V.I. Lenin


De socialistische revolutie en het recht der naties op zelfbeschikking

Stellingen


Geschreven:januari-februari 1916
Transcriptie: Kevin Deslyper, voor www.marxisme.net, december 2004
Deze versie: Spelling en punctuatie aangepast
HTML: Maarten Vanheuverswyn, januari 2005


I. Het imperialisme, het socialisme en de bevrijding van de onderdrukte naties

Het imperialisme is het hoogste stadium der ontwikkeling van het kapitalisme. Het kapitaal is in de vooraanstaande landen over het raam der nationale staten uitgegroeid; het heeft het monopolie in de plaats van de concurrentie gesteld en alle objectieve voorwaarden voor de verwezenlijking van het socialisme geschapen. Daarom staat in West-Europa en in de Verenigde Staten van Amerika de revolutionaire strijd van het proletariaat voor het ten val brengen van de kapitalistische regeringen en de onteigening van de burgerij op de dagorde. Het imperialisme drijft de massa’s tot zo’n strijd doordat het de klassentegenstellingen uitermate verscherpt en de toestand van de massa’s zowel in economisch opzicht — trusts en de levensduurte — als in politiek opzicht — groei van het militarisme, het sneller op elkaar volgen van oorlogen, versterking der reactie, consolidering en verbreding van de nationale onderdrukking en de koloniale roof — verslechtert. Het overwinnende socialisme moet noodzakelijk de volledige democratie verwezenlijken en bijgevolg niet alleen de volle rechtsgelijkheid van de naties tot stand brengen, maar ook het zelfbeschikkingsrecht der onderdrukte naties verwezenlijken, d.w.z. het recht op vrije politieke afscheiding. De socialistische partijen, die niet door hun gehele werkzaamheid zowel thans, als tijdens de revolutie en na haar overwinning bewijzen, dat zij de onderdrukte naties zullen bevrijden en hun betrekkingen met deze naties op de grondslag der vrije vereniging zullen opbouwen — en een vrije vereniging is een leugenachtige frase zonder de vrijheid van afscheiding — zulke partijen zouden verraad aan het socialisme plegen. Natuurlijk is de democratie ook een staatsvorm die verdwijnen moet wanneer de staat verdwijnt, maar dit zal eerst gebeuren bij de overgang van het socialisme, dat definitief overwonnen en zich bevestigd heeft naar het volle communisme.

II. De socialistische revolutie en de strijd voor de democratie

De socialistische revolutie is niet een enkelvoudige handeling, niet een slag aan een front, maar geheel een tijdperk van felle klassenbotsingen, een lange reeks van slagen aan alle fronten, d.w.z. op het terrein van alle kwesties der economie en der politiek — slagen die slechts met de onteigening van de burgerij kunnen eindigen. Het zou een fundamentele fout zijn te denken dat de strijd voor de democratie in staat zou zijn het proletariaat van de socialistische revolutie af te leiden, of deze op de achtergrond te schuiven, te verdoezelen enz. Integendeel: evenals er geen zegevierend socialisme mogelijk is, dat de volledige democratie niet verwezenlijkt, kan ook het proletariaat zich niet voorbereiden op de overwinning op de burgerij wanneer het niet een alzijdige, consequente en revolutionaire strijd voor de democratie voert.

Het zou een niet minder grote fout zijn, een van de punten van het democratische program, bvb. het zelfbeschikkingsrecht der naties te laten vallen en wel op grond dat het onder het imperialisme “niet te verwezenlijken” of “een illusie” zou zijn. De bewering dat het zelfbeschikkingsrecht der naties binnen het raam van het kapitalisme niet te verwezenlijken is, kan of in absolute, economische of in relatieve, politieke zin worden opgevat.

In het eerste geval is zij in de kern theoretisch onjuist. Ten eerste: in die zin zijn onder het kapitalisme zulke dingen als bvb. het arbeidsgeld of het uitroeien der crisissen, enz. niet te verwezenlijken. Het is volkomen onjuist dat de zelfbeschikking der naties evenzeer onverwezenlijkbaar is. Ten tweede is zelfs het ene voorbeeld van de afscheiding van Noorwegen van Zweden in het jaar 1905 voldoende, om de “onverwezenlijkbaarheid” in deze zin te weerleggen (1). Ten derde zou het belachelijk zijn te betwisten dat bij een kleine verandering in de onderlinge politieke en strategische verhoudingen, bvb. van Duitsland en Engeland vandaag of morgen de vorming van nieuwe staten — denken we aan Polen, India en dergelijke — zeer goed “te verwezenlijken” zou zijn. Ten vierde, koopt het financierskapitaal in zijn streven naar expansie de meest vrije democratische en republikeinse regering en de gekozen ambtenaren van elk mogelijk, zij het ook “onafhankelijk” land, “vrijelijk” om. De heerschappij van het financierskapitaal is, evenals die van het kapitaal in het algemeen door geen enkele omvorming op het gebied der politieke democratie af te schaffen, — en de zelfbeschikking ligt geheel en uitsluitend op dit gebied. Maar deze heerschappij van het financierskapitaal heft voor het minst niet de betekenis van de politieke democratie op als vrijere, bredere en duidelijker vorm van de klassenonderdrukking en de klassenstrijd. Daarom komen alle redeneringen over de “onuitvoerbaarheid” in economische zin onder het kapitalisme van een der eisen der politieke democratie neer op een theoretisch onjuiste bepaling der algemene en fundamentele verhoudingen tussen het kapitalisme en de politieke democratie in het algemeen.

In het tweede geval is deze bewering onvolledig en onnauwkeurig. Want niet alleen het zelfbeschikkingsrecht der naties, maar alle fundamentele eisen der politieke democratie zijn onder het imperialisme slechts onvolledig verminkt of als zeldzame uitzondering (bvb. Noorwegens afscheiding van Zweden in het jaar 1905) “te verwezenlijken”. De eis van de onmiddellijke bevrijding der koloniën, die door alle revolutionaire sociaaldemocraten wordt gesteld, is eveneens onder het kapitalisme zonder een reeks van revoluties “niet te verwezenlijken”. Maar daaruit volgt volstrekt niet dat de sociaaldemocratie afziet van de onmiddellijke en meest besliste strijd voor al deze eisen — daarmee zou zij de burgerij en de reactie slechts in de kaart spelen — daaruit volgt integendeel juist de noodzakelijkheid al deze eisen niet reformistisch, maar revolutionair te formuleren en te stellen, — zich daarbij niet te beperken tot het kader der burgerlijke wettelijkheid, maar dit kader te verbreken — zich niet tevreden te stellen met parlementair optreden en protesten met het woord, doch de massa’s in de actieve beweging te betrekken, de strijd voor elke fundamentele democratische eis tot de directe aanval van het proletariaat op de burgerij uit te breiden en aan te wakkeren, d.w.z. tot de socialistische revolutie die de burgerij onteigent. De socialistische revolutie kan ontbranden niet alleen uit een grote staking of een straatdemonstratie, een hongeroproer, een militaire opstand, of een muiterij in de koloniën, maar ook uit elke willekeurige politieke crisis, zoals bvb. de Dreyfus-zaak [1] of het Zabernincident [2] of in verband met een referendum over de kwestie van de afscheiding van een onderdrukte natie enz.

De versterking van de nationale onderdrukking onder het imperialisme eist van de sociaaldemocratie niet een afwijzen van de (zoals de burgerij beweert), “utopische” strijd voor de vrijheid van afscheiding der naties, maar integendeel een versterkte uitbuiting der botsingen, ook van die op dit gebied ontstaan, als aanleiding voor massa-acties en revolutionaire strijd tegen de bourgeoisie.

III. De betekenins van het zelfbeschikkingsrecht en zijn verhouding tot de federatie

Het zelfbeschikkingsrecht der naties betekent uitsluitend het recht op onafhankelijkheid in politieke zin, het recht op de vrije politieke afscheiding van de onderdrukkende natie. Concreet genomen, betekent deze eis der politieke democratie de volledige vrijheid van agitatie voor de afscheiding en de beslissing over de vraag van de afscheiding door het referendum van de zich afscheidende natie. Derhalve komt deze eis helemaal niet overeen met de eis van afscheiding, verbrokkeling en vorming van kleine staten. Hij betekent niets anders dan de consequente uitdrukking van de strijd tegen iedere nationale onderdrukking. Hoe dichter de democratische structuur van een staat tot de volledige vrijheid van afscheiding is genaderd, des te zeldzamer en zwakker zal in de praktijk het streven naar afscheiding zijn, want de voordelen der grote staten zijn, zowel van het standpunt van de economische vooruitgang als van het standpunt van de belangen der massa’s niet aan twijfel onderhevig, terwijl ze met de groei van het kapitalisme steeds groter worden. De erkenning van het zelfbeschikkingsrecht betekent niet hetzelfde als de erkenning van de federatie als beginsel. Men kan een beslist tegenstander van dit beginsel zijn, een aanhanger van het democratische centralisme en toch aan de federatie, als de enige weg naar het volledige democratische centralisme, boven de nationale ongelijkheid-in-rechten de voorkeur geven.

Juist van dit standpunt gaf Marx, die centralist was, de voorkeur zelfs aan een federatie tussen Ierland en Engeland boven de gewelddadige onderdrukking van Ierland door de Engelsen [3].

Het doel van het socialisme is niet alleen het opheffen van de verbrokkeling van de mensheid in kleine staten en van iedere afzondering der naties, — niet slechts de toenadering der naties, maar ook hun samensmelting. En juist om dit doel te bereiken, moeten wij enerzijds aan de massa’s het reactionaire karakter van de idee van Renner en O. Bauer over de zogenaamde “nationaal-culturele autonomie” [4] duidelijk maken en anderzijds de bevrijding van de onderdrukte naties eisen, niet in algemene breedsprakige frasen, niet in inhoudsloze declamaties, niet door de vraag tot de dag van het socialisme “uit te stellen”, maar door een helder en nauwkeurig geformuleerd politiek programma dat speciaal rekening houdt met de huichelarij en de lafheid der socialisten in de onderdrukkende naties. Zoals de mensheid slechts tot de vernietiging der klassen kan komen door de overgangsperiode van de dictatuur van de onderdrukte klasse. Zo kan zij ook tot het onvermijdelijk samensmelten der naties alleen komen door de overgangsperiode van de volledige bevrijding van alle onderdrukte naties, d.i. van hun vrijheid tot afscheiding.

IV. De proletarisch-revolutionaire wijze om de kwestie van de zelfbeschikking der naties te stellen

Niet slechts de eis van de zelfbeschikking der naties, maar alle punten van ons democratisch minimumprogram werden vroeger reeds in de 17de en de 18de eeuw, door de kleine burgerij gesteld. En de kleine burgerij stelt al deze eisen tot nu toe op utopische wijze, daar zij de klassenstrijd en het feller worden daarvan onder de democratie niet ziet en in het “vreedzame” kapitalisme gelooft. Van precies hetzelfde karakter is de het-volk-misleidende utopie van de vreedzame vereniging der rechtsgelijke naties onder het imperialisme die de Kautskyanen voorstaan. Als tegenwicht tot deze kleinburgerlijke opportunistische utopie moet het programma van de sociaaldemocratie de onder het imperialisme fundamentele wezenlijke en onvermijdelijke indeling der naties in onderdrukte en onderdrukkende op de voorgrond stellen.

Het proletariaat der onderdrukkende naties kan zich niet beperken tot de algemene, voor elk geval passende, door iedere pacifistische bourgeois herhaalde frasen tegen annexaties en voor het gelijke recht der naties in het algemeen. Het proletariaat kan het voor de imperialistische burgerij bijzonder “onaangename” vraagstuk van de grenzen van de staat, die op nationale onderdrukking berust, niet met stilzwijgen voorbijgaan. Het proletariaat kan niet anders dan strijden tegen het gewelddadige vasthouden van de onderdrukte naties binnen de grenzen van de gegeven staat, en dit betekent juist strijden voor het recht op zelfbeschikking. Het proletariaat moet de vrijheid van politieke afscheiding eisen voor de koloniën en naties, die door “zijn” natie worden geknecht. In het tegenovergestelde geval blijft het internationalisme van het proletariaat een zinledig woord en is er geen vertrouwen en geen klassensolidariteit tussen de arbeiders van de onderdrukte en die van de onderdrukkende naties mogelijk; dan blijft de huichelarij van de reformistische en Kautskyaanse verdedigers van de zelfbeschikking, die zwijgen over de naties, die door “hun eigen” natie worden onderdrukt en die met geweld in “hun eigen” staat worden vastgehouden, niet ontmaskerd.

Anderzijds moeten de socialisten van de onderdrukte naties de volledige en onvoorwaardelijke, ook organisatorische eenheid der arbeiders van de onderdrukte met die van de onderdrukkende naties verdedigen en die in het leven roepen. Zonder dit is het, bij vele en verschillende kunstgrepen, verraderijen en schurkenstreken van de burgerij niet mogelijk, de zelfstandige politiek van het proletariaat en zijn klassensolidariteit met het proletariaat van de andere landen te verdedigen. Want de burgerij der onderdrukte naties doet voortdurend de leuze van de nationale bevrijding in een bedrog van de arbeiders verkeren: — in de binnenlandse politiek gebruikt zij deze leuze om reactionaire overeenkomsten met de burgerij der overheersende naties aan te gaan (bv. de Polen in Oostenrijk en Rusland, die met de reactie overeenkomsten sluiten ter onderdrukking der Joden en der Oekraïners); in de buitenlandse politiek streeft zij naar overeenkomsten met een der concurrerende imperialistische mogendheden, ten einde haar eigen roofzuchtige bedoelingen te verwezenlijken (de politiek van de kleine staten op de Balkan enz. [5]).

Het feit dat de strijd voor de nationale vrijheid tegen de ene imperialistische mogendheid onder bepaalde voorwaarden kan worden uitgebuit door een andere “grote” mogendheid voor haar eigen, eveneens imperialistische doeleinden, kan de sociaaldemocratie evenmin nopen, van de erkenning van het zelfbeschikkingsrecht der naties af te zien, als de veelvuldige gevallen van uitbuiting der republikeinse leuzen door de burgerij in haar streven naar politiek bedrog en financiële roof, bvb. in de Romaanse landen, de sociaaldemocraten kunnen nopen van hun republikeinse gezindheid afstand te doen (2).

V. Marxisme en Proudhonisme in het nationale vraagstuk

In tegenstelling tot de kleinburgerlijke democraten zag Marx in alle democratische eisen zonder uitzondering niet iets absoluuts, maar een historische uitdrukking van de strijd der door de bourgeoisie geleide volksmassa’s tegen het feodalisme. Er is geen enkele van die eisen, die niet onder bepaalde omstandigheden zou kunnen dienen, en ook gediend heeft als werktuig van arbeidersbedrog in handen der burgerij. Het is theoretisch volstrekt onjuist, een van de eisen der politieke democratie, met name de zelfbeschikking der naties in dit opzicht van de andere los te maken en tegenover de andere te stellen. In de praktijk kan het proletariaat alleen dan zijn zelfstandigheid handhaven, als het zijn strijd voor alle democratische eisen, de strijd voor de republiek niet uitgezonderd, ondergeschikt maakt aan zijn revolutionaire strijd voor het ten val brengen der burgerij.

Anderzijds heeft Marx, in tegenstelling tot de Proudhonisten, die de nationale kwestie “in naam van de sociale revolutie” “loochenden”, het grondbeginsel van het internationalisme en van het socialisme op de voorgrond geplaatst, hoofdzakelijk met het oog op de belangen van de klassenstrijd van het proletariaat in de vooraanstaande landen: — geen volk kan vrij zijn, dat andere volken onderdrukt. Juist van het standpunt der belangen van de revolutionaire beweging der Duitse arbeiders eiste Marx in 1848, dat de overwinnende democratie van Duitsland de vrijheid van de, door Duitsers onderdrukte volken zou proclameren en tot werkelijkheid maken [6]. Juist van het standpunt van de revolutionaire strijd der Engelse arbeiders eiste Marx in 1869 lerlands afscheiding van Engeland; waar hij aan toevoegde: — “al zou het na de afscheiding ook tot een federatie komen” (3). Alleen door zulk een eis te stellen, voedde Marx de Engelse arbeiders werkelijk in internationale geest op. Alleen op deze wijze kon hij tegenover de opportunisten en het burgerlijke reformisme, dat tot heden, na verloop van een halve eeuw, de Ierse “hervorming” niet tot stand heeft gebracht, een revolutionaire oplossing van de gegeven historische taak stellen. Zó alleen was Marx in staat, in tegenstelling tot de verdedigers van het kapitaal, die de vrijheid van afscheiding voor de kleine naties voor een utopie en voor onuitvoerbaar uitkreten en niet alleen de economische maar ook de politieke concentratie als vooruitgang verkondigden, — de vooruitgang, liggende in deze concentratie op niet imperialistische wijze te verdedigen. Zó alleen was hij in staat, de toenadering der volkeren niet langs de weg van geweld, maar langs die van de vrije vereniging der proletariërs van alle landen te verdedigen. Zó alleen kon Marx tegenover de in woorden uitgesproken, dikwijls huichelachtige erkenning van de rechtsgelijkheid en de zelfbeschikking der naties, de revolutionaire actie der massa’s, ook op het gebied van de oplossing der nationale kwesties plaatsen. De imperialistische oorlog van 1914-1916 en de daardoor aan het licht gebrachte Augiasstal [7] van huichelarij der opportunisten en Kautskyanen, hebben de juistheid van deze politiek van Marx aanschouwelijk bewezen. Zij moet voor al de meest ontwikkelde landen een voorbeeld worden, want ieder van die landen onderdrukt thans vreemde naties (3).

VI. Drie typen van landen ten opzichte van het zelfbeschikkingsrecht der naties

In dit opzicht moet men drie hoofdtypen van staten onderscheiden:

  1. De voornaamste kapitalistische landen van West-Europa en de Verenigde Staten van Amerika. Hier zijn de burgerlijk vooruitstrevende nationale bewegingen reeds lang geleden afgesloten. Elk van deze “grote” naties onderdrukt vreemde naties in de koloniën en binnen de landsgrenzen. De taak van het proletariaat der overheersende naties is hier juist dezelfde, als ze in de XIXde eeuw in Engeland was met betrekking tot lerland. (4)
  2. Oost-Europa: Oostenrijk, de Balkan en in het bijzonder Rusland. Hier heeft juist de XXste eeuw in het bijzonder de burgerlijk-democratische nationale bewegingen ontwikkeld en de nationale strijd verscherpt. De taak van het proletariaat van deze landen kan, zowel wat betreft het voltrekken van de burgerlijk-democratische omvorming, als wat betreft de steun aan de socialistische revoluties der andere landen niet vervuld worden, zonder het verdedigen van het zelfbeschikkingsrecht der naties. Bijzonder moeilijk en bijzonder belangrijk is hier de taak van het samensmelten van de klassenstrijd der arbeiders van de onderdrukkende met die der onderdrukte naties.
  3. De half-koloniale land en als China, Perzië, Turkije en alle koloniën met een gezamenlijke bevolking van ongeveer duizend miljoen. Hier zijn de burgerlijk-democratische bewegingen gedeeltelijk nauwelijks begonnen, gedeeltelijk verre van voltooid. De socialisten moeten niet alleen de onvoorwaardelijke onbezwaarde en onmiddellijke bevrijding der koloniën eisen — en politiek uitgedrukt betekent deze eis niets anders dan juist het erkennen van het zelfbeschikkingsrecht — maar zij moeten ook op de meest besliste wijze de meest revolutionaire elementen in de burgerlijk-democratische nationale bevrijdingsbewegingen in deze landen en hun opstand ondersteunen, en als het geval zich voordoet: ook hun revolutionaire oorlog tegen de hen onderdrukkende imperialistische mogendheden.

VII. Het sociaal-chauvinisme en de zelfbeschikking der naties

Het imperialistische tijdvak en de oorlog van 1914-1916 heeft de taak van de strijd tegen het chauvinisme en het nationalisme in de vooraanstaande landen in het bijzonder naar voren gebracht. In de kwestie van de zelfbeschikking der naties zijn twee schakeringen onder de sociaal-chauvinisten van het meeste belang, namelijk de opportunisten en de Kautskyanen, die de imperialistische reactionaire oorlog trachten op te smukken door het begrip van de “vaderlandsverdediging” op haar toe te passen.

Enerzijds zien we de tamelijk openhartige dienaren der bourgeoisie die de annexaties met de bewering verdedigen, dat het imperialisme en de politieke concentratie de vooruitgang dienen en die het zelfbeschikkingsrecht als zogenaamd utopisch, illusoir, kleinburgerlijk enz. afwijzen. Tot hen behoren Cunow, Parvus en de uiterste opportunisten in Duitsland, een deel der Fabians en der leiders der Trade-Unions in Engeland, in Rusland de opportunisten Sjemkowski, Liebmann, Joerkevitsj e.a.

Anderzijds zien wij de Kautskyanen, tot wie ook Vandervelde, Renaudel en vele pacifisten in Engeland en Frankrijk enz. behoren. Zij treden op voor de eenheid met de eerst genoemden en onderscheiden zich in de praktijk in niets van hen; zij verdedigen het zelfbeschikkingsrecht alleen slechts met woorden en huichelarij: zij achten ook de eis der vrijheid van politieke afscheiding een te hoge eis (“zu viel verlangt” Kautsky in “Die Neue Zeit” van 21 Mei 1915); zij houden niet vast aan de noodzakelijkheid der revolutionaire tactiek voor de socialisten, met name van die der onderdrukkende naties; maar verdoezelen integendeel hun revolutionaire verplichtingen, rechtvaardigen hun opportunisme, maken het hun gemakkelijker, het volk te bedriegen en ontwijken juist de kwestie van de grenzen van de staat, die met geweld niet-rechtsgelijke naties binnen zijn grenzen vasthoudt enz.

Dezen zowel als genen zijn evenzeer opportunisten, zij prostitueren het marxisme, omdat zij elke geschiktheid hebben verloren om de theoretische betekenis en de praktische onontbeerlijkheid van de tactiek van Marx, die hij aan het voorbeeld van Ierland heeft toegelicht, te begrijpen.

Wat de annexaties betreft, deze kwestie is in verband met de oorlog bijzonder actueel geworden. Maar wat betekent annexatie? Het is gemakkelijk zich te overtuigen dat het protest tegen annexaties of neerkomt op de erkenning van de zelfbeschikking der naties, of op een pacifistische frase berust, die de status quo verdedigt en aan elk, zelfs aan het revolutionair geweld vijandig is. Een dergelijke frase is in de grond foutief en met het marxisme niet te verenigen.

VIII. De concrete taak van het proleteriaat in de naaste toekomst

De socialistische revolutie kan in de naaste toekomst beginnen. In dit geval zal het proletariaat onmiddellijk voor de taak komen te staan van het veroveren van de politieke macht, het onteigenen der banken en het verwezenlijken van andere dictatoriale maatregelen. De burgerij — en in het bijzonder de intellectuelen van het type der Fabians en Kautskyanen — zal in zulk een ogenblik de revolutie trachten te verbrokkelen en te remmen, door haar beperkte, democratische doeleinden voor te leggen. Kunnen, onder de voorwaarden van de reeds begonnen proletarische bestorming van de grondslagen van de macht der burgerij, alle zuiver-democratische eisen in zekere zin de rol van hinderpalen van de revolutie vervullen — de noodzakelijkheid om de vrijheid van alle onderdrukte volken (d.w.z. van hun zelfbeschikkingsrecht) te proclameren en te verwezenlijken zal in de socialistische revolutie even noodzakelijk zijn, als zij dit was voor de overwinning der burgerlijk-democratische revolutie, bv. in Duitsland in 1848, of in Rusland in 1905.

Het is echter mogelijk, dat er tot het begin der socialistische revolutie nog 5, 10 of meer jaren zullen verstrijken. Dan zal het de taak zijn om de massa’s in zulk een revolutionaire geest op te voeden, dat het aangesloten zijn bij de arbeiderspartij van socialistische-chauvinisten en opportunisten en hun overwinning, een overwinning als in de jaren 1914-1916, onmogelijk zal worden gemaakt. De socialisten zullen het aan de massa’s duidelijk moeten maken, dat Engelse socialist en, die niet de vrijheid van afscheiding voor de koloniën en voor Ierland opeisen, — dat Duitse socialisten, die niet de vrijheid van afscheiding voor de koloniën, voor de Elzassers, de Denen, de Polen opeisen, die de rechtstreeks-revolutionaire propaganda en de revolutionaire massa-actie niet ook tot het gebied van de strijd tegen de nationale onderdrukking uitbreiden — die zulke incidenten als dat te Zabern niet voor een zo breed mogelijke illegale propaganda onder het proletariaat der onderdrukkende natie, voor straatdemonstraties en revolutionaire massa-acties benutten, dat Russen, die niet de vrijheid van afscheiding voor Finland, Polen, de Oekraïne enz. opeisen, — dat zulke socialisten handelen als chauvinist en, als lakeien van de imperialistische monarchieën en de imperialistische burgerij, die zich met bloed en slijk hebben besmeurd.

IX. Het standpund van de Russische en Poolse sociaaldemocratie en de IIe Internationale tegenover de zelfbeschikking

De meningsverschillen tussen de revolutionaire sociaaldemocraten van Rusland en de Poolse sociaaldemocraten inzake de zelfbeschikking traden reeds in het jaar 1903 op het Congres aan het licht, dat het programma van de Russische SDAP aanvaardde en dat, ondanks het protest der delegatie van Poolse sociaaldemocraten, 9 van het programma, dat het zelfbeschikkingsrecht der naties aanvaardde, aannam. Sedert die tijd hebben de Poolse sociaaldemocraten geen enkele maal uit naam van hun partij het voorstel herhaald, 9 van het partijprogramma te schrappen of het door enige andere formulering te vervangen.

In Rusland waar de onderdrukte naties niet minder dan 57% der gezamenlijke bevolking uitmaken (meer dan 100 miljoen), waar deze naties hoofdzakelijk de grensgebieden van de staat bewonen, waar een deel van deze naties op een hogere trap van cultuur staat dan de Grootrussen, waar de politieke verhoudingen zich door een bijzonder barbaars en middeleeuws karakter onderscheiden, waar de burgerlijk-democratische revolutie nog niet is afgesloten, in Rusland is de erkenning van het recht der vrijheid van afscheiding van Rusland voor de door het tsarisme onderdrukte naties onvoorwaardelijk de plicht der sociaaldemocratie, ter wille van haar democratische en socialistische taak. Onze partij, in januari 1912 weder opgebouwd, nam in 1913 een resolutie aan, die het zelfbeschikkingsrecht bevestigt en het juist in zijn bovenvermelde concrete betekenis toelicht [8]. De orgie van het Grootrussische chauvinisme in de jaren 1914-1916, zowel onder de burgerij, als onder de opportunistische socialisten (Roebanovitsj, Plechanov, “Nasje Djelo” enz.) geeft ons aanleiding nog sterker aan deze eis vast te houden en te verklaren dat zij, die deze eis in de praktijk afwijzen, het Grootrussische chauvinisme en het tsarisme tot steun dienen. Onze partij verklaart, dat zij op de meest besliste wijze elke verantwoordelijkheid voor zulk optreden tegen het zelfbeschikkingsrecht afwijst.

In de nieuwste formulering van het standpunt der Poolse sociaaldemocratie in de nationale kwestie (Verklaring van de Poolse sociaaldemocratie op de Conferentie van Zimmerwald) [9] zijn de volgende gedachten vervat:

Deze verklaring brandmerkt de Duitse en andere regeringen, die de “Poolse gebieden” als een pand in het aanstaande spel der compensaties beschouwen en daarbij “het Poolse volk van de mogelijkheid om over zijn eigen lot te beslissen beroven”. “De Poolse sociaaldemocratie protesteert beslist en plechtig tegen dit stuksnijden en uit-elkaar-rukken van een geheel land”... Zij geselt de socialisten, die aan de Hohenzollern... “de verlossing der onderdrukte volken hebben overgedragen”. Zij spreekt de overtuiging uit, dat alleen de deelneming aan deze naderende strijd van het revolutionaire internationale proletariaat, de strijd voor het socialisme, “de ketenen der nationale onderdrukking zal verbrijzelen, alle vormen van overheersing door een vreemd land zal uitroeien en aan het Poolse volk de mogelijkheid van een alzijdige vrije ontwikkeling als een rechtsgelijk lid in de gemeenschap der volkeren zal verzekeren”. De verklaring bestempelt de oorlog “voor de Polen” als “een oorlog van dubbele broedermoord” (“Bulletin” der I.S.K. Nr. 2. van 27 september 1915. bIz. 15) [10].

In wezen onderscheiden zich deze zinswendingen in niets van de erkenning van het recht der naties op zelfbeschikking. Ze lijden slechts aan een nog grotere breedsprakigheid en vaagheid van politieke formulering, dan het merendeel der programs en resoluties van de IIde Internationale. Elke poging deze gedachten in een nauwkeurige politieke formulering uit te drukken en te bepalen, of zij op de kapitalistische, of alleen op de socialistische orde toepasselijk zijn, toont nog meer in het oog vallend het verkeerde van het afwijzen van de zelfbeschikking der naties bij de Poolse sociaaldemocraten.

Het besluit van het Internationaal Socialistisch Congres van Londen in 1896 [11], dat de zelfbeschikking der naties erkent, moet op grond der boven ontvouwde stellingen worden aangevuld met de verwijzing: 1) naar de bijzondere onontbeerlijkheid van deze eis onder het imperialisme; 2) naar de politieke voorwaardelijkheid en de klasseninhoud van alle eisen der politieke democratie, de onderhavige eis daarbij inbegrepen; 3) naar de noodzakelijkheid onderscheid te maken tussen de concrete taak van de sociaaldemocraten der onderdrukkende en die der onderdrukte naties; 4) naar de inconsequente uitsluitend in woorden getoonde en daarom, wat haar politieke betekenis aangaat, huichelachtige erkenning van de zelfbeschikking door de opportunisten en de Kautskyanen; 5) naar het feitelijke samenvallen met de chauvinisten van die sociaaldemocraten, in het bijzonder van de naties der “grote mogendheden” (Grootrussen, Anglo-Amerikanen, Duitsers, Fransen, Italianen, Japanners, e.a.), die de vrijheid van afscheiding voor de koloniën en naties die door “hun” naties worden onderdrukt niet verdedigen; 6) naar de noodzakelijkheid de strijd voor deze, zowel als voor alle fundamentele eisen der politieke democratie ondergeschikt te maken aan de rechtstreekse revolutionaire massastrijd voor het omverwerpen van de burgerlijke regeringen en voor de verwezenlijking van het socialisme.

Het overbrengen naar de Internationale van het standpunt van enkele kleine naties en in het bijzonder van de Poolse sociaaldemocraten wier strijd tegen de, het volk bedriegende nationalistische leuzen van de Poolse burgerij, hen tot het onjuiste afwijzen van de zelfbeschikking leidde, zou een theoretische fout zijn; het zou het vervangen van het marxisme door het Proudhonisme en in de praktijk de onbewuste ondersteuning van het gevaarlijkste chauvinisme en opportunisme van de naties der grote mogendheden betekenen.

De Redactie van de “Sociaal-Democraat”,
Centraal-Orgaan van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.


Postscriptum: In het zo-even verschenen nummer van “Die Neue Zeit” van 3 maart 1916 reikt Kautsky, de vertegenwoordiger van het vuilste Duitse chauvinisme, Austerlitz openlijk de hand der christelijke verzoening, door voor het Habsburgse Oostenrijk de vrijheid van afscheiding der onderdrukte naties te verwerpen, maar haar voor Russisch-Polen te erkennen, om aan Hindenburg en Wilhelm II een lakeiendienst te bewijzen. Een betere zelfontmaskering van het Kautskyanisme zou men zich moeilijk kunnen wensen!

Maart 1916


Voetnoten

[1] De Dreyfus-zaak — het proces van de officier van de Franse generale staf, de Joodse kapitein Alfred Dreyfus, die in 1894 onschuldig wegens spionage werd veroordeeld. Deze zaak, die door het antisemitisme werd aangestookt en waarbij aanzienlijke kringen van de Franse bourgeoisie en vooral van de Franse militairen betrokken waren, verwekte een diepe politieke crisis in Frankrijk. Zij bracht de rotheid van de Franse generale staf, de omkoopbaarheid van het gerecht enz. aan het licht. Het vonnis bracht een golf van scherpe strijd van de aanhangers der herziening van de zaak, tegen de nationalisten en de reactionairen met zich mee. Bij de herziening van het proces in 1899 werd Dreyfus opnieuw veroordeeld; hij verkreeg echter later gratie.

[2] Het incident van Zabern in de Elzas, dat aan het einde van 1913 de algemene aandacht trok, was een van de meest schrille verschijnselen van de steeds groter wordende heerschappij van de reactionaire militaire kliek in Duitsland. De zaak kwam op het volgende neer. In de stad Zabern hoonde en bespotte een Duits officier, luitenant Forstner, systematisch de plaatselijke bevolking. Toen de geprikkelde bevolking van de stad de chauvinistische pralerij van Forstner trachtte te matigen, arresteerde hij met zijn soldaten enige tientallen mensen, kondigde de militaire dictatuur in de stad af en terroriseerde de bevolking. Niettegenstaande de algemene verontwaardiging, zelfs van de burgerlijke politieke partijen, zette Forstner, die de steun van de hoogste militaire instanties genoot, dit regime in Zabern voort. In de Rijksdag, waar dit vraagstuk ter sprake kwam, trachtten de Rijkskanselier (Bettmann-Holweg) en de Minister van Oorlog Forstner te verdedigen. De Rijksdag veroordeelde met overgrote meerderheid (met 293 tegen 52 stemmen) de houding van den Rijkskanselier en de Minister van Oorlog.

[3] Er is hier sprake van een reeks brieven van Marx en Engels in de jaren 1867-1869 over het vraagstuk van de onafhankelijkheid van Ierland, die Lenin in hoofdstuk VIII van zijn artikel “Over het recht der naties op zelfbeschikking” citeerde (Zie Deel IV van deze uitgave). In een brief van 29 November 1869 aan Kugelmann schreef Marx: “De Engelse arbeidersklasse moet niet alleen de Ieren ondersteunen, maar ook zelf het initiatief nemen ter ontbinding van de in het jaar 1801 gesloten unie (d.w.z. van de unie van Ierland en Engeland, die de verslaving van Ierland bezegelde. Red.), om het te vervangen door een vrij verbond op federatieve grondslag”. En zulk een politiek moet door het Engelse proletariaat worden gevoerd “niet uit sympathie met de Ieren, maar omdat zij noodzakelijk is van het standpunt van de belangen van het Engelse proletariaat. Geschiedt dit niet, dan zal het Engelse volk aan de leiband blijven lopen van de heersende klassen, omdat het met dezen samen tegen Ierland zal moeten optreden” (zie Marx en Engels, Brieven onder redactie van W. Adoratski, Uitgave 1928, Brief Nr. 131 blz. 223).

[4] De theorie van de “nationaal culturele autonomie” zegt dat de natie is gegrond op een gemeenschappelijkheid van “karakter en cultuur”. Uitgaande van deze bepaling, eiste deze theorie de scheiding van het onderwijs en de algemene culturele aangelegenheden in iedere staat volgens de nationaliteiten, het overbrengen van de leiding daarvan van de staat naar bijzonder georganiseerde nationale verbonden. De scheppers van deze theorie waren de Oostenrijkse sociaaldemocraten Bauer en Renner (Springer). In Rusland werd de eis van de nationaal-culturele autonomie door de Boend opgesteld en in het tijdperk van de reactie en de nieuwe opgang (1908-1914) door de mensjewieken-liquidatoren ondersteund.

Waarom Lenin deze theorie als een reactionaire theorie beschouwde blijkt uit de volgende aanhalingen: “Dit zou slechts leiden tot de versterking van de afzondering der naties en wij moeten streven naar hun toenadering. Dit zou leiden tot het toenemen van het chauvinisme en wij moeten streven naar het nauwste verbond van de arbeiders van alle naties, naar hun gemeenschappelijke strijd, tegen elk chauvinisme, tegen elke nationale afzondering, tegen elk nationalisme. De schoolpolitiek is bij de arbeiders van alle naties dezelfde: vrijheid voor de nationale taal, de democratische en niet klerikale school”. “De waarachtige democratie, met de arbeidersklasse aan het hoofd — zegt Lenin in dit artikel — neemt het vaandel op voor de volledige rechtsgelijkheid van de naties en voor het samengaan van de arbeiders aller naties in de klassenstrijd. Van dit standpunt uit verwerpen wij de z.g.n. “nationaal-culturele autonomie” (zie het artikel “Bijdrage tot het vraagstuk van de nationale politiek” in de Complete Werken, Deel XVII, blz. 323-329).

[5] Waar Lenin hier spreekt over de buitenlandse politiek van de bourgeoisie van de Balkan-staten, bedoelt hij de Balkan-oorlog der jaren 1912-1913 en tevens de deelname van Servië, Bulgarije en Roemenie aan de imperialistische oorlog der jaren 1914-1918. De Balkan-oorlog der jaren 1912-‘13 werd gevoerd om de verdeling van Macedonië, dat zich vroeger onder de heerschappij van Turkije bevond. Zowel de Serviërs, als de Bulgaren en de Grieken maakten aanspraak op Macedonië. Reeds in deze oorlog trad Servië op met Rusland achter zich en ondersteund door Engeland en Frankrijk, terwijl Bulgarije door Oostenrijk en Duitsland werd ondersteund. In de oorlog van 1914-1919 sloot Servië zich bij de Entente aan, met de bedoeling zijn oude rekening met Oostenrijk te vereffenen. Het Oostenrijks-Servische conflict werd het begin van de wereldoorlog. Bulgarije sloot zich op 5 oktober 1915 bij Oostenrijk en Duitsland aan, waarbij het door zijn ondersteuning van de centrale mogendheden hoopte, zijn gebied ten koste van Servië en Griekenland uit te breiden. Roemenie trad in de herfst van 1916 aan de zijde van Rusland en zijn bondgenoten in de oorlog en hoopte daardoor aan Hongarije Transylvanië te ontrukken.

[6] De opvattingen van Marx in dit vraagstuk werden door hem in “Die Neue Rheinische Zeitung” ontvouwd. Marx en Engels protesteerden in dit orgaan scherp tegen de politiek van de Duitse bourgeoisie, die er op gericht was de in Italië, Polen, Bohemen enz. uitgebroken nationale beweging te onderdrukken. Marx schreef, dat deze politiek van de bourgeoisie tot de ondergang van de revolutie leidde, dat zij het vertrouwen van de onderdrukte naties in de Duitsers ondermijnde en de naties in hun strijd tegen de reactie verdeelde. “De Fransen”, schreef Marx, “wisten zich zelfs daar, waar zij als vijanden optraden, sympathie en achting te verwerven. De Duitsers daarentegen worden nergens geacht en ondervinden nergens sympathie”. “En terecht — vervolgt Marx — een natie die het zich veroorloofde in de loop van zijn gehele geschiedenis een wapen ter onderdrukking van andere naties te worden, — een dergelijke natie moet metterdaad eerst haar revolutionaire gezindheid bewijzen”. “Het revolutionaire Duitsland moet vooral in zijn verhouding tot de naburige volken zijn gehele verleden verloochenen en met zijn eigen vrijheid moet het de vrijheid van die volkeren uitroepen, die tot nu toe door de Duitsers onderdrukt werden”. (Zie het werk “Marx en Engels in het tijdperk van de Duitse revolutie” (1848-1850) Staatsuitgeverij, Moskou 1926, blz. III).

[7] De uitdrukking Augiusstal heeft op toestanden betrekking, die uiterst verward zijn en die met buitengewoon grote moeite of helemaal niet recht gezet kunnen worden. Deze uitdrukking vindt haar oorsprong in de legende over de Grieksen koning Augius, de bezitter van een reusachtige paardenstal, die nooit werd schoongemaakt. Het reinigen van de stal van Augius was een van de taken, die aan de Griekse held Hercules werden gesteld.

[8] Waar Lenin spreekt over het herstel van de partij in 1912 bedoelt hij de Partijconferentie van Praag uit dat jaar, waar de “besliste politiek van de breuk met de opportunisten van alle richtingen, die door de Russische bolsjewieken werd gevoerd (in de jaren 1904-1912) door de organisatorische scheuring definitief werd voltooid. Op deze conferentie werd een zuiver bolsjewistisch Centraal-Comitee gekozen. De resolutie over het nationale vraagstuk, waar Lenin hier over spreekt, werd door het Centraal-Comitee op deze “Augustus-Konferentie van het C. K. met de partijfunctionarissen” aangenomen. (Over deze Conferentie zie aantekening 90, 113, 139 bij Deel IV dezer uitgave; het artikel “Over de Praagse Conferentie” en de voornaamste resoluties dezer conferentie is eveneens in Deel IV opgenomen.)

[9] De vertegenwoordigers van de Poolse Sociaaldemocratie op de Conferentie van Zimmerwald waren Warski, Hanetski en Radek.

[10] Het Bulletin van de Internationale socialistische commissie in Bern — het officiële orgaan van de Zimmerwalder Vereniging — verscheen in de jaren 1915-‘17 in Bern in de Duitse, Franse en Engelse taal. Er verschenen in het geheel 6 nummers.

[11] Het besluit van het Internationale congres van 1896 in Londen over de nationale kwestie luidt: “Het congres verklaart, dat het staat op de bodem van het volledige zelfbeschikkingsrecht van alle naties en het drukt zijn sympathie uit met de arbeiders van alle landen, die in de huidige tijd onder het juk van het militaire, nationale en een ander absolutisme zuchten. Het congres roept de arbeiders van al deze landen op toe te treden tot de rijen van de arbeiders der gehele wereld, die zich de belangen van hun klasse bewust zijn, ten einde met hen te strijden om het internationale kapitalisme te overwinnen, voor het verwezenlijken van de doeleinden van de internationale sociaaldemocratie” .


(1) Uitvoeriger over de afscheiding van Noorwegen, zie het artikel “Over het recht der naties op zelfbeschikking” in de “Complete Werken” Deel XVII, blz. 450-455. — Red.

(2) Het behoeft nauwelijks te worden gezegd dat het allerbelachelijkst zou zijn, het zelfbeschikkingsrecht af te wijzen op grond, dat daaruit de erkenning van de “vaderlandsverdediging” zou voortvloeien. Met hetzelfde recht, d.w.z. met even weinig ernst, beroepen zich de sociaal-chauvinisten 1914-1916 op elke, onverschillig welke eis der democratie (bv. die van de republiek) of op elke formulering van de strijd tegen de nationale onderdrukking, om de “vaderlandsverdediging” te rechtvaardigen. Het marxisme leidt de erkenning van de vaderlandsverdediging in oorlogen als bv. die van de grote Franse Revolutie, of die van Garibaldi in Europa, en ook de ontkenning van de vaderlandsverdediging in de imperialistische oorlog van 1914-1916 af uit de analyse van de concreet-historische bijzonderheden van iedere afzonderlijke oorlog, maar in geen geval uit een of ander “algemeen principe” of uit een of ander bijzonder programpunt. — Noot van Lenin

(3) Dikwijls beroept men er zich op, — bv. in de laatste tijd de Duitse chauvinist Lensch in Nr. 8 en 9 van “Die Glocke”, — (in het artikel “Holle frasen over het zelfbeschikkingsrecht” — Red.) dat de afwijkende houding van Marx ten aanzien van de nationale beweging van enkele volken, bv. der Tsjechen in 1848, de noodzakelijkheid van het erkennen van de zelfbeschikking der naties van Marxistisch standpunt opheft! Maar dit is niet juist. Want in het jaar 1848 waren er historische en politieke gronden om tussen de “reactionaire” en revolutionair-democratische naties onderscheid te maken. Marx had gelijk, toen hij de eersten veroordeelde en voor de laatsten opkwam. Het zelfbeschikkingsrecht is een van de eisen der democratie, die, natuurlijk, ondergeschikt moeten worden gemaakt aan de algemene belangen der democratie. In 1848 en de volgende jaren eisten die algemene belangen in de eerste plaats de strijd tegen het tsarisme. — Noot van Lenin

(4) In enkele kleine staten, die buiten de oorlog van 1914-1916 zijn gebleven, bv. in Holland, Zwitserland, buit de burgerij krachtdadig de leuze van de “zelfbeschikking der naties” uit om het deelnemen aan de imperialistische oorlog te rechtvaardigen. Dit is een der motieven, die de sociaaldemocratie van zulke landen naar het afwijzen van de zelfbeschikking der naties drijven. De juiste proletarische politiek, namelijk het afwijzen van de “vaderlandsverdediging” in de imperialistische oorlog, verdedigen zij met ondeugdelijke argumenten. Dit loopt in de theorie uit op een verdraaiing van het marxisme en in de praktijk op een soort van klein-nationale bekrompenheid: het vergeten van de naties met honderden miljoenen aan bevolking, die door de naties der “grote mogendheden” in slavernij worden gehouden. Kameraad Gorter heeft ongelijk, als hij in zijn uitstekende brochure: “Het Imperialisme, de Wereldoorlog en de Sociaaldemocratie” het beginsel van de zelfbeschikking der naties afwijst, maar hij past het op juiste wijze toe, als hij de onmiddellijke “politieke en nationale onafhankelijkheid” van Nederlands-Indië eist en de Hollandse opportunisten ontmaskert, die weigeren deze eis te stellen en ervoor te strijden. — Noot van Lenin