt en verdonkermaant, en die boven alles het revolutionaire geweld van de zijde van de onderdrukte klasse vreest. Door het begrip van de ‘revolutionaire dictatuur van het proletariaat’ zo ‘uit te leggen’, dat het revolutionaire geweld van de uitgebuite klasse over de uitbuiters verdween, heeft Kautsky het wereldrecord van liberale Marx-vervalsingen geslagen. De renegaat Bernstein is maar een schoothondje in vergelijking met de renegaat Kautsky.

II
Burgerlijke en proletarische democratie

De kwestie, die door Kautsky zo afschuwelijk in de war is gebracht, is in werkelijkheid als volgt: wanneer men niet wil spotten met het gezonde verstand en met de geschiedenis, is het duidelijk dat men niet spreken mag van ‘zuivere democratie’, zolang er verschillende klassen bestaan, en dat men alleen kan spreken van klasse-democratie. (Tussen haakjes gezegd: ‘zuivere democratie’ is niet alleen een stompzinnige frase, waarin blijk wordt gegeven dat men geen begrip heeft van de klassenstrijd en van het wezen van de staat, maar zij is bovendien een meer dan holle frase, want in de communistische maatschappij zal de democratie, die zich verandert en tot een gewoonte wordt, afsterven. Maar nooit zal er ‘zuivere’ democratie bestaan).

De ‘zuivere democratie’ is de leugenachtige frase van een liberaal, die de arbeiders een rad voor de ogen draait. De geschiedenis kent de burgerlijke democratie, die het feodalisme heeft vervangen en de proletarische democratie, die de burgerlijke zal vervangen.

Wanneer Kautsky bijna dozijnen bladzijden wijdt aan het ‘bewijzen’ van de waarheid dat de burgerlijke democratie tegenover de middeleeuwen een vooruitgang is en dat het proletariaat in zijn strijd tegen de bourgeoisie er beslist gebruik van moet maken, dan is dit inderdaad liberaal geleuter ter misleiding van de arbeiders. Niet alleen in het beschaafde Duitsland, maar ook in het onbeschaafde Rusland is dit een gemeenplaats. Kautsky strooit met zijn ‘geleerdheids’-vertoon de arbeiders zand in de ogen, wanneer hij met het ernstigste gezicht van de wereld over Weitling en de Jezuïeten in Paraguay of andere beuzelarijen spreekt, ten einde het burgerlijke wezen van de huidige, d.w.z. van de kapitalistische democratie uit de weg te gaan.

Kautsky ontleent aan het marxisme, wat aannemelijk is voor de liberalen, voor de bourgeoisie (kritiek op de middeleeuwen; de vooruitstrevende historische rol van het kapitalisme in het algemeen, en van de kapitalistische democratie in het bijzonder) en hij werpt overboord, gaat stilzwijgend voorbij of verdoezelt al wat in het marxisme voor de bourgeoisie onaannemelijk is (het revolutionaire geweld van het proletariaat tegen de bourgeoisie om haar te vernietigen). En daarom blijkt Kautsky krachtens zijn objectief standpunt, wat ook zijn subjectieve overtuiging moge zijn, onvermijdelijk een lakei van de bourgeoisie te zijn.

De burgerlijke democratie, die een zeer grote historische vooruitgang is in vergelijking met de middeleeuwen, blijft altijd — en kan onder het kapitalisme niet anders dan eng, beperkt, leugenachtig, huichelachtig, een paradijs voor de rijken blijven — een valstrik en een leugen voor de uitgebuiten, voor de armen. Ziehier, de waarheid die een wezenlijk bestanddeel van de marxistische leer uitmaakt en die de ‘marxist’ Kautsky niet heeft begrepen. Bij de behandeling van dit kernvraagstuk biedt Kautsky de bourgeoisie ‘vriendelijkheidjes’ aan in plaats van een wetenschappelijke analyse te geven van de voorwaarden, die iedere burgerlijke democratie tot een democratie voor de rijken maken.

Laten we beginnen met de zeer geleerde heer Kautsky aan de theoretische uiteenzetting van Marx en Engels te herinneren, die onze Marx-kenner tot zijn schande en tot groot profijt van de bourgeoisie, heeft ‘vergeten’. Vervolgens zullen wij de kwestie op de meest populaire wijze toelichten.

Niet alleen de antieke en de feodale, maar, zoals Engels zegt, ook de huidige parlementaire staat is een werktuig tot uitbuiting van de loonarbeid door het kapitaal (Engels in zijn werk over de staat).

“Daar nu de staat toch slechts een voorbijgaande instelling is, waarvan men zich in de strijd, in de revolutie, bedient om de tegenstander met geweld er onder te houden, zo is het pure onzin, van de vrije volksstaat te spreken — zo lang het proletariaat de staat nog gebruikt, gebruikt het hem niet in het belang van de vrijheid, maar om er zijn tegenstanders mee onder de duim te houden. En zodra er van vrijheid sprake kan zijn, houdt de staat als zodanig op te bestaan”. (Engels, in een brief aan Bebel, van 28 maart 1875).
“In werkelijkheid is de staat niets anders dan een machine ter onderdrukking van de ene klasse door een andere klasse en wel in de democratische republiek niet minder dan in de monarchie”. (Engels, in het voorwoord tot de Burgeroorlog van Marx).
“Het algemeen kiesrecht is de graadmeter van de rijpheid van de arbeidersklasse. Meer kan en zal het in de huidige staat nooit zijn”. (Engels, in zijn Oorsprong van het gezin enz.) [4].

De heer Kautsky herkauwt tot vervelens toe het eerste deel van die stelling, die voor de bourgeoisie aannemelijk is. De rest evenwel, die wij hebben onderstreept en die niet aannemelijk is voor de bourgoisie, verzwijgt de renegaat Kautsky.

“De Commune moest niet een parlementair, maar een werkend lichaam zijn, voltrekkend en wetgevend tegelijkertijd”... “In plaats van eenmaal in de drie of zes jaren te beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement moet vertegenwoordigen en onderdrukken (ver- und zertreten), moest het algemene kiesrecht het in Communes samengevatte volk dienen, evenals het individuële kiesrecht er iedere andere werkgever toe dient, arbeiders, opzichters en boekhouders voor zijn zaak te kiezen”. (Marx, over de Parijse Commune, in De burgeroorlog in Frankrijk in 1871).

Elk van deze zinnen, de zeer geleerde heer Kautsky wel bekend, is een slag in zijn gezicht en ontmaskert zijn verraad volkomen. In heel zijn brochure toont Kautsky niet een greintje begrip van deze waarheden. Van begin tot eind is zijn geschrift een doorlopend honen van het marxisme!

Neemt de grondwetten van de moderne staten — neemt hun regeringen; — neemt de vrijheid van vergaderen; van pers; — neemt de gelijkheid van de burgers voor de wet; — bij iedere stap zult ge de aan iedere eerlijke en bewuste arbeider welbekende huichelarij van de burgerlijke democratie ontmoeten. Er is niet één staat, ook niet de meest democratische, die in zijn grondwet niet een of andere achterdeur of beperkingen heeft, die aan de bourgeoisie de mogelijkheid verzekert het leger tegen de arbeiders te mobiliseren, de staat van beleg af te kondigen enz., ‘voor het geval dat de orde wordt verstoord’, d.w.z. voor het geval dat de uitgebuite klasse ook maar de geringste poging waagt om haar slaventoestand te ‘overtreden’ en niet langer als slaven te handelen. Kautsky gaat zich schaamteloos te buiten aan allerlei mooipraterij van de burgerlijke democratie en verzwijgt bij voorbeeld datgene wat de meest republikeinse en democratische bourgeoisie in Amerika en in Zwitserland tegen de stakende arbeiders uithalen.

O neen, de wijze en geleerde Kautsky zwijgt daar over! Deze geleerde politicus begrijpt niet, dat op dit punt zwijgen een laaghartigheid is. Liever wiegt hij de arbeiders in slaap, door hun sprookjes te vertellen, hoe bv. democratie ‘bescherming van de minderheid’ betekent. Het is niet te geloven, maar het is een feit! In de zomer van het jaar 1918 van de christelijke jaartelling — in het 4de jaar van de imperialistische wereldslachting en van de onderdrukking van de internationale minderheden (d.w.z. van hen, die niet als een Renaudel en een Longuet, een Scheidemann en een Kautsky, een Henderson en een Webb, het socialisme laaghartig hebben verraden in alle ‘democratieën van de wereld’) — bezingt de geleerde heer Kautsky met honingzoete stem de ‘bescherming der minderheden’. — Wie er lust toe heeft kan het nalezen op bladzijde 15 van Kautsky’s brochure. En op bladzijde 16 vertelt dat zelfde geleerde individu u over de Whigs en de Tories in de XVIIIde eeuw in Engeland!

Welk een geleerdheid! Welk een geraffineerde ogendienerij van de bourgeoisie! Welk een beschaafde manier om voor de kapitalisten op zijn buik te kruipen en hun hielen te likken! Als ik Krupp of Scheidemann, Clémenceau of Renaudel was, zou ik de heer Kautsky miljoenen betalen. Ik zou hem voor zijn judaskussen belonen. Ik zou hem prijzen tegenover de arbeiders. Ik zou de ‘socialistische eenheid’ met zulke ‘achtenswaardige’ lieden als Kautsky prediken. Brochures schrijven tegen de dictatuur van het proletariaat — en vertellen van de Whigs en de Tories in de XVIIIde eeuw in Engeland; — beweren dat de democratie ‘bescherming der minderheid’ betekent; — en zwijgen over de pogroms tegen de internationalisten in de ‘democratische’ republiek Amerika; ... zijn dat geen aan de bourgeoisie bewezen lakeiendiensten?

Onze geleerde heer Kautsky heeft, waarschijnlijk bij toeval, een ‘kleinigheid’ ‘vergeten’, nl., dat in de burgerlijke democratie de overheersende partij de bescherming der minderheid alleen toekent aan de andere burgerlijke partij, terwijl het proletariaat bij iedere ernstige belangrijke fundamentele kwestie, bij wijze van ‘beschermde minderheid’ niets anders ontvangt dan de staat van beleg en pogroms. Hoe meer de democratie is ontwikkeld, des te dichter staan wij in geval van diepgaande en voor de bourgeoisie gevaarlijke conflicten bij pogroms en bij de burgeroorlog. Deze ‘wet’ van de burgerlijke democratie had de geleerde heer Kautsky kunnen waarnemen ter gelegenheid van de Dreyfuszaak in het republikeinse Frankrijk, — bij het lynchen van negers en internationalisten in de democratische Amerikaanse republiek; — het voorbeeld van Ierland en Ulster in het democratische Engeland; de in de democratische Russische republiek georganiseerde ophitsing en pogroms tegen de bolsjewieken in april 1917. Met opzet kies ik niet alleen voorbeelden uit de oorlogstijd, maar ook uit de tijd van voor de oorlog, de tijd van de vrede. De zoetsappige heer Kautsky houdt er van zijn ogen te sluiten voor de feiten van de XXste eeuw en in plaats daarvan aan de arbeiders wonderbaarlijk nieuwe, hoogst belangwekkende, buitengewoon leerzame en ongeloofelijk belangrijke dingen te vertellen over de Whigs en de Tories in de XVIIIde eeuw.

Neemt het burgerlijke parlement. Kan men aannemen dat de geleerde Kautsky nooit heeft horen gewagen van het feit dat de burgerlijke parlementen des te afhankelijker zijn van de beurs en de bankiers, naarmate de democratie sterker is ontwikkeld? Daaruit volgt niet dat men zich niet van het burgerlijke parlement moet bedienen (en de bolsjewieken hebben zich er met beter gevolg van bediend dan wellicht elke andere partij ter wereld, want tussen de jaren 1912 en 1914 hebben wij de gehele arbeiderskurie in de Vierde Doema veroverd); maar wèl volgt er uit dat alleen een liberaal de historische begrensheid en betrekkelijkheid van het burgerlijk parlementarisme kan vergeten, — zoals Kautsky het vergeet. Bij iedere stap stoten de onderdrukte massa’s in de democratisch-burgerlijke staat op hemeltergende tegenstellingen tussen de formele gelijkheid, door de ‘democratie’ van de kapitalisten verkondigd en de duizenden van feitelijke beperkingen en moeilijkheden, die van proletariërs loonslaven maken. Juist deze tegenstelling opent de ogen van de massa’s voor de verrotting, de leugenachtigheid, de schijnheiligheid van het kapitalisme. Juist deze tegenstelling wordt onophoudelijk door de agitators en de propagandisten van het socialisme voor de massa’s ontmaskerd, om hen voor de revolutie voor te bereiden! Maar toen het tijdvak van de revoluties begon, keerde Kautsky dit alles de rug toe en begon hij de heerlijkheden van de afstervende burgerlijke democratie te bezingen! De proletarische democratie, waarvan een van de vormen de Sovjetmacht is, heeft een in de wereld ongekende ontwikkeling en uitbreiding aan de democratie gegeven, juist voor de reusachtige meerderheid van de bevolking, voor de uitgebuiten en de werkers. Een heel boek over de democratie schrijven, zoals Kautsky heeft gedaan, waarbij hij 2 bladzijden aan de dictatuur en tientallen van bladzijden aan de ‘zuivere democratie’ wijdde — en dit niet opmerken, betekent: de zaak geheel en al op liberale wijze vervalsen.

Neem de buitenlandse politiek. In geen enkel, ook niet in het meest democratische burgerlijke land, wordt zij in het openbaar gevoerd. Overal bedrog aan de massa’s — in het democratische Frankrijk, in Zwitserland, in Amerika en in Engeland honderdmaal meer en geraffineerder dan in andere landen. De Sovjetmacht heeft op revolutionaire wijze de sluier, die het geheim van de buitenlandse politiek verborgen hield, aan flarden gescheurd. Kautsky heeft daar niets van gemerkt. Hij zwijgt er over. En toch is dit feit, in het tijdvak van de roversoorlogen en de geheime verdragen over de ‘verdeling van de invloedssferen’ (d.w.z. over de verdeling van de wereld onder de kapitalistische rovers), van alles overtreffende betekenis, want daarvan is de vrede en leven en dood van tientallen miljoenen van mensen afhankelijk.

Neem de structuur van de staat. Kautsky klampt zich aan ‘kleinigheden’ vast, het feit daarbij inbegrepen dat de verkiezingen (onder de Sovjetconstitutie), ‘indirect’ zijn, maar het wezen van de zaak ontgaat hem. Het klassenkarakter van het staatsapparaat, van de staatsmachine, merkt hij niet op. In de burgerlijke democratie weten de kapitalisten met duizenderlei kunstgrepen, te kunstiger en doeltreffender naarmate de ‘zuivere democratie’ meer is ontwikkeld, de massa’s uit te sluiten van het deelnemen aan het bewind, van de vrijheid van vergaderen en drukpers enz. De Sovjetmacht is de eerste in de wereld (streng genomen de tweede, want de Commune van Parijs had hier reeds een begin gemaakt) om de massa’s, juist de uitgebuite massa’s, bij het staatsbestuur te betrekken. De deelname aan het burgerlijk parlement (dat bovendien in de werkelijk belangrijke vraagstukken onder de burgerlijke democratie nooit een beslissing heeft te nemen; die beslissing nemen de beurs en de banken) is de arbeidende massa door duizenderlei hindernissen versperd en de arbeiders weten, voelen, zien zeer goed, dat het burgerlijke parlement een aan hun belangen vreemde instelling is, een werktuig van de onderdrukking van de proletariërs door de bourgeoisie, de instelling van een vijandelijke klasse, van een minderheid van uitbuiters. De Sovjets zijn de directe organisaties van de arbeidende en uitgebuite massa’s zelf, die hun de mogelijkheid vergemakkelijken zelf de staat te organiseren en op elke wijze, zover het maar mogelijk is, te leiden. De voorhoede van de arbeidende en uitgebuite massa’s, het proletariaat van de steden, krijgt daarbij juist het voordeel, dat het, omdat het door de grootbedrijven het best is verenigd, het gemakkelijkst kan kiezen en de verkiezingen controleren. De Sovjetorganisatie vergemakkelijkt automatisch de aaneensluiting van de gehele arbeidende en uitgebuite massa’s rondom hun voorhoede, het proletariaat. Het oude burgerlijke apparaat — de bureaucratie, de voorrechten van de rijkdom, van de burgerlijke opvoeding, van de relaties enz. (deze werkelijke voorrechten zijn van des te meer verschillende aard, hoe meer de burgerlijke democratie ontwikkeld is) — dat alles valt bij de Sovjetorganisatie weg. De vrijheid van drukpers houdt op huichelarij te zijn, want de drukkerijen en het papier zijn de bourgeoisie afgenomen. Hetzelfde geldt voor de beste gebouwen, herenhuizen, villa’s, paleizen. De Sovjetmacht heeft met één slag vele duizenden en nog eens duizenden van de beste gebouwen van de uitbuiters afgenomen en op deze wijze heeft zij het recht van vergaderen voor de massa’s duizendmaal meer ‘democratisch’ gemaakt — dat recht van vergaderen, waarzonder de democratie een bedriegerij is. De getrapte verkiezingen voor de niet lokale, niet plaatselijke Sovjets, vergemakkelijken het tot stand komen van Sovjetcongressen, maken het gehele apparaat goedkoper, beweeglijker, toegankelijker voor de arbeiders en de boeren in een tijdperk van intens leven, waarin men zijn plaatselijke vertegenwoordigers zonder verwijl moet kunnen terug roepen of hen afvaardigen naar het algemene congres van de Sovjets.

De proletarische democratie is miljoenen malen meer democratisch dan de meest democratische burgerlijke republiek.

Wie deze waarheid niet opmerkt, moet f een bewuste lakei van de bourgeoisie zijn, f iemand die politiek volkomen dood is, die van achter de stoffige burgerlijke boeken het werkelijke leven niet vermag te zien, doordrenkt als hij is van burgerlijk-democratische vooroordelen en daardoor, objectief, veranderd in een lakei van de bourgeoisie.

Wie deze waarheid niet bemerkt, kan niet bij machte zijn het vraagstuk van het standpunt van de onderdrukte klasse te stellen.

Is er op de gehele wereld ook maar één land onder de meest democratische burgerlijke landen, waarin de doorsnee landarbeider uit de massa, of de half-proletariër van het platteland (d.w.z. de vertegenwoordigers van de onderdrukte massa, van de geweldige meerderheid van de bevolking) ook maar bij benadering in zulk een mate in het genot is van de vrijheid om hun vergaderingen te houden in de beste gebouwen, van de vrijheid om voor het uiten van hun gedachten en de verdediging van hun belangen gebruik te maken van de grootste drukkerijen met de beste voorraden aan papier, van de vrijheid om aan mensen van hun eigen klasse de regering en de ‘inrichting’ van de staat toe te vertrouwen, zoals dit in Sovjet Rusland het geval is? En het is belachelijk te denken dat de heer Kautsky, in welk land dan ook, onder duizend verlichte arbeiders en landarbeiders er ook maar één zou kunnen vinden die zou aarzelen op deze vraag een antwoord te geven. Instinctief sympathiseren de arbeiders van de gehele wereld, die slechts brokstukken van de waarheid uit de burgerlijke pers ervaren, met de Sovjetrepubliek, juist omdat zij in haar de proletarische democratie zien, een democratie voor de armen, in tegenstelling met de burgerlijke democratie, zelfs met de beste, die feitelijk een democratie voor de rijken is.

Wij worden geregeerd (en onze staat wordt ‘ingericht’) door burgerlijke ambtenaren, burgerlijke parlementariërs, burgerlijke rechters. Dat is de eenvoudige, in ‘t oog springende, onbetwistbare waarheid, die tientallen, honderdtallen van miljoenen mensen uit de onderdrukte klassen in alle burgerlijke landen, ook in de meest democratische, uit eigen levenservaring kennen, die zij elke dag aan de lijve voelen en ondergaan. Maar in Rusland heeft men het gehele ambtenarenapparaat stuk geslagen, geen steen is op de andere gelaten. Men heeft de oude rechters weggejaagd, het burgerlijke parlement uiteengejaagd en een veel meer toegankelijke vertegenwoordiging gegeven juist aan de arbeiders en boeren, want hun sovjets hebben de ambtenaren vervangen, of geven aan de ambtenaren bevelen; hun sovjets hebben hen tot kiezers van de rechters gemaakt.

Dit ene feit is voldoende om alle onderdrukte klassen te overtuigen dat de sovjetmacht, d.w.z. de gegeven vorm van de dictatuur van het proletariaat, duizendmaal meer democratisch is dan de meest democratische burgerlijke republiek.

Kautsky kan deze, voor iedere arbeider begrijpelijke, in ‘t oog springende waarheid niet begrijpen, want hij heeft ‘vergeten’, ‘verleerd’, de vraag te stellen: — democratie — voor welke klasse? Hij gaat bij zijn redenering uit van het standpunt van de ‘zuivere’ (betekent dit: klassenloze? Of boven de klassen staande?) democratie. Hij is als een Shylock, die aan niets anders denkt dan aan zijn ‘pond vlees’. Gelijkheid van alle burgers — en anders is er geen democratie.

Wij moeten de geleerde Kautsky, de ‘marxist’, de ‘socialist’ Kautsky de vraag stellen: kan er gelijkheid zijn tussen uitgebuiten en uitbuiters?

Het is monsterachtig, ‘t is ongeloofelijk, dat men bij de bespreking van een boek van de geestelijke leider van de IIde Internationale ten slotte zulk een vraag moet stellen. Maar wie A zegt, moet ook B zeggen. We hebben op ons genomen over Kautsky te schrijven en moeten dus aan die geleerde man uitleggen waarom er geen gelijkheid kan zijn tussen uitbuiters en uitgebuiten.

III
Kan er gelijkheid zijn tussen de uitgebuiten en de uitbuiters?

Kautsky redeneert als volgt:

1) “De uitbuiters vormden steeds slechts een kleine minderheid van de bevolking” (blz. 14 van het boekje van Kautsky).

Dat is een onbetwistbare waarheid. Hoe moet men nu, uitgaande van deze waarheid, verder redeneren? Men kan als marxist, als socialist, redeneren. In dit geval moet men de verhouding tussen de uitgebuiten en de uitbuiters als grondslag aannemen. Men kan als liberaal, als burgerlijk democraat redeneren; dan moet men de verhouding tussen meerderheid en minderheid als grondslag nemen.

Wanneer men als marxist wil redeneren, dan moet men zeggen: de uitbuiters slagen er steeds in, de staat (en het gaat over de democratie, dat is: over één van de vormen van de staat) te maken tot een werktuig van de heerschappij van hun klasse, de klasse van de uitbuiters over de uitgebuiten. Derhalve zal ook de democratische staat, zolang er uitbuiters zijn, die over de meerderheid van de uitgebuiten heersen, onvermijdelijk de democratie van de uitbuiters zijn. De staat van de uitgebuiten moet tot in de grond van die staat verschillen. Hij moet de democratie van de uitgebuiten en de onderdrukking van de uitbuiters zijn; de onderdrukking van een klasse betekent echter niet de gelijkberechtiging van deze klasse, maar haar uitschakeling uit de ‘democratie’.

Wil men als liberaal redeneren, dan moet men zeggen: de meerderheid beslist, de minderheid onderwerpt zich. De ongehoorzamen worden gestraft. Dit is alles. Het heeft dus geen zin over het klassenkarakter van de staat in het algemeen en over ‘zuiver democratie’ in het bijzonder te redeneren; dit heeft niets met de zaak te maken, want meerderheid is meerderheid en minderheid is minderheid. Een pond vlees is een pond vlees en daarmee uit. En juist z redeneert Kautsky:

2) “Op welke gronden is het nodig dat de heerschappij van het proletariaat een vorm, die niet verenigbaar is met de democratie, aanneemt en moet aannemen?” (blz. 21).

Dan komt een verklaring dat het proletariaat de meerderheid aan zijn zijde heeft, een verklaring die zeer omslachtig is en in allerlei bijzonderheden afdaalt, versterkt met citaten uit Marx en een verkiezingsstatistiek van de Commune van Parijs. De conclusie is dan:

Een bewind, dat zo stevig in de massa’s is verankerd, heeft niet de minste aanleiding om een aanslag te plegen op de democratie. Het zal het niet altijd buiten het geweld kunnen stellen, wanneer er zich gevallen voordoen dat geweld wordt gepleegd om de democratie te onderdrukken. Geweld kan alleen met geweld worden beantwoord. Maar een bewind dat weet dat de massa’s achter hem staan, zal zich alleen van geweld bedienen om de democratie te beschermen en niet om ze neer te slaan. Het zou werkelijk zelfmoord plegen, als het zijn zekerste fundering zou willen wegruimen, nl. het algemeen kiesrecht, een sterke bron van geweldig zedelijk gezag (blz. 22).

Men ziet: de verhouding tussen de uitgebuiten en de uitbuiters is uit de bewijsvoering van Kautsky verdwenen. Blijven alleen over: een meerderheid in het algemeen, een minderheid in het algemeen, een democratie in het algemeen, — de ons reeds zo wèl bekende ‘zuivere democratie’. Vergeet niet, dat dit gezegd wordt in verband met de Commune van Parijs. Laten we, om de zaak nog duidelijker te maken, aanhalen wat Marx en Engels over de dictatuur in verband met de Commune hebben gezegd:

Marx ... “Wanneer de arbeiders in de plaats van de dictatuur van de bourgeoisie hun revolutionaire dictatuur stellen... ten einde de tegenstand van de bourgeoisie te breken, dan geven zij de staat een revolutionaire en voorbijgaande vorm ... (Die Neue Zeit, XXXII, I. 1913/1914, blz. 40)”.
Engels ... “De partij, die in de revolutie heeft overwonnen, moet haar heerschappij handhaven door de angst, die haar wapens de reactionairen inboezemen. En indien de Parijse Commune zich niet van de autoriteit van een gewapend volk tegen de bourgeoisie zou hebben bediend, zou zij zich dan langer dan één dag hebben kunnen staande houden? Zouden wij haar niet omgekeerd kunnen verwijten dat zij zich te weinig van deze autoriteit heeft bediend?” (Ibidem, blz. 39).
Dezelfde ... Daar nu de staat toch slechts een voorbijgaande instelling is, waarvan men zich in de strijd, in de revolutie bedient om zijn tegenstanders met geweld er onder te houden, zo is het pure onzin, van de vrije volksstaat te spreken: zolang het proletariaat de staat nog gebruikt, gebruikt het hem niet in het belang van de vrijheid, maar om er zijn tegenstanders mee onder de duim te houden en zodra er van vrijheid sprake kan zijn, houdt de staat als zodanig op te bestaan”... (Brief aan Bebel, 28 maart 1875).

Tussen Kautsky aan de ene en Marx en Engels aan de andere kant is een afstand als tussen hemel en aarde, als tussen een liberaal en een proletarische revolutionair. De ‘zuivere democratie’, of de ‘democratie zonder meer’, waarover Kautsky spreekt, is niets anders dan een nieuwe druk van diezelfde ‘vrije volksstaat’, die door Engels ‘pure onzin’ is genoemd. Kautsky vraagt met de geleerdheid van een uitermate geleerde studeerkamerdomkop of met de onschuld van een tienjarig meisje — waartoe dient de dictatuur, zodra men de meerderheid heeft? Marx en Engels leggen het ons uit:
- om de tegenstand van de bourgeoisie te breken;
- vervolgens om de reactionairen schrik aan te jagen;
- verder om de autoriteit van het gewapende volk tegen de bourgeoisie een grondslag te geven;
- ten slotte om het proletariaat in staat te stellen zijn tegenstanders met geweld eronder te houden.

Kautsky begrijpt niets van die uitleg. Verliefd als hij is op de ‘zuiverheid’ der democratie, waarvan hij het burgerlijke karakter niet ziet, houdt hij met de uiterste ‘consequentie’ vol dat de meerderheid, zodra zij meerderheid is geworden, niet meer de ‘tegenstand’ van de minderheid behoeft te ‘breken’, ‘haar met geweld eronder te houden’, en dat het voldoende is losstaande gevallen van misgrijpen tegen de democratie te onderdrukken. Verliefd op de ‘zuiverheid’ der democratie, begaat Kautsky onwillekeurig dezelfde kleine fouten, die alle burgerlijke democraten altijd begaan: hij aanvaardt nl. de formele gelijkheid (die onder het kapitalisme door en door leugenachtig en huichelachtig is) als feitelijke gelijkheid. — ‘t Is maar een kleinigheid!

De uitbuiter kan niet de gelijke zijn van de uitgebuite.

Hoe onaangenaam deze waarheid voor Kautsky ook mag zijn, toch is ze de wezenlijke inhoud van het socialisme.

Ng een waarheid: een werkelijke, feitelijke gelijkheid kan niet bestaan, zolang niet iedere mogelijkheid van uitbuiting van de ene klasse door de andere volkomen is opgeheven.

Men kan de uitbuiters met één slag, bij een gelukkige opstand in het centrum, of door een legeropstand verslaan. Maar met uitzondering van enkele uiterst zeldzame en bijzondere gevallen, kan men de uitbuiters niet met één slag uitroeien. Men kan niet met één slag alle grondeigenaars en alle kapitalisten in een of ander ietwat uitgestrekt land onteigenen. Bovendien: onteigenen alléén als juridische of politieke daad, lost de kwestie volstrekt nog niet op. Het is immers nodig de grondeigenaars en kapitalisten feitelijk van hun plaats te verdrijven en hen in werkelijkheid door een andere leiding, nl. samengesteld uit arbeiders, op de landgoederen en fabrieken te vervangen. Er kan geen gelijkheid zijn tussen de uitbuiters, die gedurende lange geslachten èn door hun opvoeding èn door hun rijkdommen èn door verworven gewoonten een afzonderlijke plaats hebben gekregen, — en de uitgebuiten, wier massa, zelfs in de meest vooruitstrevende en democratisch-burgerlijke republieken, onderdrukt, onwetend, onbeschaafd, vreesachtig en zonder samenhang is. De uitbuiters blijven nog lange tijd na de omwenteling onvermijdelijk in het bezit van een reeks van grote, feitelijke voorrechten: — hun blijft het geld (dat niet op één slag kan worden uitgeschakeld), enig, dikwijls een belangrijk bezit aan roerende goederen, relaties, ervaring in organisatie en administratie, de kennis van alle ‘geheimen’ (gebruiken, werkwijzen, middelen, mogelijkheden) van de administratie; — hun blijft een hogere ontwikkeling, het enge verkeer met het hogere technische personeel (bourgeois in levenswijze en ideologie); — hun blijft de onvergelijkelijk grotere ervaring in het krijgswezen (wat van groot belang is) enz. enz.

Als de uitbuiters slechts in één land worden neergeslagen (en dit is natuurlijk het meest voorkomende geval, want de gelijktijdige revolutie in een reeks van landen is een uiterst zeldzame uitzondering), dan blijven zij nog altijd sterker dan de uitgebuiten — dank zij hun machtige internationale relaties. Dat overigens een deel van de uitgebuiten of van de het minst verlichte middelboeren en handwerkslieden enz., achter de uitbuiters aanloopt en in staat is achter hen aan te lopen, is tot heden bewezen door alle revoluties, de Commune van Parijs niet uitgezonderd (want in het leger van Versailles waren ook proletariërs, wat de zeer geleerde Kautsky heeft ‘vergeten’).

Bij zulk een stand van zaken te veronderstellen dat bij een enigszins ernstige en diepgaande revolutie de zaak eenvoudig door de verhouding tussen meerderheid en minderheid wordt beslist, dat geeft blijk van een geweldige stompzinnigheid, een knielen voor ‘t vulgaire liberalisme; — dat betekent de massa’s bedriegen door een historische waarheid voor hen verborgen te houden. Deze historische waarheid is: in elke diepgaande revolutie bieden in de regel de uitbuiters een langdurige, hardnekkige, vertwijfelde tegenstand en behouden zij gedurende een reeks van jaren belangrijke voordelen op de uitgebuiten. Nooit, behalve dan in de zoetsappige verbeelding van de zoetsappige domoor Kautsky leggen zich de uitbuiters bij de beslissing van de meerderheid van de uitgebuiten neer, zonder dat zij hun kansen hebben aangegrepen om in een laatste vertwijfelde slag, in een reeks van gevechten hun overwicht te beproeven.

De overgang van het kapitalisme naar het communisme omvat een historisch tijdvak. Zolang dit niet zijn beslag heeft gekregen, blijft bij de uitbuiters onvermijdelijk de hoop op herstel van de oude toestand bestaan en deze hoop zal zich omzetten in pogingen om tot zulk een restauratie te geraken. Na de eerste ernstige nederlaag werpen zich de overwonnen uitbuiters, die hun val niet hadden verwacht — die er niet aan geloofden, die zich de gelijkheid daarvan nooit hebben kunnen voorstellen — met verdubbelde energie, met razende hartstocht en met een honderdmaal sterker geworden haat in de strijd, ten einde hun verloren ‘paradijs’ te herwinnen, ter wille van hun gezinnen, die zulk ‘n heerlijk leven hebben geleid en nu door het ‘gepeupel’ tot ondergang en armoede (of tot ‘eenvoudige’ arbeid) zijn veroordeeld. En achter de kapitalistische uitbuiters staat de brede massa van de kleine burgerij, die — naar de historische ervaring, gedurende tientallen van jaren in alle landen aantoont — aarzelt en wankelt — heden achter het proletariaat staat en morgen wordt afgeschrikt door de moeilijkheden van de omwenteling en bij de eerste keer dat de arbeiders geheel of gedeeltelijk worden geslagen, het hoofd verliest, zenuwachtig wordt, heen-en-weer rent, lamenteert, en van het ene kamp naar het andere overloopt, juist zoals onze mensjewieken en onze sociaal-revolutionairen dit doen.

Waar de zaken zo staan — in het tijdvak van de vertwijfelde, uiterst verscherpte strijd, nu de geschiedenis de kwestie van het zijn of niet-zijn van voorrechten, die honderden en duizenden jaren hebben bestaan, aan de orde stelt — te kletsen over meerderheid en minderheid, over de zuivere democratie, over de overbodigheid der dictatuur, over de gelijkheid tussen uitbuiters en uitgebuiten! Welk een bodemloze stompzinnigheid, welk een afgrond van bekrompenheid is daartoe nodig!

Maar tientallen jaren van betrekkelijk ‘vreedzaam’ kapitalisme, van 1871 tot 1914, hebben in de socialistische partijen, die zich aan het opportunisme hebben aangepast, een ware Augiasstal van kleinburgerlijkheid, benepen domheid en verraad opeengehoopt...

* * *

De lezer zal waarschijnlijk hebben opgemerkt dat Kautsky, in het boven aangehaalde citaat uit zijn boek, spreekt over een aanslag op het algemeen kiesrecht, (dat hij — ‘t zij in het voorbijgaan opgemerkt — de diepste bron van een machtig zedelijk gezag noemt; — terwijl Engels, naar aanleiding van dezelfde Commune van Parijs en naar aanleiding van dezelfde kwestie van de dictatuur, over het gezag van het gewapende volk tegen de bourgeoisie spreekt. Het is de moeite waard, op het stuk van ‘het gezag’ de denkbeelden van een filister en van een revolutionair met elkaar te vergelijken...)

We moeten opmerken, dat de kwestie van het ontnemen van het kiesrecht aan de uitbuiters een zuiver Russische zaak is en niet een kwestie van de dictatuur van het proletariaat in het algemeen. Indien Kautsky niet had willen huichelen en als titel van zijn brochure had gekozen: ‘Tegen de bolsjewieken’, zou die titel in overeenstemming zijn geweest met de inhoud van de brochure en dan zou Kautsky het recht hebben gehad rechtstreeks over het kiesrecht te spreken. Kautsky heeft echter vóór alles ‘theoreticus’ willen zijn. Hij heeft de titel De dictatuur van het proletariaat in het algemeen gekozen. Hij spreekt eerst in het tweede deel van zijn brochure, te beginnen met het 5e hoofdstuk, over de Sovjets en over Rusland in het bijzonder. In het eerste gedeelte (waaruit ik citeerde) is evenwel sprake van democratie en dictatuur in het algemeen. Door over het kiesrecht uit te weiden, heeft Kautsky zich zelf blootgegeven als iemand die tegen de bolsjewieken polemiseert en die zich absoluut niet om de theorie bekommert. Want de theorie, d.w.z. het onderzoek van de klassenverhoudingen, waarop in het algemeen en niet in een bepaald geval, niet in een bepaald land, democratie en dictatuur berusten, mag zich niet bezig houden met een bijzonder vraagstuk als bv. het kiesrecht, maar met de algemene vraag: kan de democratie in de historische periode, die gekenmerkt wordt door de omverwerping van de uitbuiters en het vervangen van hun staat door de staat van de uitgebuiten, óók voor de rijken en de uitbuiters worden gehandhaafd?

Zo en zo alleen mag een theoreticus de vraag stellen.

Wij kennen het voorbeeld van de Commune, wij kennen alle beschouwingen van de grondvesters van het marxisme daarover. Aan de hand van dit materiaal heb ik bv. het vraagstuk van de democratie en van de dictatuur in mijn brochure Staat en Revolutie behandeld, die nog vóór de November-(Oktober)-revolutie werd geschreven. Over een beperking van het kiesrecht heb ik met geen woord gerept. En nu moet worden gezegd dat de kwestie van het beperken van het kiesrecht een bijzondere en nationale kwestie is en niet een algemene kwestie van de dictatuur. Men moet deze kwestie van de beperking van het kiesrecht behandelen door de bijzondere omstandigheden van de Russische revolutie en van de bijzondere gang van haar ontwikkeling te onderzoeken. In het verdere verloop van onze uiteenzetting zal dit dan ook worden gedaan. Maar het zou een fout zijn, van te voren er voor te willen instaan dat de komende proletarische revoluties in Europa, alle of voor het merendeel, noodzakelijkerwijs beperking van het kiesrecht voor de bourgeoisie met zich mee zouden brengen. Het kn zo zijn. Na de oorlog en na de ervaring van de Russische revolutie zal het zelfs waarschijnlijk zo zijn, maar die beperkingen zijn niet onmisbaar voor de dictatuur, zij zijn niet noodzakelijkerwijs onafscheidelijk aan het logische en het historische begrip van de klassedictatuur verbonden.

Het noodzakelijke kenteken, het onmisbare element van de dictatuur is de gewelddadige onderdrukking van de uitbuiters als klasse, bijgevolg het inbreuk maken op de ‘zuivere democratie’, d.w.z. op de gelijkheid en de vrijheid ten opzichte van die klasse.

Zo en zo alleen, kan de vraag theoretisch worden gesteld. En door ze anders te stellen, bewees Kautsky dat hij niet als theoreticus, maar als aanklager van de opportunisten en de bourgeoisie tegen de bolsjewieken optreedt.

In welke landen, onder welke bijzondere nationale eigenaardigheden van een of ander kapitalisme, de democratie ten nadele van de uitbuiters zal worden beperkt of overtreden, dat hangt af van de nationale eigenaardigheden van zulk een kapitalisme, van deze of gene revolutie. Theoretisch moet de vraag geheel anders worden gesteld en wel aldus: is de dictatuur van het proletariaat mogelijk zonder schennis van de democratie ten nadele van de klasse van de uitbuiters?

Kautsky heeft juist deze vraag, de enige die theoretisch van belang is, ontweken. Kautsky brengt alle mogelijke citaten van Marx en Engels, behalve de citaten die deze kwestie behandelen, en die wij hierboven hebben aangehaald.

Kautsky praat over alles wat men maar wil, over allerlei, wat voor de liberalen en voor de burgerlijke democraten aannemelijk is, wat niet buiten hun gedachtenkring gaat, — maar hij zwijgt over de hoofdzaak, over het feit, dat het proletariaat niet kan regeren, zonder de tegenstand van de bourgeoisie te hebben gebroken, zonder in gewelddadige strijd zijn tegenstanders te hebben neergeworpen, — en dat er, waar ‘gewelddadige onderdrukking’ heerst, waar geen ‘vrijheid’ bestaat, natuurlijk ook geen democratie bestaat. Dat heeft Kautsky niet begrepen.

* * *

Gaan wij nu tot de ervaringen van de Russische revolutie over en tot het conflict tussen de Sovjets en de Constituante, dat tot de ontbinding van de Constituante en tot het onttrekken van het kiesrecht aan de bourgeoisie heeft geleid.

IV
De Sovjets zouden geen staatsorganisatie mogen worden

De Sovjets zijn de Russische vorm van de proletarische dictatuur. Zou een marxistisch theoreticus, die een werk over de dictatuur van het proletariaat schrijft, dit verschijnsel grondig hebben bestudeerd (in plaats van, zoals Kautsky, de kleinburgerlijke klaagzangen van de mensjewieken tegen de dictatuur eenvoudig te herhalen), dan zou hij beginnen met het geven van een algemene definitie van de dictatuur; daarna zou hij daarvan de bijzondere nationale vorm hebben onderzocht, nl. de Sovjets, die hij dan kritisch zou hebben geanalyseerd als een vorm der dictatuur van het proletariaat. Natuurlijk kan men van Kautsky, na zijn liberale ‘bewerking’ van de leer van Marx over de dictatuur, niets ernstigs verwachten. Maar het is toch in de hoogste graad karakteristiek, na te gaan hoe hij de kwestie, wat de Sovjets zijn, stelt en hoe hij haar behandelt.

“De Sovjets”, schrijft hij, terwijl hij hun opkomst in het jaar 1905 in herinnering brengt, “schiepen de meest omvattende (umfassenden) vorm van alle ‘proletarische organisaties’ die ooit hebben bestaan, want zij omvatten alle loonarbeiders” (blz. 31). In 1905 waren zij slechts plaatselijke corporaties. In 1917 werden zij tot een Russische, landelijke organisatie.

“Reeds nu”, vervolgt Kautsky, “kan de sovjetorganisatie op een grote en roemrijke geschiedenis terugzien. Een nog grotere geschiedenis staat haar te wachten en niet in Rusland alleen. Overal blijkt, dat tegenover de reusachtige krachten, waarover het financierskapitaal in economisch en politiek opzicht beschikt, de vroegere methoden van de economische en politieke strijd van het proletariaat ontoereikend zijn. Men moet ze niet prijs geven; ze blijven onmisbaar in normale tijden; maar van tijd tot tijd staan zij tegenover vraagstukken die zij niet vermogen op te lossen en die men alleen onder de knie kan krijgen door alle politieke en economische krachten van de arbeidersklasse samen te vatten (blz. 32).

Daarop volgt een verhandeling over de massa-staking en dan beweert Kautsky dat de ‘vakverenigingsbureaucratie’, even onmisbaar als de vakbonden zelf ... ‘ondeugdelijk’ is om leiding te geven aan de reusachtige massale gevechten, die steeds meer ons tijdperk kenmerken ...

“... Aldus”, besluit Kautsky, “is de sovjetorganisatie een van de belangrijkste verschijnselen van onze tijd. Zij belooft, in de grote beslissende veldslagen tussen kapitaal en arbeid, die wij tegemoet gaan, een beslissende rol te zullen spelen.
Maar zijn wij gerechtigd van de sovjets nog meer te eisen? De bolsjewieken, die na de Novemberrevolutie van 1917 samen met de linkse sociaal-revolutionairen de meerderheid in de Russische Sovjets van arbeiders-gedeputeerden hadden, gingen er toe over de Constituante uiteen te jagen en van de Sovjets, die tot nu toe een strijdorganisatie van een klasse waren, een staatsorganisatie te maken. Zij vernietigden de democratie, welke het Russische volk in de Maartrevolutie had veroverd. In overeenstemming daarmee houden de bolsjewieken op zich sociaaldemocraten te noemen. Zij noemen zich nu communisten” (blz. 33; onderstrepingen van Kautsky zelf).

Wie de Russische mensjewistische literatuur kent, ziet onmiddellijk hoe Kautsky slaafs Martov, Axelrod, Stein c.s. kopiëert. ‘Slaafs’ is het juiste woord, want Kautsky verdraait ter wille van de mensjewistische vooroordelen de feiten tot in het belachelijke. Kautsky heeft zich er bv. geen ogenblik om bekommerd aan zijn berichtgevers, zoals de Berlijnse Stein of de Stockholmse Axelrod, te vragen, op welk ogenblik de kwestie van de naamsverandering van de bolsjewieken in communisten en van de betekenis van de sovjets als staatsorganisatie zijn opgeworpen. Had Kautsky deze eenvoudige inlichting gevraagd, dan zou hij niet zulke lachwekkende dingen hebben geschreven, want deze beide kwesties werden door de bolsjewieken in april 1917 opgeworpen bv. in mijn Stellingen van 17 april 1917, d.w.z. geruime tijd voor de Oktoberrevolutie van 1917, om maar te zwijgen over het uiteenjagen van de Constituante op 18 januari 1918 [5]

Maar de uiteenzetting van Kautsky, die ik in haar geheel heb geciteerd, raakt de kern van geheel de kwestie van de Sovjets. De kern is nl. of de Sovjets er naar moeten streven staatsorganisaties te worden (sedert april 1917 hebben de bolsjewieken de leuze aangeheven: Alle macht aan de Sovjets! — en op de partijconferentie van de bolsjewieken, in april 1917, hebben zij verklaard dat zij zich niet tevreden zouden stellen met een burgerlijke parlementaire republiek en dat zij veeleer een arbeiders- en boerenrepubliek eisten van het type van de Commune of van het type van de Sovjets), dan wel, of de Sovjets er niet naar moeten streven om de macht in handen te nemen, geen staatsorganisaties moeten worden, maar een ‘strijdorganisatie’ blijven van één ‘klasse’ (zoals Martov meende te moeten zeggen, die met zijn onschuldige wens het feit trachtte goed te praten, dat de sovjets onder leiding van de mensjewieken niets anders waren dan een instrument tot onderwerping van de arbeiders aan de bourgeoisie).

Kautsky heeft op slaafse wijze de woorden van Martov herhaald; hij heeft brokstukken uit de theoretische strijd tussen de bolsjewieken en de mensjewieken genomen en ze zonder kritiek en zonder zelfstandig oordeel overgebracht op algemeen-theoretisch, algemeen Europees terrein. Er is zulk een ratjetoe ontstaan, dat ieder klassenbewust Russische arbeider, die van Kautsky’s uiteenzettingen kennis zou hebben genomen, in een homerisch gelach zou zijn uitgebarsten.

Met een dergelijk gelach zullen ook alle Europese arbeiders (met uitzondering van een handvol hardnekkige sociaalimperialisten) Kautsky ontvangen, wanneer wij hun zullen uitleggen, waar het hier om gaat.

Kautsky heeft Martov al een heel slechte dienst bewezen, door de fout van Martov te herhalen en met buitengewone aanschouwelijkheid tot in het ongerijmde te overdrijven. Men oordeele, waarop Kautky’s redenering neerkomt: -

De sovjets omvatten alle loonarbeiders. Tegenover het financierskapitaal zijn de vroegere methoden van de economische en politieke strijd van het proletariaat ontoereikend. De sovjets zijn geroepen om een grote rol te spelen en niet alleen in Rusland. In de beslissende slagen tussen kapitaal en arbeid in Europa zullen zij een uiterst belangrijke en beslissende rol spelen. Aldus spreekt Kautsky.

Prachtig. Brengen de beslissende slagen tussen kapitaal en arbeid niet de beslissing in de kwestie, aan welke dezer klassen de staatsmacht zal behoren?

Volstrekt niet! De hemel beware ons daarvoor!

In de ‘beslissende’ slagen mogen de organisaties, die alle loonarbeiders omvatten, geen staatsorganisatie worden.

Maar wat is de staat?

Een staat is niets anders dan een machine tot onderdrukking van de ene klasse door de andere.

Dus moet de onderdrukte klasse, de voorhoede van heel de uitgebuite arbeidende massa’s in de huidige maatschappij, streven naar “beslissende slagen tussen kapitaal en arbeid”, maar zij mag niet raken aan het werktuig, waarvan het kapitaal zich bedient om de arbeid te onderdrukken... Ze mag deze machine niet verbrijzelen! Ze mag zich van haar alomvattende organisatie niet bedienen ter onderdrukking van de uitbuiters.

Voortreffelijk, mijnheer Kautsky! Voortreffelijk! ‘Wij’ erkennen de klassenstrijd, zoals alle liberalen hem erkennen, d.w.z. zonder het tenvalbrengen van de bourgeoisie...

Hier wordt duidelijk dat Kautsky volledig met het marxisme en met het socialisme heeft gebroken. Dit is, in feite, het overlopen naar de bourgeoisie, die bereid is alles toe te laten, behalve de omzetting van de organisaties van de door haar onderdrukte klasse in staatsorganisaties. Hier is Kautsky helemaal niet meer in staat zijn standpunt te redden, dat alles wil verzoenen, dat ook de scherpste tegenstellingen met frases wil overbruggen.

Een van beiden: f Kautsky doet afstand van de overgang van de politieke macht in handen van de arbeidersklasse, f wel: hij aanvaardt dat de arbeidersklasse de oude burgerlijke staatsmachine in handen neemt; maar in geen geval laat hij toe dat de arbeidersklasse die machine verbrijzelt, in stukken slaat door een nieuwe, proletarische vervangt. Hoe men ook de uiteenzetting van Kautsky mag ‘toelichten’ en ‘verklaren’, in beide gevallen is zijn breuk met het marxisme, is zijn overlopen naar de zijde van de bourgeoisie voor iedereen duidelijk.

Reeds in Het Communistisch Manifest schreef Marx, toen hij over de staat sprak, die de overwinnende arbeidersklasse nodig heeft: ... “de staat, d.w.z. het als heersende klasse georganiseerde proletariaat”. En daar verschijnt een mens, dat de pretentie heeft marxist te blijven, en beweert dat het in zijn geheel georganiseerde en de ‘beslissende strijd’ met het kapitalisme voerende proletariaat zijn klasseorganisatie niet tot een staatsorganisatie mag maken. In het onderhavige geval levert Kautsky het bewijs van het ‘bijgeloof in de staat’, waarover Engels in 1891 schreef, “dat het in Duitsland in het algemeen bewustzijn van de bourgeoisie en zelfs van vele arbeiders was doorgedrongen”. Vecht, arbeiders! Onze filister zegt, dat het ‘mag’ (ook de bourgeoisie vindt het goed, omdat de arbeiders ook zonder zulk verlof de strijd voeren, zodat er niets anders overblijft dan er over na te denken hoe het scherp van hun zwaard kan worden afgestompt); vecht, maar heb het hart niet te overwinnen! Verwoest niet de staatsmachine van de bourgeoisie en stelt niet in de plaats van de burgerlijke ‘staatsorganisatie’ een proletarische ‘staatsorganisatie’.

Wie ernstig de marxistische opvatting deelt, dat de staat niets anders is dan een machine tot onderwerping van de ene klasse door de andere en wie zich ook maar enigszins in deze waarheid heeft ingedacht, zal nooit tot deze dwaze conclusie kunnen komen, dat de proletarische organisaties, die in staat zijn om het financierskapitaal te overwinnen, zich niet in een staatsorganisatie mogen omzetten. Juist op dit punt ontpopt zich de kleinburger, voor wie de staat ‘toch altijd maar’ iets is, dat buiten of boven de klasse staat. Waarom zou het inderdaad aan het proletariaat, aan ‘een klasse’ veroorloofd zijn, een beslissende strijd te voeren tegen het kapitaal, dat niet alleen over het proletariaat, maar over het hele volk, de gehele kleinburgerij en alle boeren heerst, maar zou het niet geoorloofd zijn aan het proletariaat, aan ‘één klasse’, zijn organisatie in een staatsorganisatie om te zetten?

Omdat de kleinburger de klassenstrijd vreest en hem niet voert tot het einde toe, d.w.z. de hoofdzaak ongedaan laat.

Kautsky heeft zich helemaal vastgepraat. Hij heeft zijn ware gezicht laten zien. Men lette er op, dat hij zelf erkent dat Europa beslissende slagen tussen kapitaal en arbeid tegemoet gaat en dat de oude methoden van de economische en politieke strijd van het proletariaat niet meer toereikend zijn. Maar deze methoden bestaan juist in het zich bedienen van de burgerlijke democratie. Bij gevolg... Kautsky is bang tot het einde te denken, wat daaruit volgt.

... Bij gevolg kan alleen een reactionair, een vijand van de arbeidersklasse, een huurling van de bourgeoisie, thans de heerlijkheden van de burgerlijke democratie schilderen en zich naar het verleden wendend, over zuivere democratie kletsen. De burgerlijke democratie was vooruitstrevend in vergelijking met de middeleeuwen en men moest er zich van bedienen. Maar thans is zij ontoereikend geworden voor de arbeidersklasse. Thans moet men niet achteruit kijken, maar vooruit en streven naar de vervanging van de burgerlijke door de proletarische democratie. En waren ter voorbereiding van de proletarische revolutie de scholing en vorming van het proletarische leger, binnen het kader van de burgerlijk-democratische staat mogelijk en noodzakelijk, het begrenzen van het proletariaat binnen dat kader zou verraad zijn aan de proletarische zaak, zou een handelen als renegaat betekenen, zodra het tot de ‘beslissende strijd’ is gekomen.

Kautsky zit op een bijzonder belachelijke wijze in de klem, hij herhaalt een argument van Martov, zonder te bemerken dat dit argument van Martov steunt op een ander argument, dat bij Kautsky niet is te vinden! Martov (in wiens voetstappen Kautsky treedt) beweert dat Rusland nog niet rijp is voor het socialisme; waaruit natuurlijk volgt: het is nog te vroeg, de sovjets van strijdorganisaties om te zetten in staatsorganisaties (lees: het is juist de tijd om de sovjet met behulp van de mensjewistische leiders te vervormen in organen ter onderwerping van de arbeiders aan de imperialistische bourgeoisie). Maar nu kan Kautsky niet ronduit zeggen dat Europa niet rijp is voor het socialisme. Kautsky heeft immers in 1909 (toen hij nog geen renegaat was) geschreven dat men thans niet bang behoeft te zijn, dat een revolutie te vroeg zou komen en dat degene, die uit angst voor een nederlaag, afstand zou doen van de revolutie, een verrader was. Kautsky durft zijn woorden niet ronduit herroepen. En dan komt er zulk een onzin voor de dag, die de gehele domheid van de kleinburger aan het licht brengt: aan de ene kant is Europa rijp voor het socialisme en marcheert het naar beslissende slagen tussen arbeid en kapitaal; aan de andere kant is het verboden de strijdorganisatie, d.w.z. de in de strijd zich vormende, groeiende en sterk wordende organisatie van het proletariaat, van de voorhoede, van de organisator, van de leider der onderdrukten, om te zetten in een staatsorganisatie!

* * *

Uit een standpunt van praktische politiek is de idee, dat de sovjets als strijdorganisaties nodig zijn, maar niet in staatsorganisaties mogen worden omgezet, nog heel wat dwazer dan vanuit een theoretisch standpunt. Zelfs in vreedzame tijden, als er nog geen revolutionaire situatie voorhanden is, verwekt de massastrijd van de arbeiders tegen de kapitalisten — in de massastakingen bv., een vreselijke verbittering aan beide kanten, de strijd wordt met de grootste hartstocht gevoerd; de bourgeoisie herhaalt met grote koppigheid dat ze ‘baas in eigen huis’ zal en wil blijven enz. In nog sterkere mate wordt tijdens een revolutie, als het politieke leven tot kookhitte is gestegen, zulk een organisatie als die van de sovjets, die alle arbeiders van alle takken van industrie, vervolgens alle soldaten en heel de werkende en arme plattelandsbevolking omvat, er onvermijdelijk toe gebracht, door de kracht van de omstandigheden, door het verloop van de strijd en door de ‘logica’ van aanval en afweer, om de kwestie in al haar scherpte te stellen. De poging om een neutrale positie in te nemen, het proletariaat en de bourgeoisie te ‘verzoenen’, is onzin en leidt tot een ellendige mislukking. Dat was het lot van de preken van Martov en de andere mensjewieken in Rusland, en zo zal het ook onvermijdelijk in Duitsland en andere landen gaan, als de sovjets zich enigermate op grote schaal ontwikkelen en het hun gelukt, zich aan een te sluiten en te versterken. Aan de sovjets te zeggen: vecht, maar pas op, dat ge niet de gehele staatsmacht in handen neemt, — pas op dat ge geen staatsorganisatie wordt, dat komt neer op het prediken van de samenwerking van de klassen en de ‘sociale vrede’ tussen de proletariërs en bourgeoisie. Het is belachelijk, te geloven, dat zulk een positie in de verbitterde strijd tot iets anders dan tot een smadelijk bankroet kunnen voeren. Kautsky is ten eeuwige dage veroordeeld tusen twee stoelen te gaan zitten. Hij doet in de theorie alsof hij niets, helemaal niets, met de opportunisten te doen heeft, maar in de praktijk is hij het in alle zaken van wezenlijke betekenis (dus in alles wat met de revolutie te maken heeft) met hen eens.

V
De Constituante en de Sovjetrepubliek

De kwestie van de Constituante en het uit elkaar jagen daarvan door de bolsjewieken, vormt de kern van Kautsky’s gehele brochure. Daar komt hij telkens op terug. Elk ogenblik herinnert de theoreticus van de IIde Internationale er in zijn boek aan, dat de bolsjewieken de ‘democratie hebben vernietigd’ (zie boven in het citaat van Kautsky). Het vraagstuk is inderdaad belangwekkend en belangrijk, want de verhouding tussen de burgerlijke en de proletarische democratie werd hier praktisch voor de revolutie gesteld. Laten we eens zien, hoe onze ‘marxistische theoreticus’ dit vraagstuk onderzoekt.

Hij citeert mijn Stellingen over de Constituante, die ik in de Pravda van 26 december 1917 heb gepubliceerd. Men zou, naar ‘t schijnt, onmogelijk een beter bewijs kunnen vinden van de ernst waarmee hij zich, met de stukken in de hand, aan het werk zet. Maar zien we nu even toe, hoe Kautsky citeert. Hij zegt niet, dat het aantal stellingen 19 bedraagt; hij zegt niet dat ze handelen over de wederzijdsche betrekkingen tussen de gewone burgerlijke republiek (met een Constituante) en de Sovjetrepubliek, alsmede over de geschiedenis van de tegenstellingen tussen de Constituante en de dictatuur van het proletariaat in onze revolutie. Dat alles laat Kautsky terzijde en hij bepaalt zich tot de eenvoudige vermelding dat “twee daarvan” (van deze stellingen) “bijzonder belangrijk zijn”, de ene nl. die zegt dat de sociaal-revolutionairen zich na de verkiezingen voor de Constituante maar nog vóór zij bijeen werd geroepen in twee fracties hebben verdeeld (Kautsky verzwijgt dat dit de vijfde stelling is) en de andere, die verklaart dat de Sovjetrepubliek in het algemeen reeds een hogere vorm van democratie is dan de Constituante (Kautsky verzwijgt, dat dit de derde stelling is). En uit deze derde stelling citeert Kautsky slechts een gedeelte volledig, nl. de volgende plaats:

“De Sovjetrepubliek is niet alleen een hogere vorm van de democratische instellingen (in vergelijking met de gewone burgerlijke republiek, waarvan de Constituante de bekroning is), maar ze is ook de enige vorm, die geschikt is, om met de minst mogelijke schokken [6] de overgang naar het socialisme te verzekeren.”

Kautsky heeft het woord ‘gewone’ weggelaten en evenzo de inleidende woorden van de stelling: “Voor de overgang van de burgerlijke orde naar de socialistische, voor de dictatuur van het proletariaat”.

Na deze woorden aangehaald te hebben, roept Kautsky met een bijtende ironie uit:

“Het is alleen maar jammer dat men tot deze gevolgtrekking eerst gekomen is toen men in de constituante in de minderheid was gebleken. Vroeger had niemand ze stormachtiger geëist dan Lenin”.

Zo staat het letterlijk op blz. 31 van het boek van Kautsky!

‘t Is werkelijk een juweeltje! Alleen een lasteraar in dienst van de bourgeoisie had de zaak zo leugenachtig kunnen voorstellen, dat de lezer de indruk kreeg, alsof al de discussies van de bolsjewieken over een hogere staatsvorm niets anders zijn dan een uitvindsel, in de wereld gebracht, nadat de bolsjewieken in de Constituante in de minderheid waren gebleken! Zulk een verachtelijke leugen kan alleen afkomstig zijn van een schurk, die zich aan de bourgeoisie heeft verkocht, of, wat volkomen hetzelfde is: afkomstig van een man die zich aan Axelrod heeft toevertrouwd en de herkomst van zijn inlichtingen verzwijgt.

Iedereen weet immers dat ik reeds op de eerste dag van mijn aankomst in Rusland, de 4de april 1917, in het openbaar de Stellingen heb voorgelezen, waarin ik verklaarde hoe zeer een staat naar het type van de Commune boven de parlementaire burgerlijke republiek verheven is. Ik heb die verklaring telkens weer in de pers herhaald, bv. in de brochure over de politieke partijen, die in het Engels is vertaald en in Amerika in januari 1918 in de New Yorkse courant Evening Post verschenen. En nog meer: De partijconferentie van de bolsjewieken op het einde van april 1917, nam een resolutie aan waarin werd gezegd dat de republiek van arbeiders en boeren hoger staat dan de burgerlijke parlementaire republiek, dat onze partij met deze laatste geen genoegen zou nemen en dat haar program dienovereenkomstig gewijzigd moest worden.

Wat moet men na dit alles van de uitval van Kautsky zeggen, die aan de Duitse lezers durft verzekeren dat ik stormachtig het bijeen roepen van de Constituante zou hebben geëist en dat ik eerst begonnen ben met ze te verguizen en zwart te maken, toen de bolsjewieken daarin in de minderheid waren gebleven? Waardoor kan zulk een bedrog worden verontschuldigd? [7]

Was Kautsky soms niet op de hoogte van de feiten? Waarom moest hij er dan over gaan schrijven? Of waarom heeft hij dan niet openlijk verklaard: Ik, Kautsky, schreef op gezag van de inlichtingen die ik van de mensjewieken Stein, Axelrod, en co heb ontvangen. Maar Kautsky wil immers achter zijn vertoon van objectiviteit verbergen dat hij optreedt als medeplichtige van de, door hun nederlaag gekrenkte, mensjewieken.

Maar dit is nog maar het begin. Het mooiste komt nog.

Laten we aannemen, dat Kautsky niet van plan of niet in staat(?) is geweest, door middel van zijn informateurs in het bezit te komen van de vertaling van de resoluties en verklaringen, waarin de bolsjewieken kennis gaven dat zij geen genoegen namen met de burgerlijke democratische parlementaire republiek. Laten we dus zelfs maar het onwaarschijnlijke aannemen. Maar Kautsky heeft op blz. 30 van zijn boek direct verwezen naar mijn Stellingen van de 26ste december 1917. Zijn deze Stellingen aan Kautsky volledig bekend, of kent hij daarvan alleen wat Stein, Axelrod c.s. daaruit voor hem hebben vertaald? Kautsky citeert de derde stelling, die handelt over de fundamentele kwestie, of de bolsjewieken reeds vóór de verkiezingen voor de Constituante zich ervan bewust waren en voor het volk getuigden, dat de Sovjetrepubliek hoger staat dan de burgerlijke republiek? Maar over de tweede stelling zegt Kautsky geen woord.

Nu luidt deze tweede stelling als volgt:

“Terwijl de revolutionaire sociaaldemocratie het bijeenroepen van de Constituante eiste, heeft zij sinds het begin van de revolutie van 1917 herhaaldelijk met nadruk verklaard, dat de republiek een hogere vorm van democratie is dan de gewone burgerlijke republiek met een Constituante.” [8]

Om de bolsjewieken als beginselloze lieden, ‘als revolutionaire opportunisten’ te kunnen voorstellen (deze uitdrukking is ergens, ik weet niet meer in welk verband, in Kautsky’s boek te vinden), heeft de heer Kautsky voor de Duitse lezers verzwegen, dat er in de stellingen rechtstreeks naar ‘herhaalde’ verklaringen wordt verwezen.

Dat zijn nu de kleine, jammerlijke en verachtelijke middeltjes, waartoe de heer Kautsky zijn toevlucht neemt. Op die manier is hij in staat, de theoretische vraag te omzeilen.

Staat de parlementaire burgerlijk-democratische republiek lager dan een republiek van het type van de Commune, of van het type van de Sovjets? Ja of neen? Dat is de kern van de kwestie, maar Kautsky draait er om heen. Hij heeft alles ‘vergeten’, wat Marx in zijn ontleding van de Commune van Parijs heeft meegedeeld. ‘Vergeten’ heeft hij ook de brief van Engels aan Bebel, van 28 maart 1875, waarin bijzonder aanschouwelijk en overtuigend deze zelfde gedachte van Marx: “De Commune was reeds niet meer een staat in de eigenlijke betekenis van het woord”, is uitgedrukt.

Daar hebt u nu de meest op de voorgrond tredende theoreticus van de IIde Internationale. Die een speciale brochure over ‘de dictatuur van het proletariaat’ schrijft, die daarin speciaal over Rusland spreekt, waar het vraagstuk van een hogere staatsvorm dan de burgerlijke democratische republiek ronduit en herhaaldelijk is geformuleerd, en die dit verzwijgt. Waarin verschilt die wijze van handelen in feite van het overlopen naar het kamp van de bourgeoisie?

(Laten we nu, tussen haakjes,opmerken, dat hier zowel als elders Kautsky zich door de Russische mensjewieken op sleeptouw laat nemen. Onder hen zijn lieden, die ‘alle citaten’ van Marx en Engels op hun duimpje kennen, maar niet één mensjewiek heeft van april tot oktober 1917 en van oktober 1917 tot oktober 1918 ook maar één keer getracht het vraagstuk van de staat van het type van de Commune te onderzoeken. Ook Plechanov heeft dit vraagstuk verwaarloosd. Zij moesten waarlijk wel zwijgen).

Het is duidelijk dat een discussie met mensen, die zichzelf socialisten en marxisten noemen, maar die ten aanzien van het belangrijkste vraagstuk van de staat van het Commune type naar de bourgeoisie overlopen niets anders is dan paarlen voor de zwijnen werpen. Het zal voldoende zijn, als bijlage tot deze brochure, mijn Stellingen over de Constituante in extenso af te drukken. De lezer zal er uit zien dat de kwestie op de 20ste december 1917 zowel op theoretische als op historische en praktisch-politieke wijze werd gesteld.

Kautsky, die als theoreticus het marxisme volkomen verloochent, had tenminste als historicus het vraagstuk van de strijd tussen de Sovjets en de Constituante kunnen bestuderen. Kautsky heeft in tal van zijn werken, die een blijvend bezit van het proletariaat zijn, niettegenstaande de latere afvalligheid van de schrijver, getoond een marxistisch historicus te kunnen zijn. Maar in het gegeven geval keert Kautsky ook als historicus de waarheid de rug toe; hij verzwijgt algemeen bekende feiten, alsof zij niet bestonden; hij gedraagt zich als een agent van de bourgeoisie. Hij wil de bolsjewieken als beginselloze mensen voorstellen en hij verhaalt hoe zij getracht hebben hun conflict met de Constituante te verzachten, vóórdat zij haar uit elkaar joegen. Daarin steekt beslist geen kwaad en wij behoeven niets terug te nemen; ik laat mijn stellingen van begin tot eind afdrukken en daarin is zo helder als de dag gezegd: Gij wankelende kleinburger, die in de Constituante een zetel hebt veroverd, u moet u neerleggen bij de dictatuur van het proletariaat, of wij zullen u ‘met revolutionaire middelen’ overwinnen (Stellingen 18 en 19).

Zo heeft het werkelijk revolutionaire proletariaat altijd met de wankelende kleinburgers gehandeld en zal het blijven handelen.

Ten aanzien van de Constituante stelt Kautsky zich op een formeel standpunt. In mijn Stellingen wordt duidelijk en bij herhaling gezegd dat de belangen van de revolutie hoger staan dan de formele rechten van de Constituante (zie Stellingen 16 en 17). Het formeel-democratisch standpunt is juist het standpunt van de burgerlijke democraat die niet toegeeft dat de belangen van het proletariaat en van de proletarische klassenstrijd hoger staan. Als historicus had Kautsky wel moeten erkennen, dat de burgerlijke parlementen organen zijn van de een of andere klasse. Maar nu moet Kautsky het marxisme vergeten (terwille van een smerige verloochening van de revolutie). Kautsky stelt dus de vraag niet, welke klasse de Constituante in Rusland als orgaan diende. Kautsky ontleedt de werkelijke omstandigheden niet. Het lust hem niet de feiten te zien; en tegenover zijn Duitse lezers rept hij er met geen enkel woord over dat in de Stellingen niet alleen een theoretische toelichting is geleverd van het vraagstuk van de begrensdheid van de burgerlijke democratie (Stelling 1-3), en niet alleen van de concrete voorwaarden, die maakten dat de kiezerslijsten, half oktober 1917 vastgesteld, niet meer met de toestand van december 1917 overeen kwamen (Stellingen Nr. 4-6), — maar hij verzwijgt óók dat de geschiedenis van de klassenstrijd en van de burgeroorlog in oktober tot december 1917 wordt toegelicht (Stellingen Nr. 7-15). Uit dit concrete verloop van de geschiedenis trokken wij de conclusie (Stelling Nr. 14) dat de leuze: “Alle macht aan de Constituante”, feitelijk de leuze was geworden, zowel van de kadetten, als van de Kaledin-mensen en hun handlangers.

De historicus Kautsky ziet dit niet. De historicus Kautsky heeft nog nooit horen zeggen dat het algemeen kiesrecht ook wel eens kleinburgerlijke, dan weer reactionaire en contrarevolutionaire parlementen oplevert. De marxistische historicus Kautsky heeft er nog nooit van gehoord dat de vorm van de verkiezingen, de vorm van de democratie heel iets anders is dan de klasseninhoud van de bedoelde instelling. Dit vraagstuk van de klasseninhoud van de Constituante is duidelijk en ronduit in mijn Stellingen gesteld en opgelost. Mogelijk is mijn oplossing niet juist. Wij zouden niets liever wensen dan een marxistische kritiek van andere zijde op onze ontleding. In plaats van zulke dwaze praatjes te debiteren (Kautsky is er niet zuinig mee), dat de een of andere kritiek op het bolsjewisme zou willen verhinderen, had Kautsky tot een dergelijke kritiek dienen over te gaan. Maar het gaat er juist om dat hij geen enkele kritiek levert. Hij stelt zelfs niet de vraag van de ontleding van de klasseninhoud van de Sovjets enerzijds, en van de Constituante anderzijds, en daarom is elke polemiek, elke discussie met Kautsky onmogelijk, en blijft er niets anders over dan de lezer aan te tonen waarom Kautsky niet anders dan als renegaat behandeld kan worden...

Het geschil van de Sovjets met de Constituante heeft haar geschiedenis, die zelfs een historicus, die niet op het standpunt van de klassenstrijd staat, niet zou mogen verwaarlozen. Kautsky heeft zich niet verwaardigd deze feitelijke geschiedenis ook maar aan te roeren. Kautsky verbergt voor de Duitse lezers dit algemeen bekende feit, dat nu alleen nog maar de van haat vervulde mensjewieken verbergen, dat de Sovjets ook tijdens de heerschappij van de mensjewieken, dus van begin maart tot begin november 1917, in conflict waren met de algemene (d.w.z. burgerlijke) ‘staats'instellingen. Kautsky staat in het wezen der zaak op het standpunt van de verzoening, van de samenwerking van het proletariaat met de bourgeoisie. Het staat vast (hoe zeer Kautsky zich daartegen ook mag verzetten) dat dit zijn standpunt is; dit wordt door zijn brochure van het begin tot het einde bevestigd. Wie zegt dat men de Constituante niet had moeten wegjagen... die beweert: men had de strijd tegen de bourgeoisie niet tot het einde moeten doorzetten, men had haar niet ten val moeten brengen; men had het tot een compromis tussen het proletariaat en de bourgeoisie moeten laten komen.

Waarom verzwijgt Kautsky dan, dat de mensjewieken met dit weinig eervol gedoe tot oktober 1917 bezig zijn geweest en er niets mee hebben bereikt? Als het mogelijk was de bourgeoisie met het proletariaat te verzoenen, waarom is dit dan aan de mensjewieken niet gelukt? Waarom hield de bourgeoisie zich afzijdig van de Sovjets? Waarom werden de Sovjets (door de mensjewieken) de ‘revolutionaire democratie’ genoemd en de bourgeoisie de ‘bevoorrechte elementen’?

Kautsky zorgt er wel voor dat zijn Duitse lezers niet vernemen hoe juist de mensjewieken, in het ‘tijdvak’ (februari-oktober 1917) van hun heerschappij van de Sovjets als van de revolutionaire democratie spraken en zo hun voortreffelijkheid boven alle andere instellingen erkenden. Dank zij het verzwijgen van dit feit, kon de historicus Kautsky de indruk vestigen alsof het conflict tussen de Sovjets en de bourgeoisie geen geschiedenis heeft, — als ware het opeens uitgebroken, onvoorzien, zonder oorzaak, als gevolg van het boosaardige gedrag van de bolsjewieken. Maar in werkelijkheid heeft juist de ondervinding van meer dan een half jaar (voor een revolutie is dat een reusachtig tijdsverloop) van de mensjewistische coalitiepolitiek, van de ijdele pogingen tot verzoening van het proletariaat met de bourgeoisie, het volk van de onvruchtbaarheid van deze pogingen overtuigd en het proletariaat aan de mensjewieken de rug doen toekeren.

De sovjets zijn een uitstekende strijdorganisatie van het proletariaat, met een grote toekomst, geeft Kautsky toe. Indien dit zo is, zo valt heel zijn stelling als een kaartenhuis in elkaar, of als de kleinburgerlijke droom over de mogelijkheid dat een harde strijd tussen het proletariaat en de bourgeoisie zou kunnen worden vermeden. Want geheel de revolutie is een voortdurende en bovendien verbitterde strijd, en het proletariaat is de vooraanstaande klasse, het brandpunt en het centrum van elk streven van alle onderdrukten naar de bevrijding.

Als strijdorganen van de onderdrukte massa’s hebben de Sovjets natuurlijker de stemmingen en de ommekeer in de opvattingen van deze massa’s met onvergelijkelijk grotere snelheid, volledigheid en getrouwheid weerspiegeld en tot uitdrukking gebracht dan welke andere instelling ook. (Dit is trouwens één van de oorzaken waarom de Sovjetdemocratie een hogere vorm van democratie is.)

De Sovjets slaagden erin, tussen 13 maart en 7 november 1917, twee Al-Russische congressen bijeen te roepen, waarop de overgrote meerderheid van de bevolking, alle arbeiders en soldaten, zeven of acht tiende van de boeren, waren vertegenwoordigd, — nog gezwegen van een menigte van plaatselijke, districts-, stads-, gouvernements- en gewestelijke congressen. Gedurende die tijd vermocht de bourgeoisie niet één enkel, de meerderheid vertegenwoordigend lichaam bijeen te roepen (behalve de duidelijk vervalste en bespottelijke ‘democratische conferentie’, een tot woede prikkelende uitdaging aan het proletariaat). De Constituante weerspiegelde dezelfde gemoedsstemming van de massa, dezelfde politieke groepering, als het eerste Al-Russische Sovjetcongres in juni. Welnu, tussen die datum en het bijeenroepen van de Constituante (januari 1918) had het tweede (oktober 1917) en ook het derde (januari 1918) Sovjetcongres plaats en beide toonden met verrassende klaarheid, dat de massa’s waren geradicaliseerd, gerevolutioneerd, dat zij zich van de mensjewieken en van de sociaal-revolutionairen hadden afgekeerd om de bolsjewieken te volgen, dus: zich aan de leiding van de kleinburgers hadden onttrokken, afstand hadden gedaan van de illusie van een compromis met de bourgeoisie en naar de kant van de proletarische revolutionaire strijd, ter omverwerping van de bourgeoisie, waren overgegaan.

Alleen de uiterlijke geschiedenis van de Sovjets toont dus reeds aan dat de Constituante een reactionair karakter had en onvermijdelijk uit elkaar moest worden gejaagd. Toch wil Kautsky geen duimbreed wijken van zijn ‘leuze’: moge de revolutie ten onder gaan, moge de bourgeois over het proletariaat zegevieren, mits de ‘zuivere democratie’ maar gedije!

Fiat Justitia pereat mundus! [9]

Hier volgt een korte tabel van de Al-Russische Sovjetcongressen, die gedurende de Russische Revolutie zijn gehouden:

Tabel Al-Russische Sovjetcongressen

Het is voldoende een blik op deze cijfers (15) te werpen, om te begrijpen waarom het verdedigen van de Constituante of het gepraat van hen, die (zoals Kautsky) voorgeven dat de bolsjewieken niet de meerderheid van de bevolking achter zich hebben, bij ons slechts met gelach kan worden ontvangen.

VI
De Sovjet Grondwet

Ik heb er op gewezen dat het niet-verlenen van het kiesrecht aan de bourgeoisie niet een noodzakelijk en onmisbaar kenmerk is van de dictatuur van het proletariaat. Ook in Rusland hebben de bolsjewieken, die, lang vóór de novemberrevolutie, deze dictatuur tot een van hun leuzen hadden gemaakt, niet van te voren er over beraadslaagd de uitbuiters van het kiesrecht te beroven. Dit bestanddeel van onze dictatuur is niet de vrucht van een door de een of andere partij uitgewerkt plan; het is vanzelf uit het verloop van de strijd gegroeid. De historicus Kautsky heeft dit natuurlijk niet opgemerkt. Hij heeft niet begrepen dat reeds in de tijd, toen de mensjewieken (de politici van het compromis met de bourgeoisie) de Sovjets beheersten, de bourgeoisie zich van de Sovjets terugtrok, ze in de ban deed, zich er vijandig tegenover stelde, er tegen intrigeerde. De Sovjets zijn zonder enige constitutie ontstaan en langer dan een jaar (van de lente van 1917 tot de zomer 1918) bleven zij zonder enige constitutie bestaan. De woede van de bourgeoisie tegen de zelfstandige en almachtige (want allesomvattende) organisatie van de onderdrukten, de even laaghartige als schaamteloze, op eigen belang gerichte strijd van de bourgeoisie tegen de Sovjets en ten slotte de openlijke medeplichtigheid van de bourgeoisie (van de kadetten tot de rechtsche sociaal-revolutionairen, van Miljoekov tot Kerenski) aan het Kornilov-avontuur, — dit alles samen heeft de formele uitsluiting van de bourgeoisie uit de Sovjets voorbereid.

Kautsky heeft over het Kornilov-complot horen spreken, maar van het voetstuk van zijn waardigheid spuwt hij op de historische feiten, op het verloop en de vormen van de strijd, die de vormen van de dictatuur bepalen. Waartoe dienen ook de feiten, wanneer er van ‘zuivere democratie’ sprake is? Daarom wordt de ‘kritiek’, door Kautsky tegen dit ontnemen van het kiesrecht aan de bourgeoisie gericht, gekenmerkt, door een zo... kostelijke naïveteit, die, wanneer het een kind betrof, ontroerend zou werken, maar die afkeer wekt, nu het een man betreft die nog niet officieel kinds is verklaard.

“Wanneer de kapitalisten zich door een uitspraak van het algemeen kiesrecht in een onbeduidende minderheid zien geplaatst, zullen zij zich eerder met hun lot verzoenen.” (blz. 33).

Lief, niet waar? De wijze Kautsky heeft dikwijls in de geschiedenis gezien, of kent als beschouwer van het werkelijke leven zeer grondig grote grondeigenaars en kapitalisten, die rekening houden met de wil van de meerderheid van de onderdrukten. De wijze Kautsky houdt zich aan het standpunt van de ‘oppositie’, d.w.z. aan de zuiver-parlementaire strijd. Hij schrijft dan ook letterlijk ‘oppositie’ (op blz. 34 en vele andere plaatsen).

O, geleerde historicus en politicus! Het zou u geen kwaad doen te weten dat ‘oppositie’ een begrip is van de vreedzame en uitsluitend parlementaire strijd, d.w.z. een begrip dat overeenkomt met een niet-revolutionaire situatie, dus een situatie waarin geen revolutie plaats vindt. In de revolutie hebben wij met een onverbiddelijke vijand in de burgeroorlog te doen, en geen reactionaire jeremiades van een kleinburger, die, evenals Kautsky, zulk een oorlog vreest, kunnen ook maar het minste aan dit feit veranderen. Zulk een behandeling van de vraagstukken van de meedogenloze burgeroorlog, waarin de bourgeoisie tot elke misdaad in staat is (het voorbeeld van de Versaillanen en hun pakt met Bismarck zegt genoeg voor ieder, die op andere wijze tegenover de geschiedenis staat dan Gogols Petroesjka) — en buitenlandse staten ter hulp roept en met hen tegen de revolutie intrigeert — is belachelijk. Het revolutionaire proletariaat moet, volgens de confusionist Kautsky, een slaapmuts over de oren trekken en een legale ‘oppositie’ zien in de bourgeoisie, terwijl deze de contrarevolutionaire opstanden van Doetov, Krasnov en de Tsjechen organiseert en miljoenen aan de saboteurs betaalt. Welk een scherpzinnigheid!

Kautsky stelt uitsluitend belang in de formele, juridische zijde van de zaak. Zijn beschouwingen over de Sovjetconstitutie doen dan ook onwillekeurig denken aan Bebels woorden: “Juristen zijn door-en-door reactionaire mensen”.

“Inderdaad”, schrijft Kautsky, “kan men echter de kapitalisten alléén niet van al hun rechten beroven. Wat is een kapitalist in de juridische betekenis van het woord? Een bezitter? Zelfs in een economisch zo ontwikkeld land als Duitsland, met een zo talrijk proletariaat, zou de oprichting van een Sovjetrepubliek grote massa’s van burgers van hun politieke rechten beroven. In 1907 bedroeg in het Duitse Rijk het aantal personen die een beroep uitoefenen (werkenden en hun gezinnen) in de drie grote groepen: landbouw, industrie en handel, ‘t aantal kantoorbedienden en loonarbeiders 35 miljoen en waren er ongeveer 17 miljoen zelfstandig werkenden. Bij gevolg kan een partij beschikken over de volstrekte meerderheid van de loonarbeiders, maar toch slechts een minderheid van de bevolking uitmaken” (blz. 33).

Dat is een staaltje van Kautsky’s wijze van redeneren. Is dat niet het contrarevolutionaire gejammer van een bourgeois?

Waarom hebt u alle ‘zelfstandigen’ meegeteld onder hen, die van hun politieke rechten worden beroofd, mijnheer Kautsky, terwijl u heel goed weet dat de geweldige meerderheid van de Russische boeren geen loonarbeiders in dienst heeft en dus ook niet van hun rechten wordt beroofd? Noemt men dit niet vervalsen van de waarheid? Waarom, geleerde economist, hebt u niet de, u welbekende, in dezelfde Duitse statistiek van 1907 vervatte gegevens over de loonarbeid in het landbouwbedrijf, volgens de groepen van de landbouwbedrijven, aangehaald? Waarom hebt u niet voor de Duitse arbeiders, de lezers van uw brochure, deze gegevens aangehaald, waaruit zij konden zien hoe weinig uitbuiters er volgens de Duitse statistiek onder het gehele aantal ‘landbouwers’ zijn? Omdat uw afvalligheid u gemaakt heeft tot een gewone aanbrenger in dienst van de bourgeoisie.

De kapitalist, ziet u, is een vaag juridisch begrip en Kautsky trekt enige bladzijden lang tegen de ‘willekeur’ van de Sovjetconstitutie van leer. Deze ‘ernstige geleerde’ vindt het natuurlijk dat de Engelse bourgeoisie vele eeuwen nodig had voor het opstellen en uitwerken van een nieuwe (voor de middeleeuwen nieuwe) burgerlijke constitutie, maar aan ons, arbeiders en boeren in Rusland, gunt deze vertegenwoordiger van de lakeienwetenschap geen ogenblik tijd. Van ons eist hij binnen enkele maanden een tot in de puntjes uitgewerkte constitutie ... .

‘Willekeur’! Welk een bodemloze diepte van afschuwelijke kruiperij voor de bourgeoisie en van de meest stompzinnige verwatenheid komt er bij dit verwijt voor de dag! Wanneer de door-en-door burgerlijke en voor het merendeel reactionaire juristen van de kapitalistische landen eeuwen of tientalle jaren nodig hadden om tot in de kleinste bijzonderheden afdalende regels uit te werken, tien, honderdtallen wetboeken en wetsverklaringen hebben geschreven, met geen ander doel dan de arbeiders te onderdrukken, de armen aan handen en voeten te binden, de eenvoudige werker uit het volk duizenderlei chicanes en hinderpalen in de weg te leggen, — o, dan zien de burgerlijke liberalen en de heer Kautsky daarin geen schijn van ‘willekeur’! Daar is ‘orde’ en ‘wettelijkheid’! Daar is alles overdacht en geformuleerd om de armen des te beter te kunnen verdrukken. Daar zijn duizenden van burgerlijke advocaten en ambtenaren (over wie Kautsky maar liever zwijgt, waarschijnlijk omdat Marx aan het verbrijzelen van de ambtenarenmachine een zeer grote betekenis heeft toegekend), advocaten en procureurs, die de wetten zo weten uit te leggen dat ‘t de arbeiders en de middenboer nooit gelukt door de prikkeldraadversperring van deze wetten heen te breken. Is dat soms geen ‘willekeur’ van de bourgeoisie, de dictatuur van de hebzuchtige en lage uitbuiters, die het volk het bloed aftappen? Wel neen! — Dat is ‘zuivere democratie’, die iedere dag nog zuiverder wordt.

Maar als de arbeidende en uitgebuite massa voor het eerst in de geschiedenis, door de imperialistische oorlog van hun broeders van de overzijde van de grens gescheiden, hun eigen Sovjets inrichten, — en tot de politieke opbouw de klassen oproepen, die de bourgeoisie voorheen onderdrukt, deemoedig en dom gehouden heeft en nu beginnen zelf een nieuwe staat, de proletarische staat, op te bouwen, — als zij in verbitterde strijd, in de hel van de burgeroorlog, de grondslagen beginnen te leggen van een staat zonder uitbuiters, — dan begint heel de bende van bloedzuigers, samen met hun trawant Kautsky, een geschreeuw over ‘willekeur’ aan te heffen! Zeker, waar zou dit ‘gepeupel’ van onwetende arbeiders en boeren hebben kunnen leren, hun eigen wetten uit te leggen? Waar moeten die eenvoudige werkers het gevoel voor gerechtigheid vandaan halen, wanneer zij geen beroep doen op de raad van de geletterde advocaten, de burgerlijke schrijvers, de kautskyisten, de wijze oude bureaucraten?

Uit mijn rede van 12 mei 1918 citeert de heer Kautsky de woorden: “... De massa’s bepalen zelf de wijze en de termijnen der verkiezingen! ...” en als ‘zuiver democraat’ trekt Kautsky daaruit de volgende conclusie:

“... Het schijnt dus dat iedere vergadering van kiezers naar eigen opvatting vaststelt, op welke wijze de verkiezingen plaats vinden. De willekeur en de mogelijkheid zich van hinderlijke oppositionele elementen in de rijen van het proletariaat zelf te ontdoen, zouden aldus tot de hoogste graad zijn opgevoerd” (blz. 37).

...Welnu, waarin onderscheidt zich die redenering van het geschrift van een, aan de kapitalisten verkochten inktkoelie, die tijdens een werkstaking jammert over het geweld, waarmee de massa de ‘vlijtige’ en ‘werkwillige’ arbeiders vervolgt? Waarom zou de bureaucratisch-burgerlijke regeling van de wijze van kiezen in de ‘zuivere’ burgerlijke democratie geen willekeur zijn? Waarom moet het rechtvaardigheidsgevoel van de massa, in opstand gekomen voor de strijd tegen de eeuwenoude uitbuiting, geschoold en gestaald door deze vertwijfelde strijd, minder zijn dan dat van een handvol van in burgerlijke vooroordelen opgevoede ambtenaren, intellectuelen en advocaten?

Kautsky is een overtuigd socialist. Verstout u niet, de oprechtheid van deze eerbiedwaardigste aller familievaders, van deze waardigste aller burgers in twijfel te trekken...! Hij is een beslist een warm voorstander van de zege van de arbeiders, van de proletarische revolutie. Alleen zou hij gaarne willen dat de goedgezinde intellectuelen, de filisters en droogstoppels met een slaapmuts, van meet af aan, vóór de beweging van de massa’s, vóór hun verbitterde strijd tegen de uitbuiters en met volstrekte vermijding van een burgeroorlog, een gematigd en nauwkeurig reglement voor de ontwikkeling van de revolutie opstellen... Met diep gevoelde zedelijke verontwaardiging vertelt onze zeer geleerde ‘Joedoesjka Golovljev’ aan de Duitse arbeiders, dat op de 14de juni 1918 het Al-Russische Centrale Uitvoerende Comité der Sovjets besloot, de vertegenwoordigers van de rechtse sociaal-revolutionairen en van de mensjewieken van de Sovjets uit te sluiten:

“Deze maatregel”, schrijft Joedoesjka Kautsky, gloeiënd van edele verontwaardiging, “richt zich niet tegen bepaalde personen, die bepaalde strafbare feiten hebben begaan... De Constitutie van de Sovjetrepubliek spreekt met geen woord over de onschendbaarheid van de afgevaardigde leden van de Sovjets. Niet bepaalde personen, maar bepaalde partijen worden hier van de Sovjets uitgesloten” (blz. 37).

Ja, dat is inderdaad verschrikkelijk. Dat is de onverdraaglijkste aanslag op de ‘zuivere democratie’, volgens welker regels onze revolutionaire Joedoesjka Kautsky de revolutie zou willen maken. Wij, Russische bolsjewieken, hadden moeten beginnen met aan Savinkov en co, de Liberdans, de Potresovs en co (de ‘activisten’) de onschendbaarheid te waarborgen, daarna een strafwetboek moeten schrijven, met strafbepalingen tegen hen, die deelnamen aan de contrarevolutionaire veldtocht van de Tsjecho-Slowaken, of in de Oekraïne, of in Georgië aan een bondgenootschap met de Duitse imperialisten tegen de arbeiders van ons eigen land en eerst daarna zouden wij op de grondslag van dat strafwetboek, overeenkomstig de ‘zuivere democratie’, gerechtigd zijn geweest, om ‘bepaalde personen’ uit de Sovjets uit te sluiten. Het spreekt bovendien vanzelf dat de Tsjecho-Slowaken, die door bemiddeling van lieden als Savinkov, de Potresovs en de Liberdans, of dankzij hun agitatie, subsidies ontvingen van de Engelse-Franse kapitalisten en dat ook lieden als Krasnov, die Duitse munitie ontvingen door de hulp van de mensjewieken uit de Oekraïne en uit Tiflis, rustig hadden zitten wachten totdat wij een behoorlijk Wetboek van Strafrecht hadden uitgewerkt en als zuivere democraten ons tot het spelen van de rol van oppositie hadden bepaald...

Een niet minder zedelijke verontwaardiging wordt bij Kautsky gewekt, doordat de Sovjetconstitutie het kiesrecht onthoudt aan allen die ‘loonarbeiders’, met het doel om winst te maken, in dienst hebben.

“De thuiswerker of kleine baas”, schrijft Kautsky, “met één gezel, kan volkomen proletarisch leven en voelen, maar hij heeft geen kiesrecht” (blz. 36).

Wat een afwijking van de ‘zuivere democratie’! Wat een ongerechtigheid! Weliswaar nemen alle marxisten tot op heden aan, en duizenden feiten hebben het bevestigd, dat de kleine baasjes de meest gewetenloze en onverzadelijke uitbuiters van de loonarbeiders zijn, maar Joedoesjka Kautsky spreekt natuurlijk niet van de klasse der kleine ondernemers (wie heeft toch deze rampzalige theorie van de klassenstrijd uitgedacht?), maar van afzonderlijke personen, van zulke uitbuiters ‘die volkomen proletarisch leven en voelen’. De beroemde ‘Spaar-Agnes’, die men sinds lang overleden waande, is door de pen van Kautsky herrezen. Deze beroemde ‘Spaar-Agnes’ is enige tientallen jaren geleden door de ‘zuivere’ democraat, de bourgeois Eugen Richter uitgevonden en in de Duitse literatuur populair gemaakt. Hij voorspelde toen ongehoorde ellende, die het gevolg zou zijn van de dictatuur van het proletariaat, van het in beslag nemen van het kapitaal van de uitbuiters. Hij vroeg met een onschuldig gezicht, wat toch een kapitalist was in de juridische betekenis van het woord? Hij nam als voorbeeld een arme, spaarzame naaister Agnes (‘Spaar-Agnes’), die de boze ‘dictators van het proletariaat’ van haar laatste stuivers wilden beroven. Er was een tijd dat de hele Duitse sociaaldemocratie zich over deze ‘Spaar-Agnes’ van de zuivere democraat Eugen Richter vrolijk maakte. Maar dat is lang gelden, zéér lang geleden, toen Bebel nog leefde, die openlijk en ronduit de waarheid uitsprak, dat er in onze partij veel nationaal-liberalen waren. Dat is héél lang geleden, toen Kautsky nog geen renegaat was geworden.

En nu is die ‘Spaar-Agnes’ herrezen in de persoon van de volkomen proletarisch levende en voelende ‘kleine ondernemer met één gezel’. De boze bolsjewieken behandelen hem onrechtvaardig, ontnemen hem zijn kiesrecht. ‘t Is waar, dat ‘ieder verkiezingscollege’ in de Sovjetrepubliek, zoals dezelfde Kautsky zegt, iedere, aan een bepaalde fabriek verbonden arme ambachtsman kan toelaten, wanneer hij bij uitzondering geen uitbuiter is en inderdaad ‘volkomen proletarisch leeft en voelt’. Maar kan men zich dan verlaten op de levenskennis en op het rechtvaardigheidsgevoel van een slecht georganiseerde en zonder reglement (vreselijk!) handelende fabrieksvergadering van eenvoudige arbeiders? Is het niet beter, het kiesrecht te geven aan alle uitbuiters, aan alle werkgevers, dan de kans te lopen, dat de arbeiders een ‘Spaar-Agnes’ en een proletarisch levend en denkend baasje zouden krenken?

Laten de verachtelijke schavuiten der renegaten onder toejuichingen van de bourgeoisie en van de sociaalchauvinisten [10] onze Sovjetconstitutie maar belasteren onder het voorwendsel dat zij het kiesrecht aan de uitbuiters onthoudt. Dit is goed zo, want het versnelt en verscherpt het breken van de revolutionaire arbeiders van Europa met die oude, het socialisme verradende leiders als Scheidemann c.s. en Kautsky, Renaudel en Longuet, Henderson en Ramsay MacDonald.

De massa van de onderdrukte klassen, de klassebewuste en eerlijke leiders uit de rijen der revolutionaire proletariërs zullen achter ons staan. Het is voldoende deze proletariërs en deze massa’s met onze Sovjetconstitutie bekend te maken, om hen onmiddellijk te doen zeggen: ziet, dat zijn werkelijk onze mannen! Ziet, daar is de echte arbeiderspartij, de echte arbeidersregering! Want zij bedriegt de arbeiders niet met praatjes over hervormingen, zoals ons de genoemde leiders allen bedrogen. Zij bestrijdt in ernst de uitbuiters, zij zet de revolutie ernstig door en strijdt werkelijk voor de volledige bevrijding van de arbeiders. Indien de Sovjets, na een jaar van praktijk, de uitbuiters van het kiesrecht beroven, dan betekent dit, dat deze Sovjets werkelijk de organisaties van de onderdrukte massa’s zijn en niet van de, aan de bourgeoisie verkochte sociaalimperialisten en sociaalpacifisten. Indien zij het kiesrecht aan de uitbuiters hebben ontnomen, dan betekent dit, dat zij niet de organen zijn van de kleinburgerlijke compromispolitiek met de kapitalisten, van het parlementaire gebabbel (naar het hart van een Kautsky, een Longuet, een MacDonald), maar de organen van het werkelijk revolutionaire proletariaat, dat met de uitbuiters in een strijd op leven en dood is gewikkeld.

“Het boekje van Kautsky is hier bijna onbekend”, schrijft mij dezer dagen (heden is het 30 oktober) een goed ingelicht kameraad uit Berlijn. Ik zou aan onze vertegenwoordigers in Duitsland en Zwitserland willen aanraden, duizenden uit te geven om dit boekje aan te kopen en gratis te verspreiden onder de doelbewuste arbeiders, ten einde die ‘Europese’ lees: imperialistische en reformistische sociaaldemocratie, die allang een ‘stinkend lijk’ is geworden, in de modder te trappen.

Op het einde van zijn boek, op bladzijden 61 en 63, huilt Kautsky hete tranen, omdat de ‘nieuwe theorie’ (zo noemt hij het bolsjewisme, uit angst, de ontleding van de Commune van Parijs door Marx en Engels te moeten aanroeren) “zelfs aanhangers vindt in de oude democratieën, zoals bv. in Zwitserland”. Het is ‘onbegrijpelijk’ (voor Kautsky), “dat ook Duitse sociaaldemocraten deze theorie aannamen”.

Dit is integendeel zeer begrijpelijk, want de revolutionaire massa’s hebben, na de ruwe lessen van de oorlog, een afkeer gekregen van lieden als Scheidemann en Kautsky.

“Wij waren steeds voor democratie”, schrijft Kautsky, “en nu moeten we plotseling daar afstand van doen!”

‘Wij’, opportunisten van de sociaaldemocratie, waren steeds tegen de dictatuur van het proletariaat en Kolb en co hebben dat al lang geleden ronduit gezegd. Kautsky weet dit en hij vergist zich, als hij denkt dat hij zulk een tastbaar feit als zijn ‘terugkeer in de schoot’ van een Bernstein en een Kolb voor zijn lezers verborgen kan houden.

‘Wij’, revolutionaire marxisten, hebben nooit de ‘zuivere’ (d.w.z burgerlijke) democratie tot een afgod gemaakt. Plechanov was, zoals bekend is, in 1903 een revolutionaire marxist (tot aan zijn treurige bekering, die van hem een Russische Scheidemann maakte). En Plechanov verklaarde toentertijd op het partijcongres van 1903, waarop het program van de partij werd aangenomen, dat het proletariaat in de revolutie, als het nodig zou zijn, niet zou aarzelen om aan de kapitalisten het kiesrecht te ontnemen en ieder parlement, onverschillig welk, wanneer het contrarevolutionair zou blijken te zijn, uiteen zou jagen. Dit is trouwens de enige opvatting die met het marxisme in overeenstemming is, zoals voor iedereen duidelijk blijkt uit de hierboven aangehaalde citaten van Marx en Engels. Dit is blijkbaar ook de noodzakelijke gevolgtrekking uit alle marxistische grondstellingen.

‘Wij’, revolutionaire marxisten, hebben nooit voor het volk gesproken zoals de gewoonte is bij de kautskianen van alle naties, die voor de bourgeoisie op hun knieën kruipen, zich naar het burgerlijke parlement voegen — het burgerlijke karakter van de huidige democratie verzwijgen — en niets anders eisen dan dat deze zal worden uitgebreid en tot het einde ontwikkeld.

‘Wij’, hebben de bourgeoisie gezegd: Uitbuiters en schijnheiligen die u zijt, u spreekt over democratie tezelfdertijd dat u met iedere stap duizenden hinderpalen opwerpt om de onderdrukte massa’s te beletten aan het politieke leven deel te nemen. Wij houden u aan uw woord en wij eisen, in het belang van die massa’s, de uitbreiding van uw democratie, om de massa’s tot de revolutie, die u, uitbuiters, ten val zal brengen, voor te bereiden. En als u, uitbuiters, zou willen trachten u tegen onze proletarische revolutie te verzetten, dan zullen we u meedogenloos onderdrukken, wij zullen u beroven van uw politieke rechten, sterker nog; wij zullen u het brood weigeren, want in onze proletarische republiek zullen de uitbuiters rechteloos zijn; hun zal vuur en water worden onthouden; want wij menen het ernstig en zijn geen socialisten zoals Scheidemann of Kautsky het opvatten.

Zo hebben ‘wij’ gesproken, en zo zullen ‘wij’, revolutionaire marxisten spreken, en juist daarom zullen de onderdrukte massa’s achter ons staan en met ons zijn. Maar lieden als Scheidemann en Kautsky zullen zij op de vuilnisbelt der renegaten werpen.

VII
Wat is Internationalisme?

Kautsky is er van overtuigd dat hij een internationalist is en hij geeft er zich ook voor uit. Scheidemann c.s. noemt hij ‘regeringssocialisten’. Door zijn verdediging van de mensjewieken (Kautsky zegt niet ronduit dat hij met hen solidair is, maar inmiddels verdedigt hij volledig hun opvattingen) openbaart niettemin Kautsky volkomen duidelijk van welk soort zijn ‘internationalisme’ is. Aangezien Kautsky geen op zich zelf staande persoon is, doch de vertegenwoordiger van een stroming, die onvermijdelijk op de bodem van de IIde Internationale moest ontstaan (Longuet in Frankrijk, Turati in Italië, Nobs en Grimm, Graber en Nafine in Zwitserland, Ramsay MacDonald in Engeland enz.), zo zal het leerzaam zijn op zijn ‘internationalisme’ in te gaan.

Kautsky onderstreept het feit, dat de mensjewieken ook te Zimmerwald zijn geweest (wat zonder twijfel een getuigschrift is, maar... een ietwat vergeeld); hij beschrijft dan op de volgende manier de, overigens door hem gedeelde, opvattingen:

“...De mensjewieken wilden de wereldvrede. Zij wilden dat alle oorlogvoerenden als leuze aannamen: ‘Geen annexaties, geen oorlogsschattingen’. Zolang dit niet bereikt zou zijn, moest het Russische leger het geweer bij de voet houden. De bolsjewieken eisen echter de onmiddellijke vrede tegen elke prijs; zij waren bereid, in geval van nood een afzonderlijke vrede te sluiten en ze deden al hun best om die vrede onvermijdelijk te maken, door de desorganisatie van het leger, die toch al groot was, nog te verergeren.” (blz. 27).

Naar Kautsky’s mening hadden de bolsjewieken de macht niet moeten veroveren, maar zich tevreden moeten stellen met de Constituante.

Het internationalisme van Kautsky en van de mensjewieken bestaat dus hieruit, dat zij van de imperialistische burgerlijke regering hervormingen eisen en intussen doorgaan met haar te steunen, zolang tot alle oorlogvoerenden de leuze: ‘geen annexaties, geen oorlogsschattingen’ hebben aangenomen. Een dergelijke opvatting hebben Turati en de Kautskianen (Haase e.a.), Longuet en zijn vrienden, herhaaldelijk tot uitdrukking gebracht, waarbij zij verklaarden, dat wij voor de ‘verdediging van het vaderland’ zouden zijn.

Theoretisch betekent dit de algehele onmacht zich van de sociaalchauvinisten af te scheiden en een algehele verwarring ten opzichte van het vraagstuk van de verdediging van het vaderland. In politiek opzicht is dit de vervanging van het internationalisme door een kleinburgerlijk nationalisme, het overlopen naar het reformisme en het verloochenen van de revolutie.

De erkenning van de ‘verdediging van het vaderland’ is, van het standpunt van het proletariaat, een rechtvaardiging van de huidige oorlog, de erkenning van zijn gewettigd zijn. En omdat de oorlog imperialistisch is en blijft (zowel onder de monarchie als onder de republiek), onafhankelijk van het feit waar de vijandelijke legers op een gegeven ogenblik staan, in mijn land of in dat van een ander, zo is de erkenning van de verdediging van het vaderland in feite de ondersteuning van de imperialistische, op roof uit zijnde bourgeoisie en een volledig verraad van het socialisme.

In Rusland behield ook onder Kerenski, in de burgerlijk-democratische republiek de oorlog zijn imperialistisch karakter, want hij werd gevoerd door de bourgeoisie als de overheersende klasse (en de oorlog is de voortzetting van de politiek); en dit imperialistisch karakter van de oorlog kwam op uitermate treffende wijze tot uitdrukking in de geheime verdragen over de verdeling van de wereld en het uitplunderen van vreemde landen, zoals die tussen de gewezen tsaar en de kapitalisten van Engeland en Frankrijk waren gesloten.

De mensjewieken hebben het volk op een schandelijke manier bedrogen, door deze oorlog voor te stellen als een verdedigings- of revolutionaire oorlog en Kautsky, die hun politiek goedkeurt, keurt daarmee ook hun volksbedrog goed, hun kleinburgerlijke tactiek, die de arbeiders misleidt en hen voor de wagen van de imperialisten spant en zo voor het kapitaal lakeiendienst verricht, Kautsky brengt een typisch kleinburgerlijke filisterpolitiek in praktijk, doordat hij het voorstelt (en de ‘massa’s’ de onzinnige gedachte inprent), alsof het opstellen van een leuze de zaak verandert. Geheel de geschiedenis van de burgerlijke democratie ontmaskert deze illusie: om het volk te bedriegen, brachten en brengen de burgerlijke democraten steeds ‘leuzen’, welke je maar wilt, naar voren. Het gaat er om, hun oprechtheid te toetsen, de woorden met de daden te vergelijken — niet tevreden te zijn met de idealistische of pochende frases, maar de klassenwerkelijkheid op te sporen. De imperialistische oorlog houdt niet op imperialistisch te zijn, omdat charlatans en fraseurs of kleinburgers en filisters een sentimentele ‘leuze’ verkondigen, maar eerst dan, wanneer de klasse, die de imperialistische oorlog voert en daaraan met talloze economische draden (en ook met kabels) is verbonden, in feite omvergeworpen blijkt te zijn en in haar plaats de werkelijk revolutionaire klasse, het proletariaat, de macht heeft verkregen. Het is op geen andere wijze mogelijk aan de imperialistische oorlog en evenmin aan een imperialistische rovers-vrede te ontkomen.

Door de buitenlandse politiek van de mensjewieken goed te keuren en ze in overeenstemming met het imperialisme en met Zimmerwald te verklaren, bewijst Kautsky ten eerste het volslagen bederf van de Zimmerwaldse opportunistische meerderheid (niet voor niets hebben wij, de linkerzijde van Zimmerwald, ons onmiddellijk van deze meerderheid losgemaakt), en ten tweede, en dit is het voornaamste, gaat Kautsky van het standpunt van het proletariaat over naar het standpunt van de kleinburgerij, van het revolutionaire standpunt, naar het reformistische standpunt.

Het proletariaat strijdt voor het ten val brengen van de imperialistische bourgeoisie door de revolutie; de kleine burgerij strijdt voor de ‘vervolmaking’ van het imperialisme door middel van hervormingen; ze past zich daarbij aan, door er zich aan te onderwerpen. Toen Kautsky nog marxist was, bv. in het jaar 1909, toen hij De weg naar de macht schreef, propageerde hij juist de idee dat de revolutie onvermijdelijk was in verband met de oorlog. Hij verklaarde dat een tijdperk van revoluties naderde. Het Manifest van Bazel van 1912 spreekt zeer beslist en duidelijk over de proletarische revolutie in verband met de imperialistische oorlog tussen de Duitse en Engelse groepen van mogendheden, die in 1914 dan ook uitbrak. Welnu, in 1918, toen de revoluties als gevolg van de oorlog begonnen waren, ging Kautsky er toe over om, in plaats van uit te leggen waarom zij onvermijdelijk waren, in plaats van na te denken over de revolutionaire tactiek, de methode en wegen ter voorbereiding van de revolutie en deze consequent te bestuderen, de reformistische tactiek van de mensjewieken ‘internationalisme’ te noemen. Is dat niet het werk van een renegaat?

Kautsky prijst de mensjewieken, omdat zij het leger volkomen slagvaardig hebben willen houden. Hij gispt de bolsjewieken, omdat zij de reeds zo grote ‘desorganisatie van het leger’ in de hand hebben gewerkt.

Dit betekent het reformisme en de onderwerping aan de imperialistische bourgeoisie prijzen, de revolutie afkeuren en haar verloochenen. Want het leger slagvaardig houden, betekende onder Kerenski inderdaad het handhaven van het leger met zijn burgerlijk (zij het dan ook republikeins) commando. Het is aan allen bekend — en de loop van de gebeurtenissen heeft het aanschouwelijk bevestigd — dat dit republikeinse leger de geest van Kornilov had behouden, dankzij de samenstelling van het commando uit aanhangers van Kornilov. Het burgerlijk officierskorps moest met de geest van Kornilov bezield zijn, moest tot het imperialisme, tot de gewelddadige onderdrukking van het proletariaat worden aan getrokken. Alle grondslagen van de imperialistische oorlog, alle grondslagen van de burgerlijke dictatuur onaangetast laten, kleinigheden verbeteren, onbetekenende dingen verfraaien (‘hervormingen’), daar kwam in werkelijkheid de tactiek van de mensjewieken op neer.

En omgekeerd. ‘Zonder desorganisatie’ van het leger heeft zich geen enkele revolutie kunnen voltrekken en kan zij zich ook niet voltrekken. Het leger is immers het meest versteende onderdrukkingsinstrument van de oude orde, het sterkste bolwerk van de burgerlijke discipline, de steun van de kapitalistische overheersing, van het behoud van en de opvoeding tot slaafse onderdanigheid en onderworpenheid aan het kapitaal. Gewapende arbeiders naast het eigenlijke leger heeft de contrarevolutie nooit geduld en kan ze niet dulden.

“In Frankrijk”, schreef Engels, “waren na iedere revolutie de arbeiders gewapend; daarom was de ontwapening van de arbeides de eerste zorg van de bourgeoisie, zodra zij het roer van de staat in handen had”.

De gewapende arbeiders waren de kiem van een nieuw leger, de organisatiecel van een nieuwe maatschappelijke orde. Deze cel te vernietigen, elke ontwikkeling daarvan te verhinderen, dat was steeds het eerste gebod van de bourgeoisie. Het eerste gebod van iedere zegevierende revolutie, Marx en Engels hebben dit herhaaldelijk onderstreept, was: het oude leger stuk te slaan, tot ontbinding te brengen en er een nieuw leger voor in de plaats te stellen. Een nieuwe, aan de macht gekomen maatschappelijke klasse heeft nooit de heerschappij kunnen veroveren en bevestigen, en kan het ook nu nog niet, anders dan door het oude leger geheel-en-al tot ontbinding te brengen (zonder er zich om te bekommeren, of de reactionaire of alleen maar laffe filister jammert over ‘desorganisatie’); — anders dan door een tijdperk van grote moeilijkheden en zware beproevingen te doorworstelen, gedurende welke tijd het land ongewapend blijft (de grote Franse Revolutie heeft zulk een tijd gekend); anders dan door stap voor stap, te midden van al het leed van de burgeroorlog, het nieuwe leger, de nieuwe discipline, de nieuwe militaire organisatie van de nieuwe klasse te scheppen. De historicus Kautsky heeft dit vroeger wel ingezien. De renegaat Kautsky heeft dit vergeten.

Welk recht heeft Kautsky, lieden als Scheidemann c.s. regeringasocialisten te noemen, indien hij de tactiek van de mensjewieken in de Russische revolutie goedkeurt? De mensjewieken, die Kerenski ondersteunden en zetels in zijn ministerie aanvaardden, waren precies zulke regeringssocialisten. Kautsky kan deze conclusie geenszins ontwijken, zodra hij maar zou trachten de vraag te stellen welke de overheersende klasse is die de imperialistische oorlog voert. Maar Kautsky gaat het stellen van die vraag uit de weg, ofschoon iedere marxist verplicht is ze te stellen. Kautsky doet het niet, omdat reeds het stellen van die vraag de renegaat zou ontmaskeren.

De kautskianen in Duitsland, de longuettisten in Frankrijk, Turati en co in Italië, redeneerden aldus: het socialisme veronderstelt de gelijkheid en de vrijheid der naties en hun recht op zelfbeschikking; derhalve, wanneer ons land wordt aangevallen of wanneer vijandige legers op onze bodem zijn doorgedrongen, hebben de socialisten het recht en zijn zij verplicht, het vaderland te verdedigen. Maar zulk een redenering is theoretisch niets anders dan een grove bespotting van het socialisme. Of een schaamteloos goochelaarskunstje en praktisch-politiek staat deze redenering op hetzelfde peil als de redenering van een heel onontwikkeld boertje, dat van het sociale, het klassenkarakter van de oorlog en over de taak van de revolutionaire partij gedurende een reactionaire oorlog niet het minste begrip heeft.

Het socialisme is tegen het gebruik van geweld tegenover volken. Dat staat vast. Maar het socialisme is in het algemeen ook tegen het gebruik van geweld tegenover mensen. Behalve de christen-anarchisten en de tolstojanen heeft echter nog niemand daaruit de conclusie getrokken dat het socialisme tegen revolutionair geweld is. Van ‘geweld’ in het algemeen te spreken, zonder een onderzoek in te stellen naar de voorwaarden die het reactionaire geweld van het revolutionaire geweld onderscheiden, dat betekent dus niets anders dan de houding aannemen van een filister, die niets van de revolutie wil weten of van een sofist, die zichzelf en anderen eenvoudig bedriegt.

Dezelfde redenering geldt ook ten aanzien van het gebruik van geweld tegenover naties. Iedere oorlog bestaat uit het gebruiken van geweld tegenover naties. Maar dit weerhoudt de socialisten niet voorstanders van een revolutionaire oorlog te zijn. Het klassenkarakter van de oorlog, ziedaar de fundamentele vraag die zich aan iederen socialsti opdringt (als hij tenminste geen renegaat is).

De imperialistische oorlog van 1914-1918 is een oorlog tussen twee groepen van de imperialistische bourgeoisie om de verdeling van de wereld, om de verdeling van de buit, om de beroving en de onderdrukking van kleine en zwakke naties. Dit was het standpunt, dat het Manifest van Bazel in het jaar 1912 ten aanzien van de oorlog tot uitdrukking bracht, en dat door de feiten is bevestigd. Wie deze opvatting van de oorlog opgeeft, is geen socialist.

Als een Duitser onder Wilhelm of een Fransman onder Clemenceau zegt: “ik heb het recht en de plicht, als socialist, mijn vaderland te verdedigen, wanneer de vijand mijn land is binnengedrongen”, dan redeneert hij niet als een socialist, niet als een internationalist, niet als een revolutionaire proletariër, maar als een nationalistische kleinburger. Want in deze redenering verdwijnt de revolutionaire klassenstrijd van de arbeider tegen het kapitaal, verdwijnt de beoordeling van de oorlog in het algemeen van uit het standpunt van de wereldbourgeoisie en van het wereldproletariaat, d.w.z. verdwijnt het internationalisme, — er blijft een armzalig, versteend nationalisme over. Mijn land is geweld aangedaan en verder heb ik met de zaak niets te maken — daarop komt een dergelijke redenering neer. Daarin ligt haar kleinburgerlijk-nationalistische bekrompenheid. Dat is precies hetzelfde als dat iemand naar aanleiding van individueel geweld tegen een persoon zou redeneren: “het socialisme is tegen geweld, dus ga ik maar liever tot verraad over, dan in de gevangenis zitten”.

De Fransman, de Duitser of de Italiaan, die zegt: “het socialisme is tegen geweld tegenover volken en daarom verdedig ik mij tegen de vijand, wanneer hij een aanval doet in mijn land”, verraadt het socialisme en het internationalisme. Want zo iemand ziet alleen naar zijn ‘land’, stelt boven alles ‘zijn’ ... bourgeoisie, zonder te denken aan de internationale verbindingen, die de oorlog imperialistisch en zijn bourgeoisie tot een schakel in de keten van de internationale roverspolitiek maken.

Alle kleinburgers en alle onwetende en bekrompen boeren redeneren juist als de renegaten, de kautskianen, longuettisten, Turati en co nl.: de vijand staat in mijn land en verder heb ik met de zaak niets te maken [11].

Een socialist, een revolutionaire proletariër, een internationalist, denkt anders: Het karakter van de oorlog (of hij reactionair of revolutionair is) hangt niet af van de vraag wie de aanvaller is en in wiens land de ‘vijand’ staat, maar van de vraag, welke klasse de oorlog voert en welke politiek door die oorlog wordt voortgezet. Indien deze oorlog een reactionaire, imperialistische oorlog is, d.w.z. een oorlog tussen de twee wereldgroepen van de reactionaire, op roof beluste imperialistische bourgeoisie, dan wordt iedere bourgeoisie (zelfs die van een klein land) medeplichtig aan de roof en dan is het zijn taak, de taak van een vertegenwoordiger van het revolutionaire proletariaat, de proletarische wereldrevolutie voor te bereiden als de enige redding uit de verschrikkingen van de wereldoorlog. Niet vanuit het standpunt van ‘mijn’ land mag ik oordelen (want deze beoordeling moet men overlaten aan de nationalistische kleinburger, die niet begrijpt dat hij een speelbal is in de handen van de imperialistische bourgeoisie), maar van het standpunt van mijn deelnemen aan de voorbereiding, de propaganda, de verhaasting van de proletarische revolutie.

Dt is internationalisme, dt is de taak van een internationalist, van de revolutionaire arbeider, van een werkelijke socialist. Dat is het abc dat de renegaat Kautsky heeft ‘vergeten’. Maar dat hij renegaat is, komt nog duidelijker aan het licht, wanneer hij van de goedkeuring van de tactiek van de kleinburgerlijke nationalisten (de mensjewieken in Rusland, de longuettisten in Frankrijk, Turati in Italië, Haase en co in Duitsland) overgaat tot de kritiek op de bolsjewistische tactiek. Hier volgt ze:

“De bolsjewistische revolutie was gebouwd op de veronderstelling, dat zij als punt van uitgang zou dienen voor een algemene Europese revolutie; dat het stoutmoedige initiatief van Rusland de proletariërs van geheel Europa tot de opstand zou opwekken.
Bij zulk een veronderstelling was het natuurlijk onverschillig welke vormen de afzonderlijke Russische vrede zou aannemen, welke lasten en welke verliezen van grondgebied (letterlijk: zelfverminkingen, Verstümmelungen und Lasten) hij voor het Russische volk zou meebrengen en welke oplossing hij zou geven. Dan was het ook onverschillig of Rusland weerbaar was of niet. De Europese revolutie vormde, volgens deze opvatting, de beste verdediging van de Russische revolutie. Zij moest aan alle volken op het vroegere Russische gebied volledige en waarachtige zelfbeschikking brengen.
Een revolutie in Europa, die daar het socialisme zou brengen en bevestigen, moest evenwel ook het middel worden om alle hinderpalen omver te werpen, die in Rusland de verwezenlijking van de socialistische productie door de economische achterlijkheid van het land in de weg stonden.
Dat alles was heel logisch gedacht en goed gemotiveerd, wanneer men maar de veronderstelling toegaf: dat de Russische revolutie onfeilbaar de Europese zou ontketenen. Maar als het nu eens niet daartoe kwam?
Tot op heden heeft zich deze veronderstelling niet bewaarheid. En nu worden de proletariërs van Europa aangeklaagd, dat zij de Russische revolutie in de steek hebben gelaten en verraden. Dat is een aanklacht tegen onbekenden; want wie wil men verantwoordelijk stellen voor de houding van het Europese proletariaat?” (blz. 28).

En Kautsky zet nu lang en breed uiteen dat Marx, Engels en Bebel zich meer dan eens hebben vergist bij het voorspellen van het uitbreken van de door hen verwachte revolutie, maar dat zij nooit hun tactiek hebben gebouwd op de verwachting van de revolutie op “een bepaalde termijn”) (blz. 29), terwijl, naar Kautsky beweert, de bolsjewieken “alles op de ene kaart van die algemene Europese revolutie hebben gezet”.

Wij hebben met opzet zulk een lang citaat afgeschreven, om aan de lezers duidelijk te tonen hoe ‘handig’ Kautsky het marxisme vervalst door er een platte, reactionaire, kleinburgerlijke opvatting voor in de plaats te stellen.

Ten eerste: Zijn het niet bepaald zeer snuggere lieden, die de tegenstander klinkklare nonsens in de schoenen schuiven om ze daarna te weerleggen. Zouden de bolsjewieken hun tactiek hebben gebaseerd op de verwachting dat de revolutie in de andere landen na een bepaalde termijn zou uitbreken, dan zou dat ongetwijfeld een domheid zijn geweest. Maar de bolsjewistische partij heeft deze domheid niet begaan: — in mijn brief aan de Amerikaanse arbeiders (20 augustus 1918) heb ik deze domheid beslist afgewezen; ik heb gezegd dat wij rekenen op de Amerikaanse revolutie, maar zonder een bepaalde termijn te noemen. In mijn polemiek met de linkse sociaal-revolutionairen en de ‘linkse communisten’ (januari-maart 1918) heb ik herhaaldelijk dezelfde gedachten ontwikkeld. Kautsky heeft zich een kleine... heel kleine vervalsing veroorloofd, die hij dan als grondslag neemt voor geheel zijn kritiek op het bolsjewisme. Kautsky verwisselde de tactiek, die rekening houdt met een Europese revolutie op een meer of minder nabij zijnde, maar niet op een bepaalde termijn, met de tactiek, die rekening houdt met de Europese revolutie op een bepaalde datum. Een kleine, een heel kleine vervalsing!

De tweede tactiek is een domheid. De eerste is plicht voor iedere marxist, voor iedere revolutionaire proletariër, iedere internationalist, want alleen die tactiek houdt rekening, in overeenstemming met het marxisme, met de objectieve toestand, zoals deze in alle Europese landen door de oorlog is ontstaan. Deze tactiek alleen beantwoordt aan de internationale taak van het proletariaat.

Nadat Kautsky de belangrijke kwestie van de grondslagen van de revolutionaire tactiek in het algemeen heeft verwisseld met de onbeduidende kwestie van de vergissing, die de revolutionaire bolsjewieken hadden kunnen begaan, maar niet hebben begaan, heeft Kautsky zich op een gelukkige wijze van de revolutionaire tactiek in het algemeen los gemaakt.

Renegaat in de politiek, is hij niet eens in staat de kwestie van de objectieve voorwaarden van een revolutionaire tactiek theoretisch te stellen. En hier zijn wij bij het tweede punt aangekomen.

Ten tweede: Ieder marxist is verplicht rekening te houden met de Europese revolutie, zodra een revolutionaire situatie bestaat. Het is een waarheid, behorend bij het abc van het marxisme, dat de tactiek van het socialistische proletariaat in een revolutionaire situatie anders moet zijn dan wanneer deze niet bestaan. Als Kautsky deze, voor een marxist vanzelfsprekende vraag had gesteld, zou hij gezien hebben dat het antwoord onvoorwaardelijk in zijn nadeel zou zijn uitgevallen. Lang vóór de oorlog waren alle marxisten, alle socialisten het hierin met elkaar eens, dat een Europese oorlog een revolutionaire situatie zou teweeg brengen. Kautsky zelf zag dit, toen hij nog geen renegaat was, helder in en omlijnde het scherp, zoals bv. in 1902 (De Sociale Revolutie) en in 1909 (De Weg naar de Macht). Het Manifest van Bazel (van 1912) erkende het in naam van de hele IIde Internationale. Niet voor niets schuwen de sociaalchauvinisten en de kautskianen van alle landen (de mannen van het ‘Centrum’, de lieden die tussen de revolutionairen en de opportunisten heen en weer worden geschommeld) de betreffende verklaringen van het Manifest van Bazel als de pest.

De verwachting van een revolutionaire situatie in Europa was dus geen fantasie van de bolsjewieken, maar het algemene inzicht van alle marxisten. Wanneer Kautsky zich van deze onbetwistbare waarheid afmaakt met uitspraken als deze: “altijd hebben de bolsjewieken geloofd in de almacht van het geweld en van de wil”, dan is dat niets dan een zinledige frase, die Kautsky’s ontwijken, zijn smadelijk ontwijken van de kwestie van de revolutionaire situatie moet verbergen.

Verder: Bevinden wij ons, ja of neen, in een revolutionaire situatie? Ook die vraag vermocht Kautsky niet te stellen. Het antwoord wordt gegeven door economische feiten: honger en ellende overal, als gevolg van de oorlog, betekent een revolutionaire situatie. Een antwoord geven ons ook de politieke feiten: reeds sedert 1915 ziet men in alle landen het proces van afscheiding in de oude, verrotte, socialistische partijen duidelijk aan het licht treden, een ontwikkelingsproces van de proletarische massa’s, die hun sociaalchauvinistische leiders verlaten en opschuiven naar links, naar revolutionaire gedachten en stemmingen, naar de revolutionaire leiders.

Op de 5de augustus 1918, toen Kautsky zijn brochure schreef, kon alleen maar een man die de revolutie vreest en haar verraadt, blind zijn voor deze feiten. Maar nu, op het einde van oktober 1918, groeit zienderogen in een reeks van Europese landen de revolutie. Zoals de door Marx bespotte filisters van 1847, is de ‘revolutionair’ Kautsky, die nog altijd, zoals vroeger, als marxist wil worden beschouwd, zo zeer verblind dat hij niet eens de revolutie ziet naderen.

Wij zijn aan het derde punt gekomen:

Wat zijn de bijzondere kentekenen van de revolutionaire tactiek, wanneer een revolutionaire situatie in Europa aanwezig is?

Kautsky vreest, als goed renegaat, deze aan elke marxist zich opdringende vraag te stellen. Kautsky redeneert als een typische kleinburgerlijke filister of als een achterlijke boer: is ‘algemeen Europese revolutie’ uitgebroken of niet? Is ze uitgebroken, dan is ook hij bereid revolutionair te worden! Maar dan, in het voorbijgaan gezegd, zal alle mogelijke gespuis, evenals de schoften, die zich zo nu en dan aan de zegevierende bolsjewieken willen opdringen, zich revolutionair gaan verklaren!

Is de revolutie evenwel nog niet uitgebroken, dan draait Kautsky haar de rug toe! Bij Kautsky is geen schijn of schaduw van een begrijpen van de waarheid, dat een revolutionaire marxist zich juist van de filisters en de kleinburgers hierin onderscheidt, dat hij het verstaat, aan de achterlijke massa’s de noodzakelijkheid van de rijpende revolutie te prediken, de onvermijdelijkheid ervan te bewijzen, het voordeel daarvan voor het volk te verklaren en het proletariaat en de gehele arbeidende en uitgebuite massa daarop voor te bereiden.

Kautsky schreef de bolsjewieken de ongerijmdheid toe, dat zij alles op één kaart zouden zetten, door te veronderstellen dat de Europese revolutie op een bepaalde datum zou uitbreken. Deze onzin heeft zich tegen Kautsky zelf gekeerd, want volgens hem zou de tactiek van de bolsjewieken juist zijn geweest, indien de Europese revolutie op de 5de augustus 1918 ware uitgebroken! Dit is nl. de dag waarop hij zijn brochure heeft gedateerd. En toen enige weken na deze 5de augustus duidelijk werd dat de revolutie in een reeks van Europese landen werkelijk nadert, openbaarde zich het feit in al zijn heerlijkheid, dat Kautsky een renegaat is, dat hij het marxisme heeft vervalst, openbaart zich gans zijn onmacht, als revolutionair te denken en zelfs als revolutionair kwesties te stellen!

Wanneer men de proletariërs van Europa van verraad beschuldigt, schrijft Kautsky, dan is dat een beschuldiging tegen onbekenden.

U vergist u, mijnheer Kautsky! Kijk in de spiegel en u zult die ‘onbekende’ zien, tegen wie de beschuldiging is gericht. Kautsky houdt zich van de domme en doet alsof hij niet begrijpt wie deze beschuldiging uitsprak en welke betekenis zij heeft. Maar inderdaad weet Kautsky heel goed dat deze beschuldiging afkomstig is van de Duitse ‘linksen’, de Spartacisten, Liebknecht en zijn vrienden. Deze beschuldiging is de uitdrukking van het klare bewustzijn dat het Duitse proletariaat aan de Russische (en de internationale) revolutie verraad heeft gepleegd, toen het Finland, de Oekraïne, Letland en Estland worgde. Deze beschuldiging wordt vóór alles en boven alles gericht, niet tegen de massa, die men altijd vrees heeft aangejaagd, maar tegen de leiders, die als Scheidemann en Kautsky, hun plicht tegenover de revolutionaire agitatie, de revolutionaire propaganda en de revolutionaire arbeid onder de massa’s tegen hun traagheid, hebben verzaakt en daadwerkelijk de revolutionaire instincten en het revolutionaire streven, die altijd diep in de onderdrukte klasse sluimeren, hebben tegengewerkt. Lieden als Scheidemann hebben het proletariaat rechtstreeks, gemeen, cynisch en meestal met baatzuchtig oogmerk verraden en zijn naar de zijde van de bourgeoisie overgelopen. De kautskianen en de longuettisten deden hetzelfde, aarzelend, wankelend en laf hun naar de ogen ziende, hun die op een gegeven ogenblik de sterkste partij waren. Kautsky heeft met al zijn geschriften tijdens de oorlog de revolutionaire geest trachten te verstikken, in plaats van hem levend te houden en aan te wakkeren.

De geschiedenis zal als monumentaal bewijs van de kleinburgerlijke verwording van de ‘doorsnee’-leider van de officiele Duitse sociaaldemocratie het feit bewaren, dat Kautsky zelfs niet begrijpt welk een reusachtige theoretische betekenis, welk een nog grotere agitatorische en propagandistische betekenis gelegen is in de ‘beschuldiging’ aan het adres van de proletariërs van Europa, dat zij de Russische revolutie hebben verraden! Kautsky begrijpt niet dat deze ‘beschuldiging’ — onder het stelsel van de censuur in het Duitse Rijk — welhaast de enige vorm is waarin de Duitse socialisten, die het socialisme trouw zijn gebleven, zoals Liebknecht en zijn vrienden, de Duitse arbeiders hebben kunnen oproepen om ‘leiders’ als Scheidemann en Kautsky in de steek te laten, van zich te stoten, zich te bevrijden van hun verdommende en vervlakkende leer en ondanks hen, zonder hen en over hen heen op te staan tot de revolutie!

Kautsky begrijpt dit niet. Hoe zou hij dan de tactiek van de bolsjewieken kunnen begrijpen? Kan men van een man, die de revolutie in het algemeen verloochent, verwachten dat hij de voorwaarden van haar ontwikkeling in een van de ‘moeilijkste’ gevallen kan afwegen en beoordelen?

De tactiek van de bolsjewieken was juist. Zij was de enige internationale tactiek, want zij was niet gebaseerd op laffe vrees voor de wereldrevolutie, noch op kleinburgerlijk ‘ongeloof’ in dit opzicht, noch op een benepen nationalistische begeerte om het ‘eigen’ vaderland (het vaderland van hun eigen bourgeoisie) te verdedigen en op al het andere te ‘spuwen’. Zij was gebaseerd op de juiste (vóór de oorlog, voor de sociaalchauvinisten en de sociaalpacifisten renegaten werden, algemeen aanvaarde) beoordeling van de Europese revolutionaire situatie. Deze tactiek was de enige internationale tactiek, want zij leverde alles wat mogelijkerwijs in een land geleverd kon worden ten gunste van het wekken, steunen en het ontplooien van de revolutie in alle landen.

Deze tactiek zag zich door een geweldig succes gerechtvaardigd, want het bolsjewisme (volstrekt niet krachtens de verdiensten van de Russische bolsjewieken, maar krachtens de algemene sympathie van de massa’s met een inderdaad revolutionaire tactiek) is een wereldverschijnsel geworden. Het heeft een gedachte, een theorie, een program, een tactiek gegeven, die tastbaar, praktisch, afwijkt van het sociaalchauvinisme en het sociaalpacifisme. Het bolsjewisme heeft afgerekend met de oude, verworden Internationale van een Scheidemann, een Kautsky, een Renaudel, een Longuet, een Henderson en een MacDonald, die nu over elkaars voeten zullen struikelen in hun ‘eenheids’-dromen en hun poging om dit lijk weer leven in te blazen.

Het bolsjewisme heeft de ideologische en tactische grondslagen geschapen voor de IIIde, waarlijk proletarische en communistische Internationale, die ook de lessen trekt, zowel uit de veroveringen in tijden van vrede als uit de ervaringen van het beginnende tijdperk van de revoluties.

Het bolsjewisme heeft over de hele wereld de idee van de ‘dictatuur van het proletariaat’ gepopulariseerd. Het heeft deze woorden uit het Latijn eerst in het Russisch vertaald en daarna in alle talen van de wereld. Het heeft met het voorbeeld van de Sovjetmacht aangetoond dat de arbeiders en de arme boeren zelfs in een achterlijk land, zelfs met de geringste ervaring en ontwikkeling, het minst aan organisatie gewend, in staat zijn geweest, een heel jaar lang, niettegenstaande ongekende moeilijkheden, de strijd vol te houden tegen de uitbuiters (die door de bourgeoisie van de gehele wereld werden ondersteund), de macht van de arbeiders te handhaven, een democratie te scheppen van veel hogere orde en bredere omvang dan alle vroegere democratieën ter wereld en met de scheppende arbeid van tientallen miljoenen arbeiders en boeren een begin te maken met de praktische verwezenlijking van het socialisme.

Het bolsjewisme heeft inderdaad meer tot de ontwikkeling van de proletarische revolutie in Europa en Amerika bijgedragen dan elke andere partij, in onverschillig welk ander land, heeft kunnen doen. In de tijd, dat het aan de arbeiders van de hele wereld met iedere dag duidelijker wordt dat de tactiek van een Scheidemann en een Kautsky hen niet voor de imperialistische oorlog kon behoeden en niet voor de loonslavernij in dienst van de imperialistische bourgeoisie en dat dus deze tactiek niet geschikt is om als voorbeeld voor alle landen te dienen — in die tijd geven de proletarische massa’s van alle landen met iedere dag zich duidelijker rekenschap dat het bolsjewisme de enige uitweg heeft aangewezen voor de verlossing uit de verschrikkingen van de oorlog en van het imperialisme. Dat het bolsjewisme kan dienen als een voorbeeld voor allen.

De proletarische revolutie rijpt zienderogen niet alleen in Europa, maar over de gehele wereld en de zegepraal van het proletariaat in Rusland heeft haar bevorderd, verhaast en ondersteund. Betekent dit alles nog maar weinig voor de volledige zegepraal van het socialisme? Zeker ‘t is nog weinig. Maar één land kan niet meer doen. En toch heeft het ene land, dank zij de Sovjetmacht, al zoveel gedaan, dat zelfs, wanneer we zouden aannemen dat het wereldimperialisme, bv. door een compromis tussen het Duitse en het Engels-Franse imperialisme morgen de Russische Sovjetmacht zou verpletteren, het zelfs in dat ergste van alle gevallen, zou blijken dat de bolsjewistische tactiek voor het socialisme het allergrootste nut heeft gebracht en de groei van de onoverwinnelijke wereldrevolutie heeft bevorderd.

VIII
In het gevlei komen bij de bourgeoisie onder de schijn van ‘Economische analyse’

Zoals reeds is gezegd, had het boek van Kautsky, wanneer de titel de inhoud zou moeten weergeven, niet Dictatuur van het proletariaat moeten heten, maar ‘Bloemlezing uit burgerlijke aanvallen op de bolsjewieken’.

De oude ‘theorieën’ van de mensjewieken over het burgerlijke karakter van de Russische revolutie, d.w.z. de oude vervlakking van het marxisme door de mensjewieken (in 1905 door Kautsky verworpen) zijn nu opnieuw door onze theoreticus opgewarmd. Wij moeten bij dit vraagstuk een ogenblik stilstaan, hoe vervelend dit ook voor de Russische marxisten moge zijn.

De Russische revolutie is een burgerlijke revolutie, zeiden alle Russische marxisten vóór 1905. De mensjewieken, die het marxisme met het liberalisme verwisselden, trokken daaruit de conclusie: dat het proletariaat derhalve niet verder mag gaan, dan voor de bourgeoisie aannemelijk is. Men moet een compromispolitiek met de bourgeoisie voeren. De bolsjewieken zeiden dat dit een liberaal-burgerlijke theorie was. De bourgeoisie streeft er naar de staat langs burgerlijke, reformistische en niet langs revolutionaire weg om te vormen en zoveel mogelijk zowel de monarchie als het landheerlijke grondbezit te handhaven enz. Het proletariaat moet de burgerlijk-democratische revolutie ten einde toe doorzetten, zonder zich te laten ‘binden’ door het reformisme van de bourgeoisie. De verhouding van de klasse-krachten tijdens de burgerlijke revolutie hebben de bolsjewieken aldus geformuleerd: het proletariaat maakt de massa van de boeren tot zijn bondgenoten, neutraliseert de liberale bourgeoisie en maakt volledig een eind aan de monarchie, de feodaliteit en het grootgrondbezit.

Juist in dit bondgenootschap van het proletariaat met de massa van de boeren komt het burgerlijke karakter van de revolutie aan het licht, want de boeren, als geheel genomen, zijn kleine producenten, die op de bodem van de warenproductie staan. Vervolgens, zo voegden de bolsjewieken er nog aan toe, brengt het proletariaat het ganse half-proletariaat (alle uitgebuiten, alle werkers) aan zijn zijde, neutraliseert de middelste laag van de boeren en brengt de bourgeoisie ten val; daarin bestaat juist het onderscheid tussen de socialistische en de burgerlijke democratische revolutie. (Zie mijn brochure uit het jaar 1905 Tweeërlei tactiek, overgedrukt in het verzamelwerk Gedurende 12 jaar, Sint-Petersburg 1907.)

Kautsky nam in 1905 indirect aan deze discussies deel, toen hij op een vraag van de toenmalige mensjewiek Plechanov, zich in het wezen van de zaak tegen Plechanov uitsprak, hetgeen toentertijd de bijzondere spot van de bolsjewistische pers uitlokte. Thans herinnert Kautsky met geen woord aan de toenmalige discussies (uit vrees door zijn eigen verklaringen schaakmat te worden gezet) en berooft daardoor de Duitse lezer van elke mogelijkheid, tot de kern van de zaak door te dringen. De heer Kautsky kon de Duitse arbeider in 1918 niet vertellen hoe hij in 1905 een bondgenootschap van de arbeiders met de boeren en niet met de liberale bourgeoisie voorstond; hij kon hun niet vertellen onder welke omstandigheden hij dit bondgenootschap verdedigde, en welk program hij hiervoor ontwierp.

Maar Kautsky heeft zich in achterwaartse richting ontwikkeld en verdedigt, onder de dekmantel van een ‘economische analyse’, met ronkende frasen over het ‘historisch-materialisme’, de ondergeschiktheid van de arbeiders aan de bourgeoisie en herkauwt de oude liberale opvattingen van de mensjewieken, met behulp van citaten uit het boek van de mensjewiek Maslov. Daarbij wordt met citaten het nieuwe denkbeeld van de achterlijkheid van Rusland bewezen; uit dit nieuwe denkbeeld wordt de oude conclusie getrokken dat men in een burgerlijke revolutie niet verder mag gaan dan de bourgeoisie! En dit niettegenstaande al wat Marx en Engels hebben gezegd, toen zij de burgerlijke revolutie van 1789-1793 in Frankrijk en de burgerlijke revolutie van 1848 in Duitsland met elkaar vergeleken.

Vóór we nu overgaan tot een beschouwing van het voornaamste ‘argument’ en de wezenlijke inhoud van de ‘economische analyse’ bij Kautsky, moeten we opmerken hoe reeds de eerste zinnen van de schrijver een bekrompen verwarring van gedachten, of een gebrekkig, lichtvaardig denken ten toon spreiden:

“De economische grondslag van Rusland”, doceert onze ‘theoreticus’, “is thans nog de landbouw en wat meer zegt: het kleine boerenbedrijf. Daarvan leven bijna 4/5, of wellicht 5/6 van de bevolking” (blz. 45).

In de eerste plaats, geachte theoreticus, hebt ge u wel eens afgevraagd hoeveel uitbuiters er onder zulk een massa van kleine producenten kunnen zijn? Zeker niet meer dan een tiende van het gehele aantal en nog minder in de steden, waar het grootbedrijf sterker is ontwikkeld. Maar neem zelfs een onwaarschijnlijk hoog cijfer en veronderstel dat een vijfde van de kleine producenten uitbuiters zijn, die van het kiesrecht zijn uitgesloten. Ook dan zult u zien dat de 66 % bolsjewieken op het vijfde Sovjetcongres altijd nog de meerderheid van de bevolking vertegenwoordigden. Daar moet nog aan worden toegevoegd, dat onder de linkse sociaal-revolutionairen steeds een aanmerkelijk deel voor de Sovjetmacht was, d.w.z. in het begin waren alle linkse sociaal-revolutionairen voor de Sovjetmacht en toen een gedeelte van hun zich in juli 1918 met het opstandsavontuur inliet, scheidden zich twee nieuwe partijen af, nl. die van de narodniki-communisten en die van de ‘Revolutionaire communisten’ (onder wie de meest vooraanstaande sociaal-revolutionairen, die de oude partij nog op de gewichtigste staatsposten had gebracht. Tot de eerste partij behoorde bv. Sachs en tot de laatst genoemde Kolégajev). Bijgevolg heeft Kautsky zelf — zij het ook zonder het te willen! — het lachwekkende verhaaltje, dat achter de bolsjewieken slechts een minderheid van de bevolking zou staan, weerlegd.

Ten tweede, geachte theoreticus, hebt u er ook over nagedacht, dat de kleine agrarische producent onvermijdelijk heen en weer slingert tussen het proletariaat en de bourgeoisie? Deze, door de gehele huidige geschiedenis van Europa bevestigde marxistische waarheid, heeft Kautsky zeer te rechter tijd ‘vergeten’, want zij slaat geheel die door hem opnieuw geformuleerde mensjewistische theorie in puin. Wanneer Kautsky dit niet had ‘vergeten’, dan had hij de noodzakelijkheid van de proletarische dictatuur in een land, waarin de kleine boeren een overweldigend deel van de producenten uitmaken, niet kunnen betwisten.

Laat ons nu de wezenlijke inhoud van de ‘economische analyse’ van onze theoreticus nagaan. Dat de Sovjetmacht een dictatuur is, is buiten kijf, zegt Kautsky:

“Maar is ze ook de dictatuur van het proletariaat! (blz.34) ...

Zij (de boeren) vormen onder de sovjetconstitutie de meerderheid van de bevolking, die het recht heeft, aan de wetgeving en de regering deel te nemen. Hetgeen men ons voorstelt als dictatuur van het proletariaat, zou (als het consequent werd doorgevoerd en als een klasse, in het algemeen gesproken, als zodanig de dictatuur zou kunen uitoefenen, wat alleen mogelijk is voor een partij) een dictatuur van de boeren blijken te zijn” (blz. 35).

En, buitengewoon tevreden met zulk een scherpzinnige en geestige redenering, waagt de goede Kautsky zich aan een grapje:

“Het schijnt derhalve dat de meest pijnloze verwezenlijking van het socialisme gewaarborgd zou zijn, wanneer zij in de handen van de boeren werd gelegd” (blz. 35).

Onze theoreticus beijvert zich nu, onder het bijbrengen van tal van bijzonderheden en een reeks van buitengewoon geleerde citaten uit de werken van de half-liberaal Maslov, de juistheid aan te tonen van de nieuwe gedachte, dat de boeren er belang bij hebben dat de graanprijzen zo hoog mogelijk zijn, dat de arbeiders in de steden zo laag mogelijke lonen verdienen enz., enz. Deze nieuwe gedachten worden — voegen we hier aan toe — des te vervelender ontvouwd, naarmate er minder aandacht wordt geschonken aan de werkelijke nieuwe verschijnselen van de tijd na de oorlog, t.w. het feit dat de boeren in ruil voor het graan geen geld vragen, maar waren; dat zij gebrek hebben aan gereedschappen, die zij zich tot geen enkele prijs in voldoende hoeveelheid kunnen aanschaffen. Hierop komen wij later nog terug.

Zo beschuldigt Kautsky dus de bolsjewieken, de partij van het proletariaat, dat zij de dictatuur en de zaak van de verwezenlijking van het socialisme in de handen van de kleinburgerlijke boeren heeft gelegd. Prachtig, mijnheer Kautsky! Maar welke verhouding zou dan, volgens uw wijze mening, de partij van het proletariaat tegenover de kleinburgerlijke massa van de boeren moeten aannemen?

Hierover verkiest onze theoreticus liever te zwijgen, ongetwijfeld gedachtig aan het spreekwoord: “Spreken is zilver, en zwijgen is goud”. Maar Kautsky heeft zich door de volgende overweging verraden:

“Aanvankelijk waren de boerensovjets organisaties van alle boeren tezamen. Thans verkondigt zij (de Sovjetrepubliek), dat de Sovjets organisaties zijn van het proletariaat en van de arme boeren. De welgestelde boeren verliezen het kiesrecht voor de Sovjets. De arme boer wordt hier als een duurzaam en massaal product van de socialistische agrarische hervorming onder de “dictatuur van het proletariaat” erkend. (blz. 48).

Welk een moorddadige ironie! Men kan ze in Rusland eveneens uit de mond van alle mogelijke bourgeois vernemen, die allen met leedvermaak vaststellen dat de Sovjetrepubliek openlijk het bestaan van de arme boeren toegeeft. Zij maken het socialisme belachelijk. Dat is hun goed recht. Maar een ‘socialist’, die het lachwekkend vindt dat er bij ons na vier jaren van verwoestende oorlog arme boeren zijn en nog lang zullen blijven, zulk een ‘socialist’ kan alleen ontstaan te midden van een massale verzaking van het socialisme.

Hoort verder:

“Zij (de Sovjetrepubliek) grijpt ongetwijfeld in de verhoudingen tussen rijke en arme boeren in, maar niet door een nieuwe verdeling van de grond. Om gedeeltelijk in de behoefte van de stedelijke bevolking aan graan te voorzien, zendt men afdelingen van gewapende arbeiders naar de dorpen om met geweld bij de rijke boeren hun graanoverschot weg te halen. Een deel van dit graan wordt aan de stedelijke bevolking afgegeven, een ander deel aan de arme boeren” (blz. 48).

Het is te begrijpen dat de socialist, de marxist Kautsky hogelijk verontwaardigt is bij de gedachte dat zulk een maatregel ook zou kunnen worden toegepast buiten de onmiddellijke omgeving van de grootte steden (en bij ons wordt zij over de lengte en breedte van het land toegepast). De socialist en de marxist Kautsky doceert met de onnavolgbare, onvergelijkelijke, bewonderenswaardige koelbloedigheid (of stompzinnigheid) van een filister:

“... Deze (de onteigening van de welgestelde boeren) brengt een nieuw element van onrust en burgeroorlog in het productieproces”... (de burgeroorlog die in het productieproces wordt gebracht, dat zweemt toch wel naar het bovennatuurlijke!) “... dat voor zijn herstel dringend rust en veiligheid nodig heeft.” (blz. 49).

Ja, ja, zulke aanslagen op de rust en de veiligheid van de uitbuiters en de graanspeculanten, die hun overschotten verbergen, de wet op het graanmonopolie als niet bestaande beschouwen en de bevolking van de steden uithongeren, zulke daden moeten natuurlijk onze socialist en marxist Kautsky doen zuchten en wenen. Wij zijn allen socialisten, marxisten en internationalisten, roepen in koor de heren Kautsky, Heinrich Weber (Wenen), Longuet (Parijs), MacDonald (Londen) enz.; wij zijn allen voor de revolutie van de arbeidersklasse, maar ... de rust en de veiligheid van de graanspeculanten mag er niet door worden verstoord! En deze verachtelijke kruiperij voor de kapitalisten bedekken zij met een marxistische verwijzing naar het ‘productieproces’... Als dat marxisme is, hoe moet het gekruip voor de bourgeoisie dan genoemd worden?

Ziet, tot welk resultaat onze theoreticus is geraakt. Hij beschuldigt de bolsjewieken, dat zij de dictatuur van de boerenmassa uitgeven voor de dictatuur van het proletariaat. En terzelfder tijd beschuldigt hij ons, dat wij de burgeroorlog in het dorp brengen (hetgeen wij ons als een verdienste aanrekenen), dat wij naar het dorp afdelingen van gewapende arbeiders zenden, die openlijk verkondigen, dat zij de ‘dictatuur van het proletariaat en van de arme boeren’ verwezenlijken en de laatsten helpen om van de speculanten en rijke boeren de graanoverschotten, die zij in overtreding van de wet op het graanmonopolie verborgen houden, af te nemen. Aan de ene kant belijdt onze marxistische theoreticus de zuivere democratie, de ondergeschiktheid van de revolutionaire klasse, de leidster van de uitgebuite arbeidende massa, aan de meerderheid van de bevolking (niet inbegrip derhalve van de uitbuiters). Aan de andere kant tracht hij, in tegenstelling met ons, aan te tonen dat de revolutie onvermijdelijk een burgerlijk karakter moet dragen, burgerlijk omdat de boeren als massa op de bodem van de burgerlijke maatschappelijke verhoudingen staan. Terzelfdertijd beweert hij dat hij vast en stevig op het proletarische, het klasse- en het marxistische standpunt staat!

In plaats van een ‘economische analyse’ krijgen wij een verwarring zonder voorbeeld! In plaats van marxisme, brokstukken van liberale leerstellingen en betuigingen van slaafse onderdanigheid aan de bourgeoisie en de koelakken.

Het aldus door Kautsky in de war gebrachte vraagstuk is door de bolsjewieken reeds in 1905 volkomen duidelijk gemaakt. Zeker, onze revolutie heeft een burgerlijk karakter, zolang we samen met de gehele massa van de boeren optrekken. Daarvan waren we ons volkomen bewust. Ontelbare malen hebben we dit sedert 1905 herhaald. Wij hebben nooit gepoogd deze noodzakelijke faze van de gang der historie over te springen of door decreten af te straffen. Kautsky doet zijn uiterste best om ons op dit punt te ‘ontmaskeren’, doch bewijst daarmee alleen maar de verwardheid van zijn eigen opvattingen en zijn angst, dat men hem zal herinneren aan wat hij in 1905 schreef, toen hij nog geen renegaat was.

Maar sinds april 1917, lang vóór de Novemberrevolutie, vóórdat wij de macht veroverden, hebben we ronduit aan het volk gezegd en duidelijk gemaakt dat de revolutie thans niet stil kan staan, want het land is vooruitgegaan, het kapitalisme is voorwaarts geschreden, het is tot verwoesting van ongekende afmetingen gekomen, die eisen (of men wil of niet), voorwaarts naar het socialisme te gaan, want het is niet mogelijk op een andere wijze vooruit te komen, het door de oorlog uitgeputte land te redden en het lijden van de werkers en de uitgebuiten te lenigen.

De gebeurtenissen hebben zich dan ook, juist zoals wij hebben gezegd, ontwikkeld. De gang der revolutie heeft de juistheid van onze redenering bevestigd. Eerst met ‘al’ de boeren samen tegen de monarchie, tegen de landheren, tegen de overblijfselen van de middeleeuwen (en in zoverre bleef de revolutie een burgerlijke, een burgerlijk-democratische revolutie). Daarna samen met de arme boeren, samen met de halfproletariërs, samen met alle uitgebuiten tegen het kapitalisme, van de rijken in het dorp, de koelakken en de speculanten daarbij inbegrepen, en in zoverre wordt de revolutie socialistisch. De poging, kunstmatig een Chinese muur tussen de ene en de andere revolutie op te richten, de ene van de andere te scheiden anders dan door de graad van geschooldheid van het proletariaat en de graad van zijn eenheid met de massa van de arme boeren — dat is een weergaloze verminking en vervlakking van het marxisme en zijn vervanging door het liberalisme. Dat zou betekenen dat men door een quasi geleerd verwijzen naar de vooruitstrevendheid van de bourgeoisie met betrekking tot de middeleeuwen, een reactionaire verdediging van de bourgeoisie tegen het socialistische proletariaat levert.

De Sovjets zijn o.a. juist drom een onvergelijkelijk hogere vorm en type van democratie, omdat zij de massa van de arbeiders en boeren aaneensluit en in de politiek betrekt, en zo de instellingen zijn die het dichtst bij het ‘volk’ staan (in de zin waarin Marx in 1871 sprak over een werkelijke volksrevolutie) en de gevoeligste barometer bieden van de ontwikkeling en de groei van de politieke rijpheid en het klassebewustzijn van de massa’s. De Sovjetconstitutie is niet volgens het een of andere ‘plan’ uitgewerkt. Ze is niet het werk van kamergeleerden; ze is aan de arbeidende massa niet door burgerlijke rechtsgeleerden opgedrongen. Neen, die constitutie is opgekomen uit de ontwikkelingsgang van de klassenstrijd, naargelang de klassentegenstellingen rijpten. En juist de feiten, die Kautsky verplicht is te erkennen, bewijzen dit.

In de aanvang verenigden de Sovjets alle boeren in hun geheel. De achterlijkheid en de onwetendheid, met name van de arme boeren, bracht de leiding in handen van de koelakken, van de rijken, van de kapitalisten, van de kleinburgerij, van de kleinburgerlijke intellectuelen. Dat was ‘t tijdperk van de heerschappij van de kleine burgerij, de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen (deze en gene voor socialisten houden, kunnen slechts domkoppen of renegaten van het slag van Kautsky). De kleine burgerij moest noodzakelijk, onvermijdelijk heen en weer slingeren tussen de dictatuur van de bourgeoisie (Kerenski, Kornilov, Savinkov) en de dictatuur van het proletariaat, want de voornaamste eigenschappen van haar economische toestand stellen haar immers buiten de mogelijkheid tot zelfstandig handelen. In het voorbijgaan zij hier nog opgemerkt, dat Kautsky het marxisme volkomen verloochent, wanneer hij zich in zijn ontleding van de Russische revolutie vastklemt aan een juridisch, formeel begrip van de ‘democratie’, die aan de bourgeoisie gelegenheid geeft haar heerschappij aan het oog te onttrekken en de massa’s te bedriegen, en als hij daarbij vergeet dat ‘democratie’ in het wezen van de zaak nu eens dictatuur van de bourgeoisie betekent, dan weer het futloze reformisme van de kleinburgerij die zich aan deze dictatuur onderwerpt, enz.

Bij Kautsky komt het er op neer, dat er in een kapitalistisch land burgerlijke partijen zijn en een proletarische partij (de bolsjewieken), die de meerderheid van het proletariaat met zich meesleept, maar dat er geen kleinburgerlijke partij bestaat. De mensjewieken en de sociaal-revolutionairen zouden in geen enkele klasse verankerd zijn, zouden geen partijen zijn van de kleine burgerij.

De aarzelingen van de kleine burgerij, van de mensjewik en van de sociaal-revolutionairen hebben de massa’s opgevoed en in overweldigende meerderheid — alle ‘onderste lagen’, alle proletariërs en halfproletariërs — van dergelijke ‘leiders’ vervreemd.

De bolsjewieken veroverden in de Sovjets het overwicht (te Petrograd en te Moskou omstreeks oktober 1917), terwijl bij de sociaal-revolutionairen en de mensjewieken de scheuring dieper begon te worden.

De zegepraal van de bolsjewistische revolutie betekende het einde van de aarzelingen, betekende de volledige vernietiging van de monarchie en het landheerlijke grondbezit (dat vóór de Novemberrevolutie nog voortbestond). De burgerlijke revolutie hebben wij tot het eerste punt van haar ontwikkeling doorgezet. We hadden de gezamelijke dorpsmassa achter ons. Haar tegenstelling tot het socialistische proletariaat kon niet dadelijk aan het licht treden. De Sovjets omvatten toen al de boeren in het algemeen; de klassensplitsing in de massa van boeren was nog maar in haar begin en was nog niet zichtbaar geworden.

Dit proces ontwikkelde zich gedurende de zomer en de herfst van 1918. De contrarevolutionaire opstand van de Tsjecho-Slowaken maakte de koelakken wakker. Over de lengte en breedte van Rusland bewoog zich een golf van koelakkenopstanden. Niet uit kranten, maar uit het leven leerden de arme boeren de onverzoenlijkheid van hun belangen met de belangen van de koelakken, van de rijken en van de dorpsbourgeoisie. De ‘linkse’ sociaal-revolutionairen weerspiegelden als iedere kleinburgerlijke partij de wankelmoedigheid van de massa’s, en juist in de zomer van 1918 kwam het onder hen tot een scheuring; een gedeelte maakte gemene zaak met de Tsjecho-Slowaken (opstand te Moskou, waar Prosjan een uur lang! — het telegraafkantoor bezet hield en aan Rusland de val van de bolsjewieken verkondigde; daarna het verraad van Moeravjev, de opperbevelhebber van het leger tegen de Tsjecho-Slowaken enz.) en een ander, bovengenoemd gedeelte schaarde zich naast de bolsjewieken.

De verscherping van de levensmiddelencrisis in de steden stelde steeds scherper de kwestie van het graanmonopolie (wat de criticus Kautsky ‘vergeten’ heeft, als hij in zijn economische ontleding alle oude dingen, die men tien jaar geleden bij Maslov kon lezen, ophaalt).

De oude staat van de landheren en van de bourgeoisie en zelfs de republikeins-democratische staat zonden gewapende afdelingen, die feitelijk ter beschikking van de bourgeoisie stonden, naar de dorpen. Daar weet mijnheer Kautsky niets van! Daarin ziet hij geen ‘dictatuur der bourgeoisie’. De hemel beware ons! Dat is niets dan ‘zuivere democratie’, vooral als een burgerlijk parlement daarop zijn zegen geeft! Dat Avksentjev en S. Maslov, in gezelschap van Kerenski, Tseretelli en andere lieden van de sociaal-revolutionairen en mensjewieken, in de zomer en de herfst van 1917 de leden van de grondcommissies lieten gevangen nemen, daarvan heeft Kautsky ‘nooit horen spreken’, daarover zwijgt hij!

De zaak is eenvoudig, dat de burgerlijke staat die de dictatuur van de bourgeoisie verwezenlijkt door middel van de democratische republiek, tegenover het volk niet kan erkennen, dat hij de bourgeoisie steunt; hij kan de waarheid niet zeggen; hij is gedwongen te huichelen.

Maar de staat van het type van de Commune, de Sovjetstaat, zegt het volk openlijk en ronduit de waarheid. Hij verklaart dat hij de dictatuur van het proletariaat en van de arme boeren belichaamt. Juist door deze openlijke erkenning heeft hij vele tientallen miljoenen nieuwe burgers voor zich gewonnen, die in iedere democratische republiek, welke gij maar wilt, door angst werkeloos blijven en die thans deelnemen aan het publieke leven, aan de democratie, aan de leiding van de Sovjetstaat. De Sovjetrepubliek zendt afdelingen van gewapende arbeiders naar de dorpen, in de eerste plaats de meest vooraanstaande arbeiders van de hoofdsteden. Deze arbeiders propageren het socialisme in de dorpen, trekken de arme boeren naar hun kant, organiseren hen, lichten hen voor en helpen hen het verzet van de bourgeoisie te breken.

Allen die het Russische dorp kennen en op het platteland hebben gewoond, zeggen dat ons dorp eerst nu, in de zomer en de herfst van 1918, zijn ‘Novemberrevolutie’ (d.w.z. de proletarische revolutie) doormaakt. Er vindt daar een ommekeer plaats. De golf van koelakkenopstanden wordt vervangen door een opstandige bedrijvigheid van de arme boeren en door het steeds talrijker worden van hun ‘comités’. In het leger groeit het aantal commissarissen, officieren, divisie- en legercommandanten, die uit de arbeidersklasse zijn voortgekomen. Terwijl Kautsky, bang geworden door de juli-crisis (1918) en het geschreeuw van de bourgeoisie, als een hondje achter haar aantrippelt en een hele brochure schrijft, die gedragen wordt door de overtuiging dat de bolsjewieken elk ogenblik door de boeren ten val kunnen worden gebracht, terwijl hij in de afscheiding van de linkse sociaal-revolutionairen een ‘verengen’ (blz. 37) ziet van de kring van degenen die de bolsjewieken steunen — wordt de werkelijke kring van de aanhangers van het bolsjewisme van reusachtige omvang, want vele tientallen miljoenen arme boeren ontwaken tot zelfstandig politiek leven en bevrijden zich van de voogdij en de invloed van de koelakken en van de dorpsbourgeoisie.

Wij hebben honderden linkse sociaal-revolutionairen, karakterloze intellectuelen en koelakken, verloren; wij hebben miljoenen vertegenwoordigers van de arme boeren gewonnen [12]. Een jaar na de proletarische revolutie in de hoofdsteden begon onder haar invloed en met haar hulp in de meest afgelegen landelijke districten de proletarische revolutie, waar zij voorgoed de Sovjetmacht en het bolsjewisme heeft gevestigd en voorgoed heeft aangetoond dat er binnen de grenzen van het land geen krachten aanwezig zijn, die haar kunnen schokken.

Nadat het proletariaat van Rusland de burgerlijk-democratische revolutie samen met de massa van de boeren had voltooid, ging het voorgoed tot de sociale revolutie over, toen het er in was geslaagd splitsing te brengen in het dorp, de proletariërs en halfproletariërs te winnen en hen tot de strijd tegen de koelakken en de bourgeoisie, de boerenbourgeoisie daarbij inbegrepen, aaneen te sluiten.

Had het bolsjewistische proletariaat van de hoofdsteden en de grootte industrieële centra de arme boeren niet tegen de rijke boeren om zich heen weten te scharen, dan zou hiermee bewezen zijn geweest dat Rusland ‘niet rijp’ was voor de socialistische revolutie, dan zou de massa van de boeren ‘gesloten’, d.w.z. onder de economische politieke en geestelijke leiding van de koelakken, van de rijken en van de bourgeoisie zijn gebleven en dan zou de revolutie niet buiten de perken van de burgerlijk-democratisehe revolutie zijn getreden. (Maar ook daarmee — het zij tussen haakjes gezegd — zou nog niet zijn bewezen dat het proletariaat niet de macht had mogen grijpen, want alleen het proletariaat heeft immers de burgerlijk-democratische revolutie werkelijk tot het einde toe voortgezet; alleen het proletariaat heeft een ernstige poging gedaan om de proletarische wereldrevolutie naderbij te brengen; alleen het proletariaat heeft de Sovjetstaat geschapen: de tweede stap, na de Commune, naar de socialistische staat).

Had, aan de andere kant, het bolsjewistische proletariaat reeds dadelijk in oktober-november van 1917 getracht, — zonder de klassensplitsing in het dorp af te wachten, zonder deze voor te bereiden en door te voeren, de burgeroorlog of de ‘invoering van het socialisme’ op het platteland formeel ‘af te kondigen’, had het getracht zijn doel te bereiken zonder een tijdelijk verbond te sluiten met de massa van de boeren en zonder een reeks van concessies aan de middelste laag van de boeren en dergelijke, dan zou dit een blanquistische vervalsing van het marxisme zijn geweest, een poging van de minderheid om haar wil aan de meerderheid op te dringen. Dan zou dit een theoretische dwaasheid zijn geweest, een niet-begrijpen van het feit dat een algemene boerenrevolutie nog steeds een burgerlijke revolutie is en dat men die in een achterlijk land onmogelijk tot een socialistische kan maken zonder een reeks van opelkaar volgende stappen en overgangen.

Kautsky heeft in het meest belangrijke, theoretische en politieke vraagstuk alles door elkaar gehaald, en in de praktijk zich heel eenvoudig een lakei van de bourgeoisie getoond, die een gehuil aanheft tegen de dictatuur van het proletariaat.

Een dergelijke, zo niet nog grotere verwarring heeft Kautsky gesticht in nog een ander, hoogst belangwekkend en belangrijk vraagstuk, en wel in het volgende: werd de wetgevende werkzaamheid van de Sovjetrepubliek op het gebied van de omvorming van de agrarische verhoudingen — een uiterst moeilijk en tegelijkertijd uiterst belangrijk onderdeel van de socialistische omwenteling — in beginsel goed aangepakt en doeltreffend doorgevoerd? Wij zouden iedere West-Europese marxist uitermate dankbaar zijn, wanneer hij, zij het ook slechts de belangrijkste, documenten zou willen bestuderen en onze politiek critiseren; hij zou ons en tevens de over de gehele wereld naderende wereldrevolutie een buitengewone dienst bewijzen. Maar in plaats van zulk een kritiek te leveren, sticht Kautsky op theoretisch gebied ongelooflijke verwarring, die het marxisme in liberalisme verandert en in het aan de praktijk gewijde gedeelte brengt hij niets dan ongegronde, hatelijke, kleinburgerlijke uitvallen tegen de bolsjewieken. De lezer mag zelf oordelen:

“Het grootgrondbezit werd door de revolutie onhoudbaar. Dit heeft de revolutie gedaan. Dit werd onmiddellijk duidelijk. Het werd onvermijdelijk, het aan de boerenbevolking over te laten...”

(Dit is niet juist, mijnheer Kautsky. U stelt wat voor u ‘duidelijk’ is, in de plaats van de verschillende wijzen waarop verschillende klassen tegenover de kwestie staan. De geschiedenis van de revolutie heeft bewezen dat de coalitieregering van de bourgeoisie op de kleine burgerij nl. van de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen, een politiek van het behoud van het grootgrondbezit volgde. Dit is in het bijzonder bewezen door de wet van S. Maslov en de arrestaties van de leden van de grondcommissies. Zonder de dictatuur van het proletariaat zou de ‘boerenbevolking’ nooit de landheer, de bondgenoot van de kapitalist, hebben overwonnen).

“...Men was het er echter niet over eens, onder welke vormen dit moest plaats hebben. Verschillende oplossingen waren denkbaar...”

(Kautsky is vóór alles bezorgd over de ‘eenheid’ der ‘socialisten’, onverschillig wie op die naam aanspraak maken. Hij vergeet dat de fundamentele klassen van de kapitalistische maatschappij tot verschillende oplossingen moeten komen).

“Van socialistisch standpunt gezien, ware het meest doeltreffende geweest, de grootbedrijven in staatsbezit te doen overgaan en aan de boeren, die tot nu toe als loonarbeiders daarop werkzaam waren geweest, coöperatief in bewerking te geven. Maar deze oplossing veronderstelt een agrarisch proletariaat, zoals het in Rusland niet bestaat. Een andere oplossing zou zijn geweest het grootgrondbezit in staatseigendom te doen overgaan en het in kleine hofsteden te verdelen, die aan de grondarme boeren in pacht zouden kunnen worden gegeven. Op die wijze zou er nog een stukje socialisme zijn verwezenlijkt...”

Kautsky redt zich, als steeds, met zijn beroemt ‘aan de ene kant en aan de andere kant’ uit de moeilijkheid. Hij plaatst verschillende oplosingen op een rij, zonder zich het minst de vraag te stellen, de enige, terzake doende, marxistische: — hoe onder de bijzondere verhoudingen de overgangsetappen van het kapitalisme naar het communisme moeten zijn. In Rusland bestaan landarbeiders maar slechts in gering getal. Kautsky raakt het door de Sovjetregering opgeworpen vraagstuk, langs welke weg men tot communes en productieve associaties op het platteland moet komen, niet eens aan. Het meest wonderlijke is evenwel, dat hij ‘een stukje socialisme’ wil zien in het verpachten van ‘kleine hofsteden’. In werkelijkheid is dit niets dan een kleinburgerlijke leuze en hier is van ‘socialisme’ volstrekt geen sprake. Wanneer de ‘staat’, die de grond verpacht, niet is een staat naar het type van de Commune, maar een burgerlijke parlementaire republiek (zoals Kautsky steeds veronderstelt), dan zou deze verpachting van kleine hofsteden niets anders dan een typisch liberale hervorming zijn.

Dat de Sovjetmacht elke grondeigendom heeft opgeheven, verzwijgt Kautsky. Nog erger. Hij maakt zich schuldig aan een ongelooflijke vervalsing, door decreten van de Sovjetmacht zo te citeren, dat hij het meest wezenlijke weglaat.

Na verklaard te hebben dat het “kleinbedrijf, waar het maar kan, naar het volstrekte persoonlijke eigendomsrecht op de productiemiddelen streeft” , dat de Constituante “het enige gezaghebbende lichaam” was, dat de verdeling had kunnen beletten (een bewering, die in Rusland de mensen zal doen schateren van het lachen, want iedereen weet dat de arbeiders en boeren uitsluitend het gezag van de Sovjets erkennen, terwijl de Constituante de leuze werd van de Tsjecho-Slowaken en de landheren), vervolgt Kautsky:

“Een van de eerste decreten van de Sovjetregering stelde vast:
1. De landheerlijke grondeigendom wordt onmiddellijk zonder schadevergoeding opgeheven.
2. De grootte landgoederen en alle erfelijke grondeigendom, de grond van kloosters en kerken, met al hun levende en dode inventaris, opstallen en alle toebehoren, worden ter beschikking gesteld van de grondcommissies in de kantons (wolost) en van de districtssovjets van boerenafgevaardigden, tot tijd en wijle de Constituante over de kwestie van de grond zal hebben beslist”.

Kautsky haalt alleen deze twee punten aan en sluit met deze gevolgtrekking:

“De verwijzing naar de Constituante is een dode letter gebleven. Feitelijk hebben de boeren van de verschillende districten met de grond kunnen doen wat ze wilden” (blz. 47).

Daar hebt u nu een staaltje van Kautsky’s ‘kritiek’! Daar hebt u nu een ‘wetenschappelijk’ werk, dat wonderlijk op bedrog gelijkt. De Duitse lezer wordt te verstaan gegeven dat de bolsjewieken in zake het persoonlijke eigendomsrecht op de grond voor de boeren hebben gekapituleerd, dat zij de boeren (in de afzonderlijke districten) maar hebben laten doen wat zij wilden!

Feitelijk evenwel, bestaat het door Kautsky geciteerde decreet, het eerste decreet, afgekondigd op 8 november 1917, niet uit twee, maar uit vijf artikelen plus de acht artikelen van de ‘instructie’, waarvan nadrukkelijk wordt gezegd, dat “zij als richtsnoer moet dienen”.

In artikel 3 van het decreet wordt gezegd dat de bedrijven “in handen van het volk” overgaan en dat men verplicht is, “een waarheidsgetrouwe lijst van al de in beslag genomen goederen” op te stellen en een “gestrenge revolutionaire bewaking” in te stellen. En in de instructie wordt gezegd dat het “persoonlijk eigendomsrecht op de grond voor altijd wordt afgeschaft”, dat “de grote eigendommen met een hoog ontwikkelde bedrijfswijze” “niet aan verdeling onderworpen zijn”, dat de “gehele bedrijfsinventaris, levende zowel als dode, van de in beslag genomen landerijen, al naar grootte en betekenis”, zonder enige schadevergoeding, in het uitsluitend genot van de staat of van de gemeente overgaat, en dat “alle grond overgaat naar het grondfonds van het gehele volk”.

Verder: tegelijkertijd met het besluit over de ontbinding van de Constituante (de 18de januari 1918) werd door het Derde Sovjetcongres de Verklaring van de rechten van het werkende en uitgebuite volk aangenomen. Deze verklaring maakt thans deel uit van de grondwet van de Sovjetrepubliek. Welnu, Artikel 11, eerste alinea, van deze verklaring zegt dat de “persoonlijke grondeigendom is afgeschaft”, en dat de “modellandgoederen en landbouwbedrijven tot nationaal bezit worden verklaard”.

De verwijzing naar de Constituante is dus geen dode letter, aangezien een ander, het hele volk vertegenwoordigend lichaam, in de ogen van de boeren van veel groter gezag, zich met de oplossing van het agrarische vraagstuk heeft belast.

Verder: De 19de februari werd de wet omtrent de socialisering van de grond afgekondigd. Deze heeft nog eens de afschaffing van elk persoonlijk eigendomsrecht op de grond bevestigd, heeft de beschikking èn over de grond èn over de gehele landbouwinventaris van de private landgoederen aan de Sovjetautoriteiten opgedragen, onder controle van de federatieve Sovjetmacht, en heeft als doel van het beschikkingsrecht over de grond gesteld:

“De ontwikkeling van het collectieve bedrijf in de landbouw dat, met het oog op de besparing aan arbeid en producten, veel voordeliger is, ten koste van de individuele bedrijven, teneinde de overgang naar het socialistische bedrijf te verzekeren”. (Art. 11e).

Deze wet die het recht op het gebruik van de grond voor allen gelijk stelt, beantwoordt de fundamentele vraag. “Wie heeft het recht op het gebruik van de grond?” aldus:

“Art. 20. Over afzonderlijke percelen van de bodemoppervlakte, binnen de grenzen van de Russische Federatieve Sovjetrepubliek, kunnen voor openbare of private doeleinden beschikken:
A) Voor doeleinden van openbare opvoeding en onderwijs: 1) de staat, vertegenwoordigd door de organen van de Sovjetmacht (federale, gebieds, gouvernements, districts-, kantons- en dorpsbesturen); 2) openbare organisaties (onder controle en met toestemming van de plaatselijke Sovjetbesturen;
B) Voor de doeleinden van het landbouwbedrijf: 3) landbouwcommunes, 4) landbouwcollectieven; 5) dorpsgemeenten; 6) individuele personen of gezinnen ...”

Men ziet, dat Kautsky de zaak geheel en al heeft verdraaid en de Duitse lezer een beslist valse voorstelling van de agrarische politiek en de agrarische wetgeving van de proletarische staat in Rusland heeft gegeven.

Kautsky heeft niet eens de theoretische fundamentele kwesties weten te stellen! Deze kwesties zijn:
1) Gelijk recht voor allen op het gebruik van de grond;
2) Nationalisatie van de grond; in welke verhouding staan beide maatregelen tot het socialisme in het algemeen en tot de overgang van het kapitalisme naar het communisme in het bijzonder?
3) De collectieve bewerking van de grond als overgang van de kleine, verbrokkelde grondbewerking naar het grootte collectieve bedrijf. Voldoet de wijze waarop dit vraagstuk in de Sovjetwetgeving is behandeld, aan de eisen van het socialisme?

Ten aanzien van de eerste vraag moeten vóór alles de twee volgende fundamentele feiten worden vastgesteld: — a) de bolsjewieken hadden reeds, terwijl zij de ervaring van 1905 in aanmerking namen (ik verwijs bv. naar mijn werk over de agrarische kwestie in de eerste Russische revolutie), herhaaldelijk gewezen op de democratisch-vooruitstrevende, democratisch-revolutionaire betekenis van de leuze van het gelijke recht van allen op het gebruik van de grond en in het jaar 1917, vóór de Novemberrevolutie, hebben zij zeer beslist daarover gesproken. — b) Bij het doorvoeren van de wet over de socialisatie van de grond — een wet waarvan de kern door de leus van de gelijkberechtiging ten aanzien van het grondgebruik wordt gevormd — hebben de bolsjewieken met de grootste duidelijkheid en beslistheid verklaard: deze idee is niet van ons afkomstig, wij zijn het met deze leuze niet eens, wij menen evenwel verplicht te zijn ze te verwezenlijken, aangezien de overweldigende meerderheid van de boeren die eis stelt. Immers: de denkbeelden en eisen van de meerderheid van de arbeidende massa moeten door haar zelf warden overwonnen; zulke eisen kan men noch ‘op zij schuiven’, noch ‘overslaan’. Wij, bolsjewieken, zullen de boeren helpen, de kleinburgerlijke leuzen te overwinnen om van deze zo spoedig en zo snel mogelijk over te gaan naar de socialistische.

Een marxistisch theoreticus, die de proletarische revolutie zou willen dienen door een wetenschappelijke analyse te geven, had eerst antwoord moeten geven op de vraag: 1) Is het waar dat de idee van de gelijkberechtiging ten aanzien van het grondgebruik een democratisch-revolutionaire betekenis heeft? Betekent zij het volledig doorzetten, ten einde toe, van de burgerlijk-democratische revolutie? 2) Hebben de bolsjewieken juist gehandeld, toen zij met hun steun de kleinburgerlijke wet over de gelijkberechtiging ten aan zien van het grondgebruik deden aannemen en op de meest loyale wijze ten uitvoer brachten?

Kautsky was zelfs niet in staat de eigenlijke theoretische kern van de kwestie op te merken!

Het ware Kautsky nooit gelukt aan te tonen dat de idee van de gelijkberechtiging bij het grondgebruik een factor is van vooruitstrevende en revolutionaire betekenis in de burgerlijk-democratische revolutie. Verder kan deze omwenteling niet gaan. Als zij tot het einde wordt doorgevoerd, zal zij des te duidelijker, des te sneller, des te gemakkelijker voor de massa’s de ontoereikendheid van de burgerlijk-democratische oplossing openbaren en het bewijs leveren van de noodzakelijkheid, verder te gaan en over te gaan tot het socialisme.

De boer, die het tsarisme en de landheren ten val heeft gebracht, droomt van het gelijke recht voor allen op de grond, en geen macht ter wereld zou de boeren, die zich zowel van de landheer als van de burgerlijk-parlementaire republikeinse staat hebben bevrijd, er van af kunnen brengen. De proletariërs zeggen tot de boeren: wij zullen u helpen, tot een ‘ideaal’ kapitalisme te geraken, want gelijk recht voor allen op het grondgebruik is, gezien van het standpunt van de kleine producent, het kapitalisme in zijn meest ideëele vorm. Maar terzelfdertijd willen we u de ontoereikendheid van deze maatregel aantonen en de noodzakelijkheid bewijzen tot de collectieve bewerking van de grond over te gaan.

Het zou wel belangwekkend zijn geweest te horen hoe Kautsky de juistheid van zulk een leiding van de strijd van de boeren door het proletariaat gepoogd zou hebben te weerleggen.

Maar Kautsky heeft er de voorkeur aan gegeven de vraag te ontwijken.

Verder heeft Kautsky de Duitse lezers direct bedrogen door voor hen te verzwijgen dat de Sovjetmacht in de wet op het grondgebruik rechtstreeks de voorkeur geeft aan de Communes en de productieve associaties en ze op de eerste plaats zet.

Samen met de massa van de boeren tot het einde van de burgerlijk-democratische revolutie samen met de armste, de proletarische en halfproletarische elementen van de boerenmassa naar de socialistische revolutie! Dit was de politiek van de bolsjewieken, dat is de enige marxistische politiek.

Maar Kautsky raakt in verwarring en is niet in staat, ook maar één enkel vraagstuk te formuleren. Aan de ene kant mag hij niet zeggen dat de proletariërs ten aanzien van het vraagstuk van de verdeling van de grond op voet van gelijkheid zich van de boeren hadden moeten afscheiden, want hij voelt de dwaasheid van zulk een breuk. (Hij heeft immers in 1905, toen hij nog geen renegaat was, klaar en duidelijk het bondgenootschap van de arbeiders en de boeren verdedigd, als voorwaarde voor de overwinning van de revolutie). Aan de andere kant citeert hij met welbehagen de liberale praatjes van de mensjewiek Maslov, die het utopische en reactionaire karakter van de kleinburgerlijke gelijkheid vanuit een socialistisch oogpunt ‘aantoont’ en gaat hij de vooruitstrevende en revolutionaire betekenis van de strijd van de kleine burgerij voor de gelijkheid, voor de gelijkberechtiging op het grondgebruik vanuit het standpunt van de burgerlijk-democratische revolutie met stilzwijgen voorbij.

Bij Kautsky wordt het een verwarring zonder weerga. Bedenkt dat Kautsky in 1913 vasthoudt aan het burgerlijke karakter van de Russische revolutie. Kautsky eist in 1918 dat men zich binnen het kader van die revolutie moet houden. En dezelfde Kautsky ontwaart nog ‘een stukje socialisme’ (voor de burgerlijke revolutie) in de kleinburgerlijke hervorming, die bestaat in het verpachten van kleine hofsteden aan de arme boeren (d.w.z. het benaderen van de gelijkberechtiging op het grondgebruik)!!

Begrijpe het, wie het kan!

Bovendien openbaart Kautsky nog de filisterachtige onmacht, rekening te houden met de daadwerkelijke politiek van een bepaalde partij. Hij citeert frases van de mensjewiek Maslov zonder zich te willen bezig houden met de praktische politiek van de partij van de mensjewieken, die in 1917, tijdens de ‘coalitie’ met de landheren en de kadetten, feitelijk een liberale agrarische hervorming en een compromis met de landheren voorstond. (Het bewijs vindt men in arrestaties van de leden van de grondcommissies en het wetsontwerp van S. Maslov).

Kautsky heeft niet bemerkt dat de frases van P. Maslov over het reactionaire en utopische karakter van de kleinburgerlijke gelijkheid, in de grond van de zaak alleen dienen om de mensjewistische politiek van het compromis tussen boeren en landheren, in plaats van het revolutionaire onteigenen van de landheren door de boeren, verborgen te houden.

Toch wel een fraaie marxist, die Kautsky!

Juist de bolsjewieken maakten een scherp onderscheid tussen de burgerlijk-democratische en de socialistische revolutie; terwijl zij de eerste tot het eind toe doorzetten, openden zij de weg voor de overgang naar de andere. Dat was de revolutionaire, de enig marxistische politiek.

Tevergeefs herhaalt Kautsky de aftandse liberale geestigheid:

“Nergens en nooit zijn kleine boeren onder de invloed van theoretische overtuiging tot de collectieve productie overgegaan” (blz. 50).

Dat is bijzonder geestig!

Nergens en nooit stonden de kleine boeren van een groot land onder de invloed van een proletarische staat.

Nergens en nooit zijn de kleine boeren zover gekomen dat de openlijke klassenstrijd van de arme boeren tegen de rijke geleid heeft tot de burgeroorlog tussen beiden bij een gelijktijdige propagandistische, politieke, economische en militaire ondersteuning van de kant van de proletarische staatsmacht.

Nergens en nooit is er zulk een verrijking van de speculanten en oorlogswinstjagers, bij zulk een gelijktijdige verarming van de boerenmassa’s geweest.

Kautsky herhaalt en herkauwt tot vervelens toe de oude wijsheden van de liberalen en mist de moed ook maar te denken over de nieuwe taak van de proletarische dictatuur.

Maar, geachte heer Kautsky, wanneer de boeren geen voldoende gereedschap hebben voor het kleinbedrijf en de proletarische staat helpt hen zich machines aan te schaffen voor de collectieve bewerking van de grond, zou dit soms ‘theoretische overtuiging’ zijn?

Laten we overgaan tot de kwestie van het nationaliseren van de grond. Onze narodniki, met inbegrip van alle linkse sociaal-revolutionairen, betwisten dat de bij ons ingevoerde maatregel de grond nationaliseert. Theoretisch hebben zij ongelijk. In zoverre wij nog binnen het kader van de warenproductie en het kapitalisme blijven, betekent opheffing van de persoonlijke grondeigendom nationalisatie van de grond. Het woord ‘socialisatie’ drukt slechts een strekking uit, een begeerte, de voorbereiding van de overgang naar het socialisme.

Welke houding moeten nu marxisten ten aanzien van de nationalisatie van de grond aannemen?

Ook hier weer is Kautsky niet in staat de vraag ook maar theoretisch te stellen, of hij ontwijkt ze opzettelijk, wat nog erger is, ofschoon uit de Russische literatuur blijkt dat Kautsky over de gedurende vele jaren gevoerde polemiek van de Russische marxisten op het punt van het nationaliseren, het municipaliseren van de grond (het brengen van de grootte landgoederen onder de controle van de lichamen van plaatselijk zelfbestuur) en van de verdeling van de grond op de hoogte is.

Kautsky drijft de spot met het marxisme, wanneer hij beweert dat door het overgeven van de grootte landgoederen aan de staat en het verpachten van ‘kleine hofsteden’ aan de landarme boeren ‘een stukje socialisme’ tot werkelijkheid zou zijn gemaakt. Zoals we reeds hebben gezegd, kan hier van socialisme geen sprake zijn. We moeten hier nog aan toevoegen: hier kan ook geen sprake zijn van het volledig, tot het einde toe doorzetten van de burgerlijk-democratische revolutie.

Kautsky viel het grote ongeluk ten deel dat hij zich op de mensjewieken verliet. En zo gebeurde het vreemde feit dat Kautsky die het burgerlijke karakter van onze revolutie verdedigt en de bolsjewieken beschuldigt, dat zij het in hun hoofd hebben gehaald het socialisme te verwezenlijken, zelf een liberale hervorming voor socialisme uitgeeft, zonder deze hervorming door te zetten tot de volledige opruiming van al wat er uit de middeleeuwen in de eigendomsverhoudingen in de landbouw is overgebleven. Kautsky heeft zich, evenals zijn mensjewistische raadgevers, als een verdediger van de liberale bourgeoisie getoond, die de revolutie vreest, en niet als een verdediger van de consequent burgerlijk-democratische revolutie.

Inderdaad: waarom zou alleen het grootgrondbezit en niet alle grond staatseigendom moeten worden? De liberale bourgeoisie waarborgt zich daardoor de gelegenheid, zoveel mogelijk van het oude in stand te houden (dus geen stap verder te gaan in de revolutie dan onvermijdelijk is) en zo gemakkelijk mogelijk naar het oude terug te keren. De radicale bourgeoisie, nl. het deel van de bourgeoisie dat de burgerlijke revolutie tot het eind toe wil doorzetten, heft de leuze van de nationalisatie van de grond aan.

Kautsky, die in lang vervlogen dagen, bijna twintig jaar geleden, een prachtig marxistisch boek over de agrarische kwestie schreef, moet in dit opzicht toch welbekend zijn met de opmerkingen van Marx, dat de nationalisatie van de grond juist een consequente leuze van de bourgeoisie is.

Kautsky moet op de hoogte zijn van de polemiek, die Marx voerde met Rodbertus en met de bewonderenswaardige uiteenzettingen van Marx in zijn Theorieën over de meerwaarde, waarin hij met grote duidelijkheid ook de revolutionaire betekenis van de nationalisatie van de grond, gezien van burgerlijk-democratisch standpunt, aantoonde.

De mensjewiek P. Maslov, die Kautsky zich zo onfortuinlijk als raadsman heeft gekozen, betwistte dat de Russische boeren genoegen zouden nemen met de nationalisatie van alle (dus ook hun eigen) grond. Tot op zekere hoogte kon deze opvatting van Maslov in verband staan met zijn ‘oorspronkelijke’ theorie (die een napraten van de burgerlijke Marx-critici is), nl. met het bestrijden van de absolute grondrente en van het erkennen van de ‘wet’ (of het ‘feit’, zoals Maslov zich uitdrukte) van de ‘dalende opbrengst van de grond’.

In werkelijkheid trad al in de revolutie van 1905 aan het licht dat de overweldigende meerderheid van de Russische boeren, zowel zij die aandeel hadden in de dorpsgrond, als zij die eigen grond bewerkten, de nationalisatie van de ganse grond begeerden. De revolutie van 1917 heeft deze eis bevestigd en na de verovering van de macht door het proletariaat ook verwezenlijkt. De bolsjewieken zijn het marxisme trouw gebleven. Zij poogden niet de burgerlijk-democratische revolutie ‘over te slaan’ (trots Kautsky, die ons zonder schaduw van een bewijs daarvan beschuldigt). De bolsjewieken hebben voor alles de meest radicale, meest revolutionaire, het dichtst bij het proletariaat staande burgerlijk-democratische ideologen van de boeren, met name de linkse sociaal-revolutionairen geholpen om datgene door te voeren wat feitelijk de nationalisatie van de grond was. De privaateigendom van de grond is in Rusland sinds de eerste dag van de proletarische, socialistische revolutie afgeschaft.

Hierdoor werd voor de ontwikkeling van het kapitalisme de meest volmaakte grondslag gelegd (wat Kautsky niet kan betwisten, zonder met Marx te breken), en terzelfdertijd het meest soepele agrarische stelsel voor de overgang naar het socialisme geschapen. Van burgerlijk-democratisch standpunt gezien, konden de revolutionaire boeren in Rusland niet verder gaan: van dit standpunt bezien is er werkelijk niets ‘idealer’, niets ‘radicalers’ te denken dan de nationalisatie van de grond en de gelijkberechtiging van allen op het gebruik daarvan. Juist de bolsjewieken en zij alléén hebben, dank zij de overwinning van de proletarische revolutie, de boeren geholpen om de burgerlijk-democratische revolutie daadwerkelijk tot het einde toe door te zetten. En daardoor alléén deden zij het uiterste van wat mogelijk was, om de overgang tot de socialistische revolutie te vergemakkelijken en te verhaasten.

Men kan hieruit beoordelen welk een ongelooflijke warwinkel Kautsky de lezer aanbiedt met de beschuldiging aan het adres van de bolsjewieken, dat zij het burgerlijk karakter van de revolutie niet zouden hebben begrepen, terwijl hij zelf zo zeer van het marxisme afwijkt, dat hij zelfs zwijgt over de nationalisatie van de grond en een (van het standpunt der bourgeoisie) allerminst revolutionaire agrarische hervorming voorstelt als ‘een stukje socialisme’.

Wij zijn hier bij de derde van de boven gestelde kwesties gekomen, n1. bij de kwestie, in hoeverre de proletarische dictatuur in Rusland rekening heeft gehouden met de noodzakelijkheid om over te gaan tot de collectieve bewerking van de grond. Ook hier maakt Kautsky zich weer schuldig aan een daad, die al heel sterk op bedrog gelijkt: hij citeert nl. alleen de stellingen van een bolsjewiek, die handelen over de taak van de overgang naar de collectieve bewerking van de grond! Na één van die stellingen aangehaald te hebben, roept onze ‘theoreticus’ zegevierend uit:

“Met het noodzakelijk verklaren van een taak is ze, jammer genoeg, nog niet vervuld. In Rusland is het collectieve landbouwbedrijf voorlopig nog veroordeeld om op papier te blijven. Nog nergens en nooit zijn de kleine boeren onder de invloed van theoretische overtuigingen tot de collectieve productie overgegaan” (blz. 50).

Nergens en nooit nog was er zulk een literair gegoochel, als waartoe Kautsky afdaalt. Hij citeert ‘stellingen’, terwijl hij de wet van de Sovjetmacht verzwijgt. Hij spreekt over ‘theoretische overtuiging’, maar hij zwijgt over de proletarische staatsmacht, die èn de fabrieken èn de waren in handen heeft! Al wat de marxist Kautsky in het jaar 1899 in zijn Agrarische kwestie schreef over de middelen, waarover de proletarische staat beschikt om de kleine boeren geleidelijk naar het socialisme te voeren, heeft de renegaat Kautsky in 1918 vergeten.

Natuurlijk zijn enige honderden door de staat ondersteunde landbouwcommunes en sovjetbedrijven (d.w.z. door arbeidersproductieverenigingen op staatskosten bewerkte grootbedrijven) nog maar zeer weinig. Maar kan men het ‘kritiek’ noemen, als Kautsky dit feit stilzwijgend voorbijgaat?

De nationalisatie van de grond, in Rusland door de proletarische dictatuur tot werkelijkheid gemaakt, is een maatregel die voor het volledig doorzetten van de burgerlijk-democratische revolutie tot het einde de beste mogelijkheid heeft geschapen, zelfs voor het geval dat een overwinning van de contrarevolutie ons weer van de nationalisatie naar de eenvoudige verdeling zou terug brengen. (Ik heb dit geval afzonderlijk in het boekje over het agrarische program van de marxisten in de revolutie van 1905 uiteen gezet). Maar bovendien verschafte juist de nationalisatie van de grond de grootst mogelijke gelegenheid aan de proletarische staat om op het gebied van de landbouw tot het socialisme over te gaan.

Alles bijeen genomen, toont Kautsky’s boek ons een model van warhoofderij en een volslagen verloochening van het marxisme en praktisch, het werk van een lakei van de bourgeoisie en van het reformisme. Men moet zeggen: een fraaie kritiek!

* * *

De ‘economische analyse’ van de industrie leidt Kautsky in met de volgende prachtige beschouwing: In Rusland bestaat een kapitalistische grootindustrie. Zou het niet mogelijk zijn op deze grondslag een socialistische productie te organiseren?

“Men zou dit kunnen menen, indien het socialisme hierin bestond dat de arbeiders zich afzonderlijke fabrieken en mijnen toeëigenen om elk daarvan afzonderlijk in bedrijf te nemen” (blz. 52). “Juist op het ogenblik, waarop ik dit schrijf”, voegt Kautsky hieraan toe, “worden wij uit Moskou in kennis gesteld van een rede, door Lenin op 2 augustus uitgesproken, waarin hij gezegd zou hebben: “De arbeiders houden de fabrieken stevig in hun handen en de boeren zullen de grond niet aan de grote landheren teruggeven”. De leuze: “de fabriek aan de arbeiders, de grond aan de boeren”, was tot op deze dagen niet een sociaaldemocratische maar een anarchosyndicalistische leuze”. (blz. 52-53).

Wij hebben deze plaats van het begin tot het einde hier geciteerd, opdat de Russische arbeiders, die voorheen en terecht, grote achting koesterden voor Kautsky, zelf kennis kunnen nemen van de methoden die deze overloper naar de bourgeoisie, aanwendt.

Men denke slechts: Op de 5de augustus, toen er een groot aantal besluiten over de nationalisatie van de fabrieken in Rusland was verschenen en de arbeiders zich geen enkele fabriek hebben ‘toegeëigend’ (want alle werden integendeel eigendom van de republiek), op de 5de augustus vertelt Kautsky, op grond van een blijkbaar bedrieglijke uitlegging van een zin uit mijn toespraken, aan zijn Duitse lezers, dat in Rusland de fabrieken aan afzonderlijke groepen van arbeiders zouden zijn overgegeven! En daarna herhaalt hij tot vervelens toe, in vele tientalle regels, dat de fabrieken niet aan afzonderlijke groepen van arbeiders gegeven mogen worden! Dat is geen kritiek, maar de methode van een lakei van de bourgeoisie, door de kapitalisten gehuurd om de proletarische revolutie te belasteren.

De fabrieken moet men aan de staat overdragen, of aan de gemeenten of aan verbruikscoöperaties, herhaalt Kautsky nog eens, en voegt er ten slotte aan toe:

“Deze weg heeft men nu ook in Rusland trachten in te slaan...”

Nu?? Wat kan dat betekenen? In augustus? Had Kautsky dan niet bij Stein, Axelrod of andere vrienden van de Russische bourgeoisie een vertaling kunnen vragen van, al was het maar één decreet aangaande de fabrieken?

“... Hoever men daarmee gaat is nog niet te overzien. Deze kant van de Sovjetrepubliek is in ieder geval voor ons van het uiterste belang, maar zij blijft nog geheel en al in het duister. Aan decreten is er wel geen gebrek” (daarom wil Kautsky niet weten, wat er in staat, of houdt hij dit voor zijn lezers verborgen), maar het ontbreekt ons aan betrouwbare inlichtingen over de uitwerking van deze decreten. Een socialistische productie is onmogelijk zonder een volledige, tot in onderdelen afdalende, betrouwbare en snel verschijnende statistiek. Deze heeft de Sovjetrepubliek tot heden nog niet kunnen inrichten. Hetgeen we over haar economische bedrijvigheid vernemen, is vol tegenstrijdigheden en onmogelijk te controleren. Ook dit is een van de uitwerkingen van de dictatuur en de onderdrukking van de democratie. Daar de vrijheid van drukpers en de vrijheid van het woord ontbreekt... .” (blz. 53).

Zo schrijft men nu geschiedenis! Kautsky zou uit de ‘vrije pers’ van de kapitalisten en van de Doetov’s inlichtingen willen hebben over de aan de arbeiders overgaande fabrieken... Werkelijk prachtig is toch zulk een ‘boven de klassen’ zwevende ‘ernstige geleerde’! Kautsky wil niets weten van de oneindige hoeveelheid van feiten die getuigen dat de fabrieken uitsluitend aan de republiek zijn overgedragen en dat ze worden beheerd door de Opperste Raad voor de Volkshuishouding, een voornamelijk uit vertegenwoordigers der vakorganisaties gevormd orgaan van de Sovjetmacht. Niet één van deze feiten wenst Kautsky ook maar aan te roeren. Hardnekkig als ‘de man in het foudraal’, herhaalt hij uit den treure: geef mij vreedzame democratie, zonder burgeroorlog, zonder dictatuur, met een goede statistiek. (De Sovjetrepubliek heeft een Bureau van Statistiek gesticht met de meest deskundige statistische krachten van Rusland als medewerkers, maar het spreekt vanzelf dat we niet zo spoedig een ideale statistiek zullen bereiken.) In één woord: wat Kautsky wenst is: een revolutie zonder revolutie, zonder verwoede strijd, zonder geweld. Men kan even goed een staking eisen zonder stormachtige uitbarstingen van arbeiders en ondernemers. Is er nog een zweem van onderscheid tussen zulk een ‘socialist’ en de een of andere liberale ambtenaar?

Op grond van zulk ‘feitenmateriaal’, d.w.z. met opzettelijke, volstrekte verwaarlozing van talrijke feiten, komt Kautsky tot de gevolgtrekking:

“Het is te betwijfelen of het Russische proletariaat aan werkelijk praktische veroveringen en niet aan decreten, in de Sovjetrepubliek meer heeft verkregen dan het zou gekregen hebben van de Constituante, waarin juist als in de Sovjets, het overwicht berustte bij socialisten, al waren zij dan ook van een andere kleur”. (blz. 58).

Een juweeltje niet waar? Wij raden de vereerders van Kautsky aan deze uitspraak zo ruim mogelijk onder de Russische arbeiders te verspreiden, want beter materiaal ter karakterisering van zijn politieke val had Kautsky niet kunnen geven. Ook Kerenski was ‘socialist’, — arbeiders! — kameraden! al was ‘t dan ook ‘van een andere kleur’! De historicus Kautsky nam genoegen met de benaming, de omschrijving, die de rechtsche sociaal-revolutionairen en de mensjewieken zich hebben ‘aangeschaft’. Wat de feiten betreft, die bewijzen dat de mensjewieken en de rechtse sociaal-revolutionairen onder Kerenski de imperialistische roverspolitiek van de bourgeoisie ondersteunden, daarover wenst de theoreticus Kautsky niets te horen. En over het feit dat de Constituante juist aan deze helden van de imperialistische oorlog en van de burgerlijke dictatuur de meerderheid zou hebben bezorgd, daarover zwijgt hij bescheiden. En dat heet ‘economische analyse’! ...

Tenslotte nog een staaltje van deze ‘economische analyse’:

“... De Sovjetrepubliek heeft, zoals wij in werkelijkheid zien, na negen maanden te hebben bestaan, noodgedwongen moeten uiteenzetten van waar de algemene ellende komt, in plaats van algemene welvaart te brengen”. (blz. 41).

De kadetten hebben ons aan dergelijke beschouwingen gewend gemaakt. Zo oordelen alle knechten van de bourgeoisie in Rusland: geeft ons, zeggen zij, algemene welvaart in negen maanden tijd, na vier jaar van verwoestende oorlog, terwijl het buitenlandse kapitaal op alle mogelijke wijze de sabotage en de opstanden van de bourgeoisie in Rusland heeft gesteund. Er is in het wezen van de zaak niet het minste verschil meer tussen Kautsky en een contrarevolutionaire bourgeois. Zijn honingzoete, op ‘socialisme’ toegespitste praatjes herhalen hetzelfde, wat de Kornilov’s, de Doetov’s, de Krasnov’s in Rusland, ruw, rechtstreeks, onomwonden, zeggen.

* * *

Bovenstaande regels werden de 9de november 1918 geschreven. En in de nacht van de 9de op de 10de bereiken ons uit Duitsland de berichten aangaande het begin van de overwinnende revolutie, eerst uit Kiel en andere, in het Noorden aan de zee gelegen plaatsen, waar de macht in handen van de Raden van Arbeiders- en soldatenafgevaardigden is overgegaan en daarna ook uit Berlijn, waar die Raden zich eveneens van de macht hebben meester gemaakt.

Het slotwoord, dat ik nog aan de brochure over Kautsky en de proletarische revolutie had moeten toevoegen, wordt mij hierdoor bespaard.

23 [10] november, 1918.

Aanhangsel - Stellingen over de constituante.

1. De eis, de Constituante bijeen te roepen, stond volkomen terecht op het program van de revolutionaire sociaaldemocratie, daar in de burgerlijke republiek de Constituante de hoogste vorm van democratie is, en omdat de imperialistische republiek, met Kerenski aan het hoofd, bij het tot stand brengen van het parlement [13] door een reeks van schendingen van de democratie een vervalsing van de verkiezingen voorbereidde.

2. Bij het stellen van de eis van het bijeenroepen der Constituante heeft de revolutionaire sociaaldemocratie direct bij het begin van de revolutie van 1917 er herhaaldelijk de nadruk op gelegd dat de Sovjetrepubliek een hogere vorm van democratie is, dan de gewone burgerlijke republiek met een Constituante.

3. Voor de overgang van de burgerlijke naar de socialistische orde, voor de dictatuur van het proletariaat, vormt de Republiek der Sovjets van Arbeiders-, Soldaten- en Boeren-gedeputeerden niet alleen een hoger type van democratische instellingen (in vergelijking met de gewone burgerlijke republiek, met een constituante als bekroning), maar ook de enige vorm, die een zo pijnloos mogelijke overgang naar het socialisme kan verzekeren.

4. Het bijeen roepen van de Constituante in onze revolutie op de grondslag van lijsten, die midden oktober 1917 zijn ingediend, heeft plaats onder verhoudingen die de mogelijkheid van een juiste uitdrukking van de wil van het volk in het algemeen en van de arbeidersmassa’s in het bijzonder, door middel van de verkiezingen voor deze Constituante uitsluiten.

5. In de eerste plaats brengt het stelsel van evenredig kiesrecht slechts dan de werkelijke wil van het volk tot uitdrukking, wanneer de verkiezingslijsten van de partijen inderdaad beantwoorden aan de verdeling van het volk in die partijgroeperingen, die door deze lijsten worden weerspiegeld. Bij ons heeft echter, zoals bekend is, de partij, die van mei tot oktober 1917 het grootste aantal aanhangers onder het volk, en in het bijzonder onder de boeren had, de partij van de sociaal-revolutionairen, in het midden van oktober 1917 eenheidskandidatenlijsten voor de Constituante ingediend, terwijl er in die partij na de verkiezingen voor de Constituante en nog vóórdat deze werd bijeengeroepen, een scheuring heeft plaats gevonden. Dientengevolge bestaat er niet eens formele overeenstemming tussen de wil van de massa van de kiezers en de samenstelling van de gekozen afgevaardigden, en kan deze ook niet bestaan.

6. In de tweede plaats bestaat er nog een belangrijker, niet formele, niet juridische, maar sociaaleconomische, op de klassen gegronde oorzaak van de wanverhouding tussen de wil van het volk en in het bijzonder van die van de arbeidende massa, en de samenstelling van de Constituante, nl. de omstandigheid dat de verkiezingen van de Constituante plaats hadden, toen de overwegende meerderheid van het volk nog niet in staat was de ganse omvang en de betekenis te begrijpen van de november- [oktober-] revolutie, die Sovjetrevolutie, de revolutie van de proletariërs en boeren, die op 7 november [25 oktober], dus na het indienen van de kandidatenlijsten vóór de Constituante, was begonnen.

7. De november- [oktober-] revolutie, die de macht voor de Sovjets veroverde, de politieke heerschappij uit de handen van de bourgeoisie rukte en ze overgaf in de handen van het proletariaat en van de armste boeren, doorloopt voor onze ogen de noodzakelijke etappes van haar ontwikkeling.

8. Zij begon met de overwinning van 6-7 november [24-25 oktober] in de hoofdstad, toen het tweede Al-Russische Congres der Sovjets van Arbeiders- en Soldatengedeputeerden, deze voorhoede van het proletariaat en van het politiek meest actieve deel van de massa der boeren, de overwegende meerderheid aan de partij van de bolsjewieken bracht, en haar de macht in handen gaf.

9. De revolutie omvatte daarna in de loop van november en december de ganse massa van het leger en van de boeren en kwam vóór alles tot uitdrukking in het afzetten van — en de nieuwe verkiezingen voor de oude leidende organisaties (legercomités, gouvernements- en boerencomités, Centraal Uitvoerend Comité van de Al-Russische Raad van Boerengedeputeerden enz.), die de overleefde, naar compromissen strevende etappe van de revolutie weergaven, haar burgerlijke en niet haar proletarische etappe weerspiegelden en die daarom noodzakelijkerwijs onder de druk van breder en talrijker volksmassa’s van het toneel moesten verdwijnen.

10. Deze machtige beweging van de uitgebuite massa’s ter omvorming van de leidende organen van haar organisaties is ook nu nog (midden-december 1917) niet beëindigd en het nog voortdurende congres van de spoorwegarbeiders is een van de etappes van deze beweging.

11. De groepering van de klasse-krachten in Rusland in hun klassenstrijd krijgt dus in werkelijkheid principiëel in november en december 1917 een andere vorm dan die welke haar uitdrukking kon vinden op de kandidatenlijsten van de partijen voor de Constituante van midden oktober 1917.

12. De laatste gebeurtenissen in de Oekraïne (gedeeltelijk ook in Finland, in Wit-Rusland en in de Kaukasus) wijzen er eveneens op dat er zich een nieuwe groepering van de klassekrachten ontwikkelt, zoals blijkt uit het verloop van de strijd tussen het burgerlijke nationalisme van de Oekraïnse Rada, de Finse Sejm enz., enerzijds en de Sovjetmacht, de revolutie der proletariërs en boeren in elk van deze nationale republieken, anderzijds.

13. Ten slotte is de burgeroorlog tegen de Arbeiders- en Boerenregering begonnen met de contrarevolutionaire opstand van de kadetten en van Kaledin tegen de Sovjetmacht, die de klassenstrijd voorgoed verscherpt en iedere mogelijkheid heeft opgeheven om langs formeel-democratische weg de brandendste kwesties, die de geschiedenis voor de volken van Rusland en in de eerste plaats voor de arbeidersklasse en de boeren heeft gesteld, op te lossen.

14. Alleen de volledige overwinning van de arbeiders en boeren op de opstand van de bourgeoisie en van de landheren (die zijn uitdrukking in de beweging van de kadetten- en van de Kaledin-volgers heeft gevonden), alleen de meedogenloze militaire onderdrukking van deze opstand van de slavenhouders, is in staat de revolutie van de proletariërs en boeren werkelijk te verzekeren. De gang der gebeurtenissen en de ontwikkeling van de klassenstrijd in de revolutie hebben er toe geleid dat de leuze ‘Alle macht aan de Constituante’, die geen rekening hield met de veroveringen van de arbeiders- en boerenrevolutie, die geen rekening hield met de Sovjetmacht, en met het besluit van het tweede Al-Russische Congres der Sovjets van Arbeiders- en Soldatengedeputeerden, van het tweede Al-Russische Congres van Boerengedeputeerden enz., in werkelijkheid een leuze van de kadetten en van de Kaledin-volgelingen en hun handlangers is geworden. Het wordt aan heel het volk duidelijk, dat deze leuze feitelijk de strijd betekent ter vernietiging van de Sovjetmacht en dat de Constituante onvermijdelijk tot de politieke dood zou zijn veroordeeld, wanneer zij in botsing met de Sovjetmacht zou geraken.

15. Tot de bijzonder brandende levenskwesties van het volk behoort de kwestie van de vrede. Een werkelijk revolutionaire strijd om de vrede is in Rusland eerst na de overwinning van de revolutie van de 7de november (25 oktober) begonnen en de eerste vruchten van deze overwinning waren: de publicatie van de geheime verdragen, het sluiten van de wapenstilstand en het openen van de openbare onderhandelingen over een algemene vrede zonder annexaties en schadeloosstellingen.

De brede volksmassa’s krijgen nu eerst, inderdaad openlijk en ten volle, de mogelijkheid om kennis te nemen van de politiek van de revolutionaire strijd voor de vrede en de resultaten daarvan te leren kennen.

Gedurende de verkiezingen voor de Constituante waren de volksmassa’s van deze mogelijkheid verstoken.

Het is duidelijk dat het ook in dit opzicht niet te vermijden is; dat de samenstelling van de groeperingen van de afgevaardigden voor de Constituante niet beantwoordt aan de werkelijke volkswil in zake het beëindigen van de oorlog.

16. Het geheel van de bovenaangehaalde omstandigheden heeft tot resultaat, dat de Constituante, die op de grondslag van kandidatenlijsten van de partijen, die nog vóór de revolutie van de proletariërs en de boeren toen de bourgeoisie nog de heerschappij voerde, bestonden, wordt bijeengeroepen, onvermijdelijk in conflict zal komen met de wil en de belangen van de werkers en de uitgebuite klassen, die op de 7de november (25 oktober) de socialistische revolutie tegen de bourgeoisie hebben aangevangen. Het spreekt vanzelf dat de belangen van deze revolutie hoger staan dan de formele rechten van de Constituante, zelfs wanneer deze formele rechten niet waren ondermijnd door het feit dat in de wet over de Constituante het recht van het volk op nieuwe verkiezingen van zijn afgevaardigden op ieder gewenst tijdstip ontbreekt.

17. Iedere directe of indirecte poging om de kwestie van de Constituante vanuit een formeel, juridisch standpunt, binnen het kader van de gewone burgerlijke democratie te beschouwen, zonder rekening te houden met de klassenstrijd en de burgeroorlog, is verraad van de zaak van het proletariaat en een overlopen naar het standpunt van de bourgeoisie. De revolutionaire sociaaldemocratie is onvoorwaardelijk verplicht allen te waarschuwen voor de fout, begaan door een paar personen uit de leiding van het bolsjewisme, die de november (oktober) opstand en de taak van de dictatuur van het proletariaat niet op hun juiste waarde wisten te schatten.

18. De enige kans op een pijnloze oplossing van de crisis, ontstaan door het niet overeenstemmen van de verkiezingen voor de Constituante met de wil van het volk en evenmin met de belangen van de werkers en de uitgebuite klassen, is een zo breed en snel mogelijke verwezenlijking van het recht op nieuwe verkiezingen van de afgevaardigden naar de Constituante door het volk, het zich aansluiten van de Constituante zelf bij de wet van het centraal Uitvoerend Comité over deze nieuwe verkiezingen, en de onvoorwaardelijke verklaring van de Constituante over het erkennen van de Sovjetmacht, van de Sovjetrevolutie, van haar politiek in zake de vrede, de grond en de arbeiderscontrole, zowel als de besliste aansluiting van de Constituante bij de tegenstanders van de contrarevolutie van de kadetten en Kaledin-volgelingen.

19. Indien deze voorwaarden niet worden vervuld kan de crisis, ontstaan in verband met de Constituante, slechts langs revolutionaire weg worden opgelost — langs de weg van de meest energieke, snelle, stevige en doortastende revolutionaire maatregelen van de kant van de Sovjetmacht tegen de contrarevolutie van de kadetten en de Kaledin-volgers, onverschillig achter welke leuzen en instellingen (zij het zelfs het lidmaatschap der Constituante) deze contrarevolutie zich ook moge verschuilen. Iedere poging om de handen van de Sovjetmacht in deze strijd te binden, zou een ondersteuning van de contrarevolutie zijn.

24 (11) of 25 (12) december 1917

Voetnoten


[1] In het handschrift ontbreekt ‘èn voor èn’. Red.
[2] Te veel van het goede. — Red.
[3] (Mismaakte) idioot. — Red.
[4] l.c., blz. 182. — Red.
[5] De Constituante kwam op 18 januari 1918 bijeen; op 19 januari werd zij uit elkaar gejaagd. — Red.
[6] Deze uitdrukking “overgang met de minst mogelijke schokken” citeert Kautsky overigens herhaaldelijk zoals duidelijk blijkt, met een ironische bedoeling. Maar aangezien hij daarin niet slaagt, laat Kautsky enige bladzijden verder een paar woorden weg en citeert valselijk: “Overgang zonder schokken”. ‘t Is natuurlijk heel gemakkelijk, met dergelijke middelen zijn tegenstander onzin te laten zeggen. De vervalsing helpt tevens om het zakelijke argument uit de weg te gaan: de overgang naar het socialisme met de minst mogelijke schokken is slechts mogelijk door een organisatie, die de ganse arme bevolking omvat (Sovjets) en door de ondersteuning van deze organisatie door de centrale staatsmacht (proletariaat).
[7] Overigens is de brochure van Kautsky vol van dergelijk mensjewistisch bedrog! Het is het smaadschrift van een nijdig geworden mensjewiek.
[8] Door mij onderstreept.
[9] Gerechtigheid boven alles, al ging de wereld er ook bij ten gronde.
[10] Zo-even las ik het hoofdartikel van de Frankfurter Zeitung van 22 oktober 1918, Nr. 293, dat geestdriftig Kautsky’s brochure bespreekt. Het orgaan van de beursspeculanten is tevreden. Dat wil ik geloven! Een kameraad schrijft me uit Berlijn, dat de Vorwärts, de courant van Scheidemann enz., in een speciaal artikel heeft verklaard dat ze de brochure van Kautsky bijna woord voor woord onderschrijft. Wel gefeliciteerd!
[11] De sociaalchauvinisten (Scheidemann, Renaudel, Henderson, Gompers c.s.) willen tijdens de oorlog geen woord over de ‘Internationale’ horen. De vijanden van ‘hun’ bourgeoisie beschouwen zij als ‘verraders’... van het socialisme. Zij verdedigen de veroveringspolitiek van hun bourgeoisie. De sociaalpacifisten (d.w.z. socialisten in woorden, burgerlijke pacifisten in hun daden) geven uiting aan allerlei ‘internationalistische’ gevoelens, doen verontwaardigt over annexaties enz., maar gaan, wat hun daden betreft, voort hun imperialistische bourgeoisie te steunen. Het onderscheid tussen deze twee typen is van geen betekenis; het is het onderscheid tussen een kapitalist, die gif en gal spuwt en een kapitalist, die honingzoete woorden spreekt.
[12] Op het zesde Sovjetcongres, 7-9 november 1918, waren 967 afgevaardigden met beslissende stem, onder wie 950 bolsjewieken, en 351 met raadgevende stem, van wie 335 bolsjewieken. In totaal dus 97 % bolsjewieken.
[13] In de Pravda: vóórparlement. —Red.