V. I. Lenin


Marxisme en revisionisme


Geschreven: Niet later dan 3 (16) april 1908.
Eerste publicatie: In 1908 gepubliceerd in het verzamelwerk ‘Karl Marx (1818-1883)’.
Transcriptie naar HTML: Maarten Vanheuverswyn en Vonk, november 2003.
Deze versie: Genomen uit een uitgave van Progres Moskou, Nederlandse vertaling door A. J. Gerritsen en J. B. de Klerk. De tekst is omgezet naar de nieuwe spelling door Maarten Vanheuverswyn.


Een bekende uitspraak luidt: Indien meetkundige axioma’s menselijke belangen zouden raken, zouden er zeker pogingen worden gedaan ze te weerleggen. Natuurhistorische theorieën, die oude theologische vooroordelen raakten, werden en worden tot op de dag van vandaag ten heftigste bestreden. Geen wonder dat de leer van Marx, die rechtstreeks de voorlichting en de organisatie van de meest vooruitstrevende klasse der moderne maatschappij dient, die deze klasse haar taken aanwijst en het bewijs levert van de — krachtens de economische ontwikkeling — onvermijdelijke vervanging van de huidige orde door een nieuwe, geen wonder dat deze leer voor iedere stap op haar levensweg heeft moeten vechten.

Over de burgerlijke wetenschap en filosofie, die door in staatsdienst zijnde professoren in een de staat welgevallige geest worden onderwezen teneinde de opgroeiende jeugd van de bezittende klassen dom te houden en haar tegen de buitenlandse en binnenlandse vijand ‘af te richten’, behoeven wij helemaal niet eens te spreken. Deze wetenschap wil van het marxisme niets weten en verklaart het voor weerlegd en vernietigd; zowel jonge geleerden, die door het socialisme te weerleggen carrière maken, als aftandse oude mannen, die de trouwe behoeders van alle mogelijke beschimmelde ‘systemen’ zijn, vallen Marx met gelijke ijver aan. De groei van het marxisme, de verbreiding en het sterker worden van zijn ideeën in de arbeidersklasse leiden onvermijdelijk tot het steeds veelvuldiger weerkeren, in scherpere bewoordingen, van deze burgerlijke uitvallen tegen het marxisme, dat echter na elke ‘vernietiging’ door de officiële wetenschap sterker, geharder en levenskrachtiger dan ooit weer naar voren treedt.

Maar zelfs onder de leerstellingen, die op de strijd van de arbeidersklasse betrekking hebben en die voornamelijk onder het proletariaat verbreid zijn, heeft het marxisme volstrekt niet in één slag zijn plaats veroverd. Gedurende de eerste vijftig jaar van zijn bestaan (vanaf de jaren ‘40 van de 19de eeuw) streed het marxisme tegen theorieën, die er in wezen vijandig tegenover stonden. In de eerste helft van de jaren ‘40 rekenden Marx en Engels met de radicale jong-hegelianen af, die op het standpunt van het filosofische idealisme stonden. Aan het einde van de jaren ‘40 trad de strijd op het gebied van de economische leerstellingen op de voorgrond — de strijd tegen het proudhonisme [1]. De jaren ‘50 sluiten deze strijd af met de kritiek op de partijen en leerstellingen, die in het stormachtige jaar 1848 voor het voetlicht waren getreden. In de jaren ‘60 verplaatst de strijd zich van het gebied der algemene theorie naar een gebied dat de arbeidersbeweging als zodanig nader aan het hart lag: het verdrijven van het bakoenisme [2] uit de Internationale. In het begin van de jaren ‘70 trad in Duitsland gedurende korte tijd de proudhonist Mühlberger op de voorgrond, aan het einde van de jaren ‘70 de positivist Dühring. Maar de invloed op het proletariaat, zowel van de een als de ander, was al uiterst gering. Het marxisme is al zonder twijfel aan het zegevieren over alle andere ideologieën in de arbeidersbeweging.

Op de drempel van de jaren ‘90 van de vorige eeuw was deze zege, wat de hoofdzaken betreft, voltooid. Zelfs in de Romaanse landen, waar de tradities van het proudhonisme zich het langst hadden gehandhaafd, hadden de arbeiderspartijen hun programs en hun tactiek in feite op marxistische grondslag opgebouwd. De in de vorm van periodieke internationale congressen opnieuw ontstane internationale organisatie van de arbeidersbeweging plaatste zich terstond, bijna zonder strijd, op alle essentiële punten op de grondslag van het marxisme. Maar toen het marxisme alle enigermate afgeronde vijandige leerstellingen had verdrongen, begonnen de tendensen, die in deze leerstellingen tot uiting waren gekomen, andere wegen te zoeken. De vormen en methoden van de strijd waren gewijzigd, maar de strijd duurde voort. En de tweede halve eeuw van het bestaan van het marxisme (de jaren ‘90 van de vorige eeuw) begon met de strijd tegen een jegens het marxisme vijandige stroming binnen het marxisme.

De gewezen orthodoxe marxist Bernstein gaf de naam revisionisme [3] aan deze stroming door op de meest ruchtbare en systematische wijze Marx te corrigeren en te herzien. Zelfs in Rusland, waar zich krachtens de economische achterlijkheid van het land en een overheersende boerenbevolking, die door de overblijfselen van de lijfeigenschap was neergedrukt, het niet-marxistische socialisme uit de aard van de zaak het langst heeft gehandhaafd, zelfs in Rusland groeit dit onder onze ogen duidelijk tot revisionisme uit. Zowel op het gebied van het agrarische vraagstuk (het program van het in gemeentelijk beheer overnemen van de gehele grond), alsook op dat van de algemene vraagstukken van program en tactiek, vervangen onze sociaal-narodniki [4] de afstervende, onhoudbare overblijfselen van het oude, in zijn soort afgeronde en jegens het marxisme in wezen vijandige systeem meer en meer door ‘correcties’ op Marx.

Het voor-marxistische socialisme is verslagen. Het zet de strijd reeds niet meer op eigen zelfstandig terrein voort, maar op het terrein van het marxisme, en wel als revisionisme. Laten we dus nagaan wat de geestelijke inhoud van het revisionisme is. Op het gebied van de filosofie voer het revisionisme in het kielzog van de burgerlijk-professorale ‘wetenschap’. De professoren keerden ‘terug naar Kant’ en de revisionisten sukkelden achter de neokantianen [5] aan; de professoren herhaalden de duizendmaal verkondigde paapse vulgariteiten tegen het filosofische materialisme — en de revisionisten mompelden, uit de hoogte glimlachend (woord voor woord volgens het laatste ‘Handbuch’), dat het materialisme sinds lang is ‘weerlegd’; de professoren behandelden Hegel als een ‘dode hond’ en haalden verachtelijk de schouders op over de dialectiek, hoewel zijzelf het idealisme predikten — alleen een idealisme, duizendmaal oppervlakkiger en vulgairder dan het hegeliaanse —, en de revisionisten kropen achter hen aan in het moeras van de filosofische vervlakking der wetenschap, terwijl zij de ‘spitsvondige’ (en revolutionaire) dialectiek vervingen door een ‘eenvoudige’ (en rustige) ‘evolutie’; de professoren verdienden hun ambtelijke salaris door én hun idealistische én hun ‘kritische’ stelsels aan de heersende middeleeuwse ‘filosofie’ (d.w.z. aan de theologie) aan te passen, en de revisionisten voegden zich bij hen door zich te beijveren de godsdienst tot een ‘privéaangelegenheid.’ te maken, niet ten opzichte van de moderne staat, maar ten opzichte van de partij van de meest vooruitstrevende klasse.

Welke werkelijke klassenbetekenis dergelijke ‘correcties’ op Marx hadden, daarover behoeft niet gesproken te worden — die ligt voor de hand. Wij willen er alleen op wijzen dat de enige marxist in de internationale sociaaldemocratie, die vanuit het standpunt van het consequente dialectische materialisme de ongelooflijke platheden, die de revisionisten op dit gebied te berde hebben gebracht, bekritiseerde, Plechanov is geweest. Hierop moet des te sterker de nadruk worden gelegd, omdat er tegenwoordig volkomen onjuiste pogingen worden gedaan om onder de vlag van kritiek op het tactische opportunisme van Plechanov oude en reactionaire filosofische rommel binnen te smokkelen. [6]

Gaat men over tot de economie, dan moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat op dit gebied de ‘correcties’ van de revisionisten veel veelzijdiger en uitvoeriger waren; zij poogden door middel van ‘nieuwe gegevens over de economische ontwikkeling’ indruk op het publiek te maken. Zij beweerden dat er in de landbouw in ‘t geheel geen concentratie en verdringing van het kleinbedrijf door het grootbedrijf plaatsvinden, terwijl dit op het gebied van de handel en de industrie slechts op uiterst langzame wijze het geval is. Voorts beweerden zij dat de crises thans zeldzamer en zwakker waren geworden en dat de trusts en kartels het kapitaal waarschijnlijk in staat zouden stellen de crises volkomen te doen verdwijnen. Zij beweerden dat de ‘theorie van de ineenstorting’, die het kapitalisme tegemoet gaat, niet steekhoudend is, aangezien er een tendens tot afstomping en verzachting van de klassentegenstellingen aan de dag treedt. Ten slotte beweerden zij dat het geen kwaad zou kunnen de waardetheorie van Marx overeenkomstig Böhm-Bawerk te corrigeren.

De strijd tegen de revisionisten over deze vraagstukken leverde een even vruchtdragende verlevendiging op van het theoretische denken van het internationale socialisme als twintig jaar tevoren de polemiek van Engels tegen Dühring. De argumenten van de revisionisten werden aan de hand van feiten en cijfers nagegaan. Er werd bewezen dat de revisionisten het moderne kleinbedrijf systematisch in rozige kleuren schilderen. Het feit van het technische en commerciële overwicht van de productie in het groot over de productie in het klein, niet alleen in de industrie maar ook in de landbouw, wordt met onweerlegbare feiten bewezen. Maar in de landbouw is de warenproductie veel zwakker ontwikkeld en de moderne statistici en economen zijn er gewoonlijk weinig bedreven in, die speciale takken (soms zelfs bepaald soort werk) van de landbouw te doen uitkomen, waarin het toenemende aandeel van de landbouw in het ruilverkeer van de wereldeconomie tot uitdrukking komt. De kleine producent houdt zich op de puinhopen van de huishouding in natura slechts staande door een voortdurende verslechtering van de voeding, door chronisch hongerlijden, door verlenging van de arbeidsdag, door verslechtering van de kwaliteit van het vee en de veehouderij, kortom met dezelfde middelen, waarmee zich ook de huisindustrie tegenover de kapitalistische manufactuur staande hield. Iedere stap vooruit in de wetenschap en de techniek ondermijnt in de kapitalistische maatschappij onvermijdelijk en onverbiddelijk de grondslagen van het kleinbedrijf, en het is de taak van de socialistische economie dit proces in al zijn vaak gecompliceerde en ingewikkelde vormen te onderzoeken en aan de kleine producent duidelijk te maken dat het niet mogelijk is zich onder het kapitalisme staande te houden, dat er voor het boerenbedrijf onder het kapitalisme geen uitweg bestaat en dat het voor de boer noodzakelijk is naar het standpunt van de proletariër over te gaan. De revisionisten zondigden wat dit vraagstuk betreft in wetenschappelijk opzicht door het oppervlakkig veralgemenen van eenzijdig uit het verband van de gehele structuur van het kapitalisme gerukte feiten; in politiek opzicht zondigden zij doordat zij onvermijdelijk, bewust of onbewust, de boer ertoe trachtten te brengen, of er hem toe dreven, het standpunt van de bezitter (d.w.z. het standpunt van de bourgeoisie) in te nemen in plaats van hem tot het standpunt van de revolutionaire proletariër te brengen.

Wat de crisistheorie en de ineenstortingstheorie aangaat, hier stond de zaak van het revisionisme er nog slechter voor. Alleen zeer kortzichtige mensen konden — en dan alleen gedurende zeer korte tijd — onder de invloed van enige jaren van industriële opbloei en voorspoed aan een verandering van de grondslagen van Marx’ leer denken. Dat de crises nog lang niet hebben opgehouden te bestaan, werd de revisionisten zeer spoedig door de werkelijkheid aangetoond: op de voorspoed volgde de crisis. De vormen, de volgorde, het beeld van iedere crisis op zich zelf veranderden, maar de crises bleven een onvermijdelijk bestanddeel van de kapitalistische structuur. De kartels en trusts, die de productie concentreerden, deden tegelijkertijd voor iedereen zichtbaar de anarchie van de productie, de bestaansonzekerheid van het proletariaat en de druk van het kapitaal toenemen en verscherpten op deze wijze in een tot dusver ongekende mate de klassentegenstellingen. Dat het kapitalisme zijn ineenstorting tegemoetgaat, zowel in de zin van afzonderlijke politieke en economische crises, als in de zin van de volledige ineenstorting van de gehele kapitalistische orde, dat hebben juist bijzonder aanschouwelijk en in bijzonder grote omvang de nieuwste reuzentrusts aangetoond. De jongste financiële crisis in Amerika, de schrikwekkende toename van de werkloosheid in geheel Europa, om maar niet te spreken van de industriële crisis die voor de deur staat en waarop talrijke tekenen wijzen — dit alles heeft ertoe geleid dat de nog maar kort geleden opgestelde ‘theorieën’ van de revisionisten door iedereen en zelfs, naar het schijnt, door vele revisionisten zelf zijn vergeten. Alleen mag men de lessen niet vergeten die deze intellectuele wankelmoedigheid de arbeidersklasse gegeven heeft.

Wat de waardetheorie betreft willen wij slechts opmerken dat de revisionisten hier, uitgezonderd uiterst vage toespelingen op en verwijzingen naar Böhm-Bawerk, volstrekt niets hebben gepresteerd en daarom in de ontwikkeling van het wetenschappelijke denken geen enkel spoor hebben nagelaten.

Op het gebied van de politiek heeft het revisionisme getracht daadwerkelijk de grondslag van het marxisme, namelijk de leer van de klassenstrijd, te herzien. Politieke vrijheid, democratie, algemeen kiesrecht zouden de klassenstrijd alle reden van bestaan ontnemen, zei men ons, en daardoor zou de oude stelling van het ‘Communistisch Manifest’: de arbeiders hebben geen vaderland, onjuist worden. Onder de democratie heerst nu eenmaal de ‘wil van de meerderheid’ en daarom kan men de staat niet als een orgaan van de klassenheerschappij beschouwen, noch afzien van bondgenootschappen met de vooruitstrevende, sociaal-hervormingsgezinde bourgeoisie tegen de reactionairen.

Er kan niet worden ontkend dat deze tegenwerpingen van de revisionisten op een tamelijk harmonisch systeem van opvattingen neerkwamen — en wel op de vanouds bekende burgerlijk-liberale opvattingen. De liberalen hebben steeds gezegd dat het burgerlijke parlementarisme de klassen en de klassenindeling opheft, daar alle burgers zonder uitzondering stemrecht en het recht om aan staatszaken deel te nemen bezitten. Heel de geschiedenis van Europa in de tweede helft van de 19de eeuw en heel de geschiedenis van de Russische revolutie in het begin van de 20ste eeuw laten duidelijk zien hoe onzinnig dergelijke opvattingen zijn. Onder de vrijheid van het ‘democratische’ kapitalisme worden de economische verschillen niet kleiner, maar groter en verscherpen zij zich. Het parlementarisme heft het wezen van de meest democratische burgerlijke republieken als organen van de klassenonderdrukking niet op, maar legt dit bloot. Al draagt het parlementarisme ertoe bij dat veel en veel grotere massa’s dan ooit tevoren actief aan de politieke gebeurtenissen deelnemen, worden geschoold en georganiseerd, bereidt het daarmee nog niet het verdwijnen van de crises en van de politieke revoluties voor, maar integendeel de grootst mogelijke verscherping van de burgeroorlog tijdens deze revoluties. De Parijse gebeurtenissen in het voorjaar van 1871 en de Russische in de winter van 1905 [7] hebben duidelijker dan ooit tevoren aangetoond dat zo een verscherping onvermijdelijk intreedt. Om de proletarische beweging te onderdrukken aarzelde de Franse bourgeoisie geen ogenblik om een compromis met de vijand van de gehele natie aan te gaan, met de vreemde troepen, die haar vaderland hadden verwoest. Wie de onontkoombare innerlijke dialectiek van het parlementarisme en van het burgerlijke democratisme niet begrijpt, die tot een voorheen ongekend heftige oplossing van conflicten door massaal geweld leidt, zal nimmer in staat zijn op de grondslag van dit parlementarisme een principiële, consequente propaganda en agitatie te voeren, die de arbeidersmassa’s werkelijk op een zegevierend deelnemen aan zo een ‘conflict’ voorbereiden. De ervaringen inzake de verbonden, overeenkomsten en blokken met het sociaal-hervormingsgezinde liberalisme in het Westen en met het liberale reformisme (de kadetten [8]) tijdens de Russische revolutie hebben overtuigend aangetoond dat deze overeenkomsten het bewustzijn van de massa’s alleen maar afstompen en de werkelijke betekenis van hun strijd niet vergroten, maar verkleinen, omdat zij de strijdenden binden aan elementen die allerminst strijdbaar, wel echter zeer wankelmoedig en tot verraad bereid zijn. Het Franse millerandisme [9] — de belangwekkendste poging om de revisionistische politieke tactiek op brede, werkelijk nationale schaal toe te passen — heeft een praktische beoordeling van het revisionisme mogelijk gemaakt, die door het proletariaat in de gehele wereld nimmer vergeten zal worden.

Een natuurlijke aanvulling op het economische en politieke streven van het revisionisme was zijn standpunt ten aanzien van bet einddoel van de socialistische beweging. ‘De beweging is alles — het einddoel niets’ — dit gevleugelde woord van Bernstein drukt het wezen van het revisionisme beter uit dan vele lange beschouwingen. Van geval tot geval zijn houding bepalen, zich aanpassen aan de gebeurtenissen van de dag, aan het kleine politieke gedoe, de fundamentele belangen van het proletariaat, de meest kenmerkende eigenschappen van het gehele kapitalistische stelsel, van de gehele kapitalistische ontwikkeling vergeten en deze fundamentele belangen aan werkelijke of vermeende voordelen van het ogenblik opofferen — dat is de revisionistische politiek. En uit het wezen van deze politiek vloeit duidelijk voort dat zij oneindig veelvuldige vormen kan aannemen en dat iedere hoe dan ook ‘nieuwe’ kwestie, iedere hoe dan ook onverwachte en onvoorziene wending van de gebeurtenissen — zelfs al zou deze wending de fundamentele lijn van de ontwikkeling in zeer onbetekenende mate en gedurende zeer korte tijd veranderen — onvermijdelijk steeds deze of gene variëteit van het revisionisme zal doen ontstaan.

De onvermijdelijkheid van het revisionisme wordt door zijn klassenwortels in de moderne maatschappij bepaald. Het revisionisme is een internationaal verschijnsel. Voor iedere enigszins ervaren en denkende socialist kan er niet de geringste twijfel over bestaan dat de verhouding tussen de orthodoxen [10] en de bernsteinianen in Duitsland, de guesdisten [11] en jaurèsisten [12] (thans in het bijzonder de brousseïsten) in Frankrijk [13], tussen de Sociaaldemocratische Federatie [14] en de Onafhankelijke Arbeiderspartij in Engeland [15], tussen de Brouckère en Vandervelde in België, tussen de integralisten en de reformisten in Italië [16], de bolsjewieken en mensjewieken in Rusland overal in wezen van dezelfde aard is, ondanks de zeer grote verscheidenheid der nationale omstandigheden en historische invloeden in de tegenwoordige toestand van al deze landen. De ‘scheiding’ in het moderne internationale socialisme verloopt in de verschillende landen van de wereld reeds nu in feite langs één lijn en levert daarmee het bewijs van de reusachtige vooruitgang, vergeleken met de toestand van 30 à 40 jaar geleden, toen binnen het internationale socialisme als geheel in de verschillende landen uiteenlopende tendensen elkaar bestreden. En het ‘revisionisme van links’, dat tegenwoordig in de Romaanse landen als ‘revolutionair syndicalisme’ [17] naar voren komt, past zich eveneens bij het marxisme aan, waarbij het dit ‘corrigeert’: Labriola in Italië en Lagardelle in Frankrijk beroepen zich voortdurend op Marx, die verkeerd wordt begrepen en door hen op de juiste wijze wordt geïnterpreteerd.

Het is ons niet mogelijk op deze plaats een analyse van de ideologische inhoud van dit revisionisme te geven, dat zich nog lang niet zo ver heeft verbreid en niet zo internationaal is geworden als het opportunistische revisionisme en in de praktijk nog geen enkel gevecht met de socialistische partij van welk land ook heeft doorstaan. Wij beperken ons daarom tot het ‘revisionisme van rechts’, dat hierboven werd geschetst.

Waarin ligt zijn onvermijdelijkheid in de kapitalistische maatschappij? Waarom is het diepgaander dan de verschillen in nationale bijzonderheden en in trappen van ontwikkeling van het kapitalisme? Omdat er in ieder kapitalistisch land naast het proletariaat ook steeds brede lagen van de kleine burgerij, van de kleine bezitters zijn. Het kapitalisme ontstond en ontstaat telkens weer uit de kleine productie. Een groot aantal ‘middenlagen’ wordt onvermijdelijk steeds opnieuw door het kapitalisme geschapen (aanhangsels van de fabriek, huisindustrie, kleine werkplaatsen, die, al naar de behoeften van de grootindustrie, bv. de rijwiel- en de automobielindustrie enz., over het gehele land zijn verspreid). Deze nieuwe kleine producenten worden eveneens weer onvermijdelijk in de rijen van het proletariaat gestoten. Het is volkomen natuurlijk dat de kleinburgerlijke levensbeschouwing telkens opnieuw in de rijen van de grote arbeiderspartijen doorbreekt. Het is volkomen natuurlijk dat dit tot aan de proletarische revolutie toe zo zijn moet en steeds zijn zal, want het zou een grove fout zijn aan te nemen, dat de ‘volledige’ proletarisering van de meerderheid der bevolking noodzakelijk zou zijn om zo een revolutie tot stand te brengen. Wat wij tegenwoordig vaak alleen maar op ideologisch gebied beleven: verschil van mening over de theoretische correcties op Marx — wat tegenwoordig alleen maar in afzonderlijke detailkwesties van de arbeidersbeweging tot uiting komt als tactische meningsverschillen met de revisionisten en de scheuringen op deze grondslag — dat alles zal de arbeidersklasse zonder twijfel op nog veel grotere schaal moeten doormaken, wanneer de proletarische revolutie alle twistpunten zal verscherpen, alle meningsverschillen op punten zal concentreren, die van de meest directe betekenis zijn voor het bepalen van de houding van de massa’s, wanneer zij het proletariaat ertoe zal dwingen in het heetst van de strijd vriend van vijand te scheiden en de ondeugdelijke bondgenoten van zich af te schudden, teneinde de vijand beslissende slagen te kunnen toebrengen. De ideologische strijd van het revolutionaire marxisme tegen het revisionisme aan het einde van de 19de eeuw was slechts een eerste stap naar de grote revolutionaire gevechten van het proletariaat, dat ondanks alle wankelmoedigheid en zwakheid van het kleinburgerdom de volledige triomf van zijn zaak tegemoetgaat.



Voetnoten

[1] Proudhonisme: een antiwetenschappelijke, het marxisme vijandige stroming in het kleinburgerlijke socialisme, genoemd naar haar ideoloog, de Franse anarchist Proudhon. Hoewel hij de grote kapitalistische eigendom vanuit een kleinburgerlijk standpunt aan kritiek onderwierp, hoopte Proudhon de kleine private eigendom te bestendigen. Hij stelde voor een ‘volks’- en een ‘ruil’bank te organiseren met behulp waarvan de arbeiders hun eigen productiemiddelen konden aanschaffen, handwerkslieden konden worden en zich van een ‘rechtvaardige’ afzetmarkt voor hun producten konden verzekeren. Proudhon begreep de historische rol van het proletariaat niet en stond afwijzend tegenover de klassenstrijd, de proletarische revolutie en de dictatuur van het proletariaat, vanuit een anarchistisch standpunt ontkende hij de noodzakelijkheid van de staat. Marx en Engels voerden een consequente strijd tegen de pogingen van de proudhonisten hun beginselen de Ie Internationale op te dringen. Het proudhonisme werd aan een vernietigende kritiek onderworpen in Marx’ werk ‘Das Elend der Philosophie’.

[2] Bakoenisten: aanhangers van een stroming, genoemd naar M. A. Bakoenin, de ideoloog van het anarchisme. De bakoenisten voerden een verbeten strijd tegen de marxistische theorie en tactiek van de arbeidersbeweging. Het grondbeginsel van het bakoenisme is het ontkennen van elke vorm van de staat en daarmee ook van de dictatuur van het proletariaat, het niet-begrijpen van de wereldhistorische rol van het proletariaat. Een geheim revolutionair genootschap, bestaande uit ‘eminente persoonlijkheden’, diende, naar de mening van de bakoenisten, leiding te geven aan volksopstanden. Hun tactiek van samenzwering en terreur was avontuurlijk en stond vijandig tegenover de marxistische leer van de opstand.
Bakoenin drong zich in de Ie Internationale met het doel de Algemene Raad te beheersen en voerde strijd tegen Marx. Wegens zijn ondermijnende activiteiten werd Bakoenin op het Haagse Congres van 1872 uit de Ie Internationale gesloten.

[3] Hiermee wordt het bernsteinianisme bedoeld, een opportunistische stroming in de internationale sociaaldemocratie, die aan het eind van de negentiende eeuw in Duitsland ontstond en genoemd werd naar E. Bernstein, die de theorie van Marx aan een herziening onderwierp. Bernstein keerde zich tegen de leerstelling van de socialistische revolutie en de dictatuur van het proletariaat en beweerde dat de strijd voor hervormingen, voor een verbetering van de levensstandaard van de arbeiders in het raam van de kapitalistische maatschappij de enige taak van de arbeidersbeweging was.

[4] Met sociaal-narodniki worden sociaal-revolutionairen (SR-en) bedoeld, een kleinburgerlijke partij in Rusland die eind 1902-begin 1903 ontstond door een fusie van verschillende groepen en kringetjes van de narodnikistische richting. De sociaal-revolutionairen zagen geen verschil tussen het proletariaat en de kleine zelfstandigen, versluierden de klassenverdelingen en tegenstellingen binnen de boerenstand en ontkenden de leidende rol van het proletariaat in de revolutie. De tactiek van individuele terreur, die de sociaal-revolutionairen predikten als de voornaamste methode in de strijd tegen de alleenheerschappij, bracht de revolutionaire beweging veel schade toe en bemoeilijkte het organiseren van de massa voor de revolutionaire strijd.
Het agrarische program van de sociaal-revolutionairen voorzag in de afschaffing van de particuliere grondeigendom en het overdragen van de grond aan de dorpsgemeenschappen volgens het beginsel van het compenserend grondgebruik alsook de ontwikkeling van coöperaties. Dit program, dat de sociaal-revolutionairen ‘socialisatie van de grond’ noemden, bevatte in werkelijkheid niets socialistisch.
De partij van de bolsjewieken legde de pogingen van de sociaal-revolutionairen zich voor socialisten uit te geven bloot en voerde een verbeten strijd tegen hen met als inzet de invloed onder de boeren. De partij van de bolsjewieken toonde aan welke schade hun tactiek van individuele terreur de arbeidersbeweging toebracht. Tegelijkertijd sloten de bolsjewieken onder bepaalde voorwaarden tijdelijke overeenkomsten met de sociaal-revolutionairen in de strijd tegen het tsarisme. De verscheidenheid in de klassensamenstelling van de boerenstand bedong de politieke en ideologische onbestendigheid en versplintering in de partij van de socialisten-revolutionairen en hun voortdurende weifeling tussen de bourgeoisie en het proletariaat. In het tijdperk van reactie (1907-1910) kwam de partij van de socialisten-revolutionairen volkomen tot verval, zowel op ideologisch als op organisatorisch gebied. Gedurende de Eerste Wereldoorlog stond de meerderheid van de sociaal-revolutionairen op het standpunt van het sociaal-chauvinisme. Na de overwinning van de burgerlijk-democratische Februari-revolutie van 1917 vormden de sociaal-revolutionairen, tezamen met de mensjewieken en de kadetten (zie [8]), de voornaamste steunkracht van de burgerlijke Voorlopige Regering waarvan hun leiders (Kerenski, Avksentjev, Tsjernov) deel uitmaakten.
De partij van de sociaal-revolutionairen weigerde de boeren te ondersteunen, die het afschaffen van het grootgrondbezit eisten, en kwamen op voor het behoud van het grootgrondbezit; de sociaal-revolutionaire ministers in de Voorlopige Regering zonden strafexpedities tegen de boeren, die zich meester gemaakt hadden van het land van de grootgrondbezitters.
In de jaren van de buitenlandse gewapende interventie en de burgeroorlog hielden de sociaal-revolutionairen zich bezig met contrarevolutionaire ondermijnende activiteiten, ondersteunden metterdaad de interventietroepen en de witte generaals, namen deel aan contrarevolutionaire samenzweringen en organiseerden aanslagen op sovjetgezagdragers en voormannen van de Communistische Partij.

[5] Neokantianen: vertegenwoordigers van een reactionaire richting in de burgerlijke filosofie, die in het midden van de negentiende eeuw in Duitsland ontstond. De neokantianen brachten de meest reactionaire, idealistische leerstellingen van de filosofie van Kant opnieuw naar voren, maar wezen de elementen van het materialisme, die deze bevat, af. Onder de leuze ‘terug naar Kant’ predikten de neokantianen de wedergeboorte van het kantiaanse idealisme en voerden ze strijd tegen het dialectische en historische materialisme.

[6] Zie het boek ‘Bijdragen tot de filosofie van het marxisme’ van Bogdanov, Bazarov e.a. Het is hier niet de plaats om dit boek te bespreken en ik moet mij voorlopig tot de verklaring beperken dat ik in de naaste toekomst in een reeks artikelen of in een afzonderlijke brochure zal aantonen dat alles wat er in de tekst over de neokantiaanse revisionisten is gezegd, in het wezen van de zaak ook betrekking heeft op deze ‘nieuwe’, neohumeïstische en neoberkeleyaanse, revisionisten. [noot van Lenin]
[Lenin kwam deze belofte na in zijn werk ‘Materialisme en empiriocriticisme’, dat in mei 1909 verscheen. – Red.]

[7] Hiermee wordt de Parijse Commune van 1871 en de gewapende decemberopstand in Moskou en andere steden bedoeld, die het hoogtepunt vormde in de Russische revolutie van 1905 tot 1907.

[8] Kadetten: leden van de Constitutioneel-democratische Partij, de leidende partij van de liberaal-monarchistische bourgeoisie in Rusland. De partij van de kadetten werd in oktober 1905 opgericht en telde tot haar leden vertegenwoordigers van de bourgeoisie, Zemstvo-politici en burgerlijke intellectuelen. Om de arbeidende massa’s te bedriegen noemden de kadetten zich huichelachtig ‘de partij van de volksvrijheid’, in werkelijkheid echter gingen zij met hun eisen niet verder dan een constitutionele monarchie. Gedurende de Eerste Wereldoorlog steunden zij ijverig de roofzuchtige buitenlandse politiek van de tsaristische regering en gedurende de burgerlijk-democratische Februari-revolutie van 1917 trachtten zij de monarchie te redden. De kadetten bekleedden een vooraanstaande positie in de burgerlijke Voorlopige Regering en voerden een volksvijandige, contrarevolutionaire politiek. Na de overwinning van de socialistische Oktoberrevolutie traden de kadetten op als onverzoenlijke vijanden van het sovjetbewind en namen ze actief deel aan alle gewapende ondernemingen en veldtochten van de interventietroepen. Na het neerslaan van de interventie en de witgardisten gingen de kadetten in de emigratie, maar staakten hun sovjetvijandige, contrarevolutionaire activiteiten niet.

[9] Millerandisme: opportunistische stroming in de sociaaldemocratie, genoemd naar de Franse socialist Millerand, die in 1899 toetrad tot de reactionaire burgerlijke regering van Frankrijk en haar tegen het volk gerichte politiek steunde.

[10] De orthodoxen waren de Duitse sociaaldemocraten die opkwamen tegen de bersteiniaanse herziening van het marxisme.

[11] Guesdisten: aanhangers van een revolutionaire, marxistische stroming in de Franse socialistische beweging, die onstond aan het eind van de negentiende-begin van de twintigste eeuw en geleid werd door G. Guesde en P. Lafargue. Na de splitsing in de Arbeiderspartij van Frankrijk (1882) vormden de guesdisten een onafhankelijke partij, die de oude naam behield.
De voorstanders van de revolutionaire klassenstrijd vormden in 1901, met G. Guesde aan hun hoofd, de Socialistische Partij van Frankrijk (de leden van deze partij begon men ook, naar de naam van haar leider, ‘guesdisten’ te noemen).

[12] Jaurèsisten: aanhangers van de Franse socialist J. Jaurès, die opkwam voor een herziening van de voornaamste stellingen van het marxisme en de klassensamenwerking tussen liet proletariaat en de bourgeoisie predikte. In 1902 richtten de jaurèsisten de Franse Socialistische Partij op, die reformistische standpunten huldigde.

[13] Brousseïsten (possibilisten): aanhangers van een kleinburgerlijke, reformistische stroming, geleid door Brousse, Malon e.a. De possibilisten ontkenden het revolutionaire program en de revolutionaire tactiek van het proletariaat, verdoezelden de socialistische doeleinden van de arbeidersbeweging en stelden voor de strijd van de arbeiders te beperken tot de grenzen van het ‘mogelijke’ (possible) onder de omstandigheden van het kapitalisme. In 1902 richtten de possibilisten, tezamen met andere reformistische groepen, de Franse Socialistische Partij op. In 1905 verenigde deze partij zich met de Socialistische Partij van Frankrijk in één Franse Socialistische Partij.

[14] The Social-Democratic Federation (de Sociaaldemocratische Federatie van Engeland)werd in 1884 opgericht. Naast reformisten (zoals Hyndman e.a.) trad ook een groep van revolutionaire sociaaldemocraten, die het marxistische standpunt huldigden (G. Quelch, T. Mann, E. Aveling, E. Marx-Aveling e.a.) en de linkervleugel van de socialistische beweging in Engeland vormden, tot de Social-Democratic Federation toe. F. Engels hekelde de leiding van de Social-Democratic Federation wegens dogmatisme, sektarisme, isolement van de massabeweging van de arbeiders in Engeland en het voorbijgaan aan de bijzondere aard van deze beweging. In 1907 werd de Social-Democratic Federation omgedoopt in de Social-Democratic Party, die in 1911, tezamen met linkse elementen in de Independent Labour Party (de Onafhankelijke Arbeiderspartij), de British Socialist Party (de Britse Socialistische Partij) vormde. In 1920 speelde deze partij, tezamen met de Communistische Eenheidsgroep, de hoofdrol in de oprichting van de Communist Party of Great Britain (de Communistische Partij van Groot-Brittannië).

[15] The Independent Labour Party (de Onafhankelijke Arbeiderspartij van Engeland): een reformistische organisatie, die in 1893 door de leiders van de nieuwe vakverenigingen (new trade-unions) opgericht werd onder omstandigheden van verscherping van de stakingsstrijd en de drang in de arbeidersklasse van Engeland naar onafhankelijkheid van de burgerlijke partijen. Tot de Independent Labour Party traden leden toe van de ‘nieuwe vakverenigingen’ alsook van een aantal van de oude vakverenigingen, vertegenwoordigers van de intellectuelen en de kleine burgerij, die zich onder de invloed van de Fabians bevonden. Aan het hoofd van de partij stond Keir Hardy. In haar program riep de partij op tot de strijd voor de gemeenschappelijke eigendom van de middelen van productie, distributie en ruil, invoering van de achturige werkdag, verbod van de kinderarbeid en invoering van sociale verzekering en werklozensteun. De Independent Labour Party huldigde vanaf haar stichting burgerlijke, reformistische standpunten en legde bijzondere nadruk op de parlementaire vorm van strijd en op parlementaire overeenkomsten met de Liberale Partij.

[16] Integralisten: aanhangers van het ‘integrale’ (volledige) socialisme, een variant van het kleinburgerlijke socialisme. De leider van de integralisten was Enrico Ferri. De integralisten vertegenwoordigden een centristische stroming in de Italiaanse Socialistische Partij aan het begin van deze eeuw en voerden strijd over een reeks vraagstukken tegen de reformisten, die uiterst opportunistische standpunten huldigden en samenwerkten met de reactionaire bourgeoisie.

[17] Het revolutionaire syndicalisme: een kleinburgerlijke, halfanarchistische stroming, die aan het eind van de 19de eeuw ontstond in de arbeidersbeweging van een aantal West-Europese landen. De syndicalisten ontkenden de noodzakelijkheid van de politieke strijd van de arbeidersklasse, de leidende rol van de partij en de dictatuur van het proletariaat. Zij waren van mening dat de vakbonden (syndicaten) door middel van het organiseren van een algemene staking van de arbeiders het kapitalisme omver konden werpen en de regeling van de productie over konden nemen. Lenin toonde aan dat het “revolutionaire syndicalisme in vele landen het directe en onvermijdelijke resultaat is van het opportunisme, reformisme en parlementair cretinisme”.